Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21796
2026-07-31
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.40408
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 6, derde lid, Vw. Verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026 - grensbewakingsbelang - lichter middel - ambtshalve toetsing
Citeert (8)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19758 Rechtbank Den Haag 17-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2020:829 Raad van State 25-03-2020
- ECLI:NL:RVS:2025:2925 Raad van State 01-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2023:789 Raad van State 02-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:1228 Raad van State 26-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2016:1451 Raad van State 03-06-2016
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.876 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40408
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
1. Bij besluit van 17 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 22 juli 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 24 juli 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 27 juli 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Wat is het toetsingskader?
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026, dat verweerder ten onrechte in het grensbewakingsbelang een noodzaak ziet om de grensdetentie toe te passen. Ook is er onvoldoende onderzoek gedaan naar de toepassing van een lichter middel en is onvoldoende gemotiveerd waarom daar geen toepassing aan is gegeven. Ten slotte heeft verweerder onvoldoende zorgvuldig gekeken of de grensdetentie in het geval van eiser evenredig is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Kan het grensbewakingsbelang de maatregel dragen?
4. Eiser is als asielzoeker, die niet onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening valt, in bewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Op grond van artikel 6, derde lid van de Vw en artikel 5.5 van het Vb, is bij deze grondslag niet vereist dat er sprake is van een risico op onderduiken of van een ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de uitzetting. De maatregel kan worden opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang.
4.1.
In de sinds kort geldende Procedureverordening staat, kort gezegd, dat Nederland een asielaanvraag in de grensprocedure kan behandelen. In de (nieuwe) Opvangrichtlijn staat dat een verzoeker in bewaring mag worden gehouden om in het kader van een grensprocedure een beslissing te nemen over het recht om het grondgebied te betreden. Hiervoor is op grond van het Unierecht niet vereist dat er sprake is van een risico op onderduiken of van ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de uitzetting. Zowel onder het oude als het nieuwe recht is er sprake van een bevoegdheid en niet van een verplichting om de grensprocedure en - daarmee samenhangend – grensdetentie toe te passen. In sommige gevallen is die grensprocedure momenteel overigens wel verplicht, maar dat is in het geval van eiser niet aan de orde.
4.2.
De Afdeling heeft eerder, voor de inwerkingtreding van de Procedureverordening en de nieuwe Opvangrichtlijn, geoordeeld dat de bewaringsgronden bij de in artikel 6, derde lid, van de Vw opgenomen grondslag alleen zijn vereist bij een Dublinclaimant op wiens asielaanvraag nog niet is beslist. Een risico op onderduiken of ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de uitzetting is dan ook niet vereist. Grensdetentie van een asielzoeker is geoorloofd als verweerder in de grensprocedure beslist of een verzoeker het grondgebied van Nederland mag betreden. Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 wordt daarmee opgelegd ter bescherming van het grensbewakingsbelang.
4.3.
Van een wezenlijke wijziging van de, nationale of Unierechtelijke, regelgeving is in zoverre geen sprake en uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt ook niet dat zo’n wijziging is beoogd. De enkele omstandigheid dat de regelgever ter uitvoering van het Unierecht – net als onder het oude recht – ook andere keuzes had kunnen maken, betekent niet dat de wetgever dat ook had moeten doen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om, in navolging van zittingsplaats Amsterdam in de door eiser ingeroepen uitspraak, af te wijken van eerdere rechtspraak.
4.4.
Overigens volgt de rechtbank eiser niet dat geen sprake zou zijn van een individuele beoordeling. Verweerder moet namelijk altijd een belangenafweging verrichten, waarbij hij alle relevante individuele feiten en omstandigheden moet betrekken. Deze afweging bespreekt de rechtbank hierna onder het kopje ‘lichter middel’.
4.5.
Ook in dit concrete geval heeft verweerder aanleiding mogen zien om eiser in grensdetentie te stellen. Eiser voldoet namelijk niet aan de toegangsvoorwaarden en heeft om asiel gevraagd.
Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
5. Verweerder heeft, anders dan eiser betoogt, wel degelijk voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Tijdens het voorafgaand aan de grensdetentie gehouden gehoor zijn aan eiser namelijk meerdere vragen over zijn gezondheid gesteld. Eiser heeft in reactie hierop aangegeven dat hij last heeft van hartproblemen, zijn kies en hoofdpijn, en dat hij hiervoor medicatie gebruikt. Ook zijn hem vragen gesteld over eventueel in Nederland of in de Europese Unie verblijvende familie. Eiser heeft daarbij verteld dat zijn broer en een vriend, neef en oom in Nederland wonen. Tot slot is hem gevraagd of er eventuele andere omstandigheden zijn die aanleiding geven om hem niet te detineren. Daarop heeft hij geantwoord dat dergelijke omstandigheden er niet zijn.
5.1.
Daarnaast heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel heeft volstaan. De maatregel van grensdetentie wordt niet opgelegd als er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Verweerder heeft de gestelde medische omstandigheden van eiser in de maatregel betrokken en er terecht op gewezen dat er voldoende medische voorzieningen zijn in het detentiecentrum. Ook heeft verweerder zich in de maatregel terecht op het standpunt gesteld dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat de maatregel onevenredig bezwarend is, gelet op eisers antwoorden op de aan hem gestelde vragen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de wijze waarop het door de KMar gebruikte formulier is opgesteld, voorsorteert op de toepassing van grensdetentie.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RBDHA:2026:19758.
Iemand die wel onder deze verordening valt, werd eerder ook wel geduid als “Dublinclaimant”.
Dit was niet anders vóór 12 juni 2026, zij het dat dit in het Vb destijds in artikel 5.1a stond.
Artikel 43, eerste lid, van de Procedureverordening. Ook in de hiervoor geldende Procedurerichtlijn was sprake van een kan-bepaling (dit stond ook hier in artikel 43).
Artikel 10, vierde lid, onder d, van de Opvangrichtlijn. Dit verschilt niet wezenlijk van artikel 8, derde lid, onder c, van de Opvangrichtlijn (oud).
Artikel 45 van de Procedureverordening.
Nu opgenomen in artikel 5.6 van het Vb.
Uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, ov. 5.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, ov. 3.1.
Uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:789, ov. 4.1 en van 26 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1228, ov. 3.1.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451, onder 8.2.
Formulier ‘Gehoor met betrekking tot het uitstellen van de toegangsweigering en het opleggen van een beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (VW)’.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40408
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
1. Bij besluit van 17 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 22 juli 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 24 juli 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 27 juli 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Wat is het toetsingskader?
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026, dat verweerder ten onrechte in het grensbewakingsbelang een noodzaak ziet om de grensdetentie toe te passen. Ook is er onvoldoende onderzoek gedaan naar de toepassing van een lichter middel en is onvoldoende gemotiveerd waarom daar geen toepassing aan is gegeven. Ten slotte heeft verweerder onvoldoende zorgvuldig gekeken of de grensdetentie in het geval van eiser evenredig is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Kan het grensbewakingsbelang de maatregel dragen?
4. Eiser is als asielzoeker, die niet onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening valt, in bewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Op grond van artikel 6, derde lid van de Vw en artikel 5.5 van het Vb, is bij deze grondslag niet vereist dat er sprake is van een risico op onderduiken of van een ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de uitzetting. De maatregel kan worden opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang.
4.1.
In de sinds kort geldende Procedureverordening staat, kort gezegd, dat Nederland een asielaanvraag in de grensprocedure kan behandelen. In de (nieuwe) Opvangrichtlijn staat dat een verzoeker in bewaring mag worden gehouden om in het kader van een grensprocedure een beslissing te nemen over het recht om het grondgebied te betreden. Hiervoor is op grond van het Unierecht niet vereist dat er sprake is van een risico op onderduiken of van ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de uitzetting. Zowel onder het oude als het nieuwe recht is er sprake van een bevoegdheid en niet van een verplichting om de grensprocedure en - daarmee samenhangend – grensdetentie toe te passen. In sommige gevallen is die grensprocedure momenteel overigens wel verplicht, maar dat is in het geval van eiser niet aan de orde.
4.2.
De Afdeling heeft eerder, voor de inwerkingtreding van de Procedureverordening en de nieuwe Opvangrichtlijn, geoordeeld dat de bewaringsgronden bij de in artikel 6, derde lid, van de Vw opgenomen grondslag alleen zijn vereist bij een Dublinclaimant op wiens asielaanvraag nog niet is beslist. Een risico op onderduiken of ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de uitzetting is dan ook niet vereist. Grensdetentie van een asielzoeker is geoorloofd als verweerder in de grensprocedure beslist of een verzoeker het grondgebied van Nederland mag betreden. Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 wordt daarmee opgelegd ter bescherming van het grensbewakingsbelang.
4.3.
Van een wezenlijke wijziging van de, nationale of Unierechtelijke, regelgeving is in zoverre geen sprake en uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt ook niet dat zo’n wijziging is beoogd. De enkele omstandigheid dat de regelgever ter uitvoering van het Unierecht – net als onder het oude recht – ook andere keuzes had kunnen maken, betekent niet dat de wetgever dat ook had moeten doen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om, in navolging van zittingsplaats Amsterdam in de door eiser ingeroepen uitspraak, af te wijken van eerdere rechtspraak.
4.4.
Overigens volgt de rechtbank eiser niet dat geen sprake zou zijn van een individuele beoordeling. Verweerder moet namelijk altijd een belangenafweging verrichten, waarbij hij alle relevante individuele feiten en omstandigheden moet betrekken. Deze afweging bespreekt de rechtbank hierna onder het kopje ‘lichter middel’.
4.5.
Ook in dit concrete geval heeft verweerder aanleiding mogen zien om eiser in grensdetentie te stellen. Eiser voldoet namelijk niet aan de toegangsvoorwaarden en heeft om asiel gevraagd.
Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
5. Verweerder heeft, anders dan eiser betoogt, wel degelijk voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Tijdens het voorafgaand aan de grensdetentie gehouden gehoor zijn aan eiser namelijk meerdere vragen over zijn gezondheid gesteld. Eiser heeft in reactie hierop aangegeven dat hij last heeft van hartproblemen, zijn kies en hoofdpijn, en dat hij hiervoor medicatie gebruikt. Ook zijn hem vragen gesteld over eventueel in Nederland of in de Europese Unie verblijvende familie. Eiser heeft daarbij verteld dat zijn broer en een vriend, neef en oom in Nederland wonen. Tot slot is hem gevraagd of er eventuele andere omstandigheden zijn die aanleiding geven om hem niet te detineren. Daarop heeft hij geantwoord dat dergelijke omstandigheden er niet zijn.
5.1.
Daarnaast heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel heeft volstaan. De maatregel van grensdetentie wordt niet opgelegd als er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Verweerder heeft de gestelde medische omstandigheden van eiser in de maatregel betrokken en er terecht op gewezen dat er voldoende medische voorzieningen zijn in het detentiecentrum. Ook heeft verweerder zich in de maatregel terecht op het standpunt gesteld dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat de maatregel onevenredig bezwarend is, gelet op eisers antwoorden op de aan hem gestelde vragen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de wijze waarop het door de KMar gebruikte formulier is opgesteld, voorsorteert op de toepassing van grensdetentie.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RBDHA:2026:19758.
Iemand die wel onder deze verordening valt, werd eerder ook wel geduid als “Dublinclaimant”.
Dit was niet anders vóór 12 juni 2026, zij het dat dit in het Vb destijds in artikel 5.1a stond.
Artikel 43, eerste lid, van de Procedureverordening. Ook in de hiervoor geldende Procedurerichtlijn was sprake van een kan-bepaling (dit stond ook hier in artikel 43).
Artikel 10, vierde lid, onder d, van de Opvangrichtlijn. Dit verschilt niet wezenlijk van artikel 8, derde lid, onder c, van de Opvangrichtlijn (oud).
Artikel 45 van de Procedureverordening.
Nu opgenomen in artikel 5.6 van het Vb.
Uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, ov. 5.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, ov. 3.1.
Uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:789, ov. 4.1 en van 26 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1228, ov. 3.1.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451, onder 8.2.
Formulier ‘Gehoor met betrekking tot het uitstellen van de toegangsweigering en het opleggen van een beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (VW)’.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.