Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21797
2026-07-31
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.40416
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 59, eerste lid onder a. Overschrijding termijn ophouding - gronden betwist - lichter middel - ambtshalve toetsing.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2024:3540 Raad van State 03-09-2024
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.183 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40416
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 17 juli 2026 heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 22 juli 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 24 juli 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 27 juli 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduiksrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Wat voert eiser aan in beroep?
3. Allereerst voert eiser aan dat de ophouding te lang heeft geduurd, omdat deze langer dan zes uur heeft geduurd. Ten tweede betwist eiser de gronden van de inbewaringstelling. Ten slotte betoogt eiser dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Maakt de overschrijding van de termijn voor de ophouding de bewaring onrechtmatig?
4. Niet in geschil is dat de termijn voor de ophouding is overschreden. De termijn is aangevangen op 17 juli om 13:15 uur. Eiser is op diezelfde dag om 19:36 uur in bewaring gesteld. De maximum duur van zes uur is daarmee overschreden.
4.1.
De rechtbank is echter van oordeel dat deze termijnoverschrijding niet maakt dat de bewaring onrechtmatig is. Verweerder heeft in het verweerschrift terecht verwezen naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 2 september 2024. Hieruit volgt dat de termijnoverschrijding er niet toe leidt dat de bewaring onrechtmatig is als het gehoor voor de inbewaringstelling voor het verstrijken van de termijn van ophouding is aangevangen, maar buiten de termijn van ophouding is beëindigd. In het geval van eiser is het gehoor aangevangen binnen de termijn van de ophouding, omdat het is aangevangen op 17 juli 2026 om 17:15 uur.
Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?
5. Niet betwist is dat aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd en dat hij niet binnen de in het terugkeerbesluit gestelde vertrektermijn is vertrokken. De omstandigheid dat eiser zijn verblijf wil legaliseren, doet niet af aan het feit dat hij geen opvolging heeft gegeven aan het terugkeerbesluit en tot op heden geen aanstalten heeft gemaakt om te vertrekken.
5.1.
Verder heeft verweerder terecht opgenomen dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Eiser heeft zijn in beroep aangehaalde stelling dat hij ondersteuning ontvangt van ACO Amsterdam en van zijn partner niet met stukken onderbouwd, en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hiermee kan voorzien in zijn levensonderhoud en zijn vertrek uit Nederland kan betalen.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gronden al voldoende om de maatregel te dragen. Gelet hierop hoeven de overige door eiser bestreden gronden niet meer te worden besproken.
Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
6. Gelet op wat hiervoor is besproken, mocht verweerder afzien van toepassing van een lichter middel. De enkele stelling van eiser dat hij zich wil houden aan de meldplicht, en een reisdocument en ticket ter beschikking kan stellen, maakt dit niet anders. Zoals hiervoor is overwogen, is eiser niet binnen de vertrektermijn van zijn terugkeerbesluit vertrokken en blijkt uit zijn handelen niet dat hij daadwerkelijk de intentie heeft om mee te werken aan zijn uitzetting dan wel om zelfstandig te vertrekken.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3540.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40416
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 17 juli 2026 heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 22 juli 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 24 juli 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 27 juli 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduiksrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Wat voert eiser aan in beroep?
3. Allereerst voert eiser aan dat de ophouding te lang heeft geduurd, omdat deze langer dan zes uur heeft geduurd. Ten tweede betwist eiser de gronden van de inbewaringstelling. Ten slotte betoogt eiser dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Maakt de overschrijding van de termijn voor de ophouding de bewaring onrechtmatig?
4. Niet in geschil is dat de termijn voor de ophouding is overschreden. De termijn is aangevangen op 17 juli om 13:15 uur. Eiser is op diezelfde dag om 19:36 uur in bewaring gesteld. De maximum duur van zes uur is daarmee overschreden.
4.1.
De rechtbank is echter van oordeel dat deze termijnoverschrijding niet maakt dat de bewaring onrechtmatig is. Verweerder heeft in het verweerschrift terecht verwezen naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 2 september 2024. Hieruit volgt dat de termijnoverschrijding er niet toe leidt dat de bewaring onrechtmatig is als het gehoor voor de inbewaringstelling voor het verstrijken van de termijn van ophouding is aangevangen, maar buiten de termijn van ophouding is beëindigd. In het geval van eiser is het gehoor aangevangen binnen de termijn van de ophouding, omdat het is aangevangen op 17 juli 2026 om 17:15 uur.
Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?
5. Niet betwist is dat aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd en dat hij niet binnen de in het terugkeerbesluit gestelde vertrektermijn is vertrokken. De omstandigheid dat eiser zijn verblijf wil legaliseren, doet niet af aan het feit dat hij geen opvolging heeft gegeven aan het terugkeerbesluit en tot op heden geen aanstalten heeft gemaakt om te vertrekken.
5.1.
Verder heeft verweerder terecht opgenomen dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Eiser heeft zijn in beroep aangehaalde stelling dat hij ondersteuning ontvangt van ACO Amsterdam en van zijn partner niet met stukken onderbouwd, en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hiermee kan voorzien in zijn levensonderhoud en zijn vertrek uit Nederland kan betalen.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gronden al voldoende om de maatregel te dragen. Gelet hierop hoeven de overige door eiser bestreden gronden niet meer te worden besproken.
Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
6. Gelet op wat hiervoor is besproken, mocht verweerder afzien van toepassing van een lichter middel. De enkele stelling van eiser dat hij zich wil houden aan de meldplicht, en een reisdocument en ticket ter beschikking kan stellen, maakt dit niet anders. Zoals hiervoor is overwogen, is eiser niet binnen de vertrektermijn van zijn terugkeerbesluit vertrokken en blijkt uit zijn handelen niet dat hij daadwerkelijk de intentie heeft om mee te werken aan zijn uitzetting dan wel om zelfstandig te vertrekken.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3540.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.