Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21793

2026-07-31 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.40313, NL26.40314 en NL26.40333
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-31
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.40313, NL26.40314 en NL26.40333
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 59a, eerste lid, Vw. Recht om te worden gehoord - folder in andere taal - gronden inhoudelijk niet betwist - betwist dat uit gronden onderduikrisico volgt - lichter middel - voortvarend handelen - (indirect) refoulement - ambtshalve toetsing.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.152 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummers: NL26.40313, NL26.40314 en NL26.40333


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1], V-nummer: [V-nummer 1], eiseres 1



[eiseres 2], V-nummer: [V-nummer 2], eiseres 2


[eiseres 3]
, V-nummer: [V-nummer 3], eiseres 3
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. D. Matadien),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).




Procesverloop



1. Met de bestreden besluiten van 17 juli 2026 heeft verweerder aan eisers op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de maatregelen van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



1.1.
Deze kennisgevingen worden gelijkgesteld met door eisers ingestelde beroepen. De beroepen worden ook aangemerkt als verzoeken om schadevergoeding.



1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.





Overwegingen

2. Eiseres 1 heeft twee minderjarige dochters, dat zijn de overige eisers.



De aan eisers opgelegde maatregelen van vreemdelingenbewaring



3. Verweerder heeft aan eisers de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de maatregel staat verder dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.




3.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eisers:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan, waarbij de vreemdelingen zich gedurende enige tijd aan het toezicht hebben onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie bewegen;k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;s. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.



Wat voeren eisers aan in beroep?



4. Allereerst voeren eisers aan dat het recht van eisers om bij de zitting te zijn, is geschonden. Eisers werden op de dag van de zitting namelijk overgedragen aan Frankrijk. Volgens eisers hadden de rechtbank en verweerder hier rekening mee moeten houden. Ten tweede voeren eisers aan dat verweerder ten onrechte de folder in de Engelse taal heeft gegeven aan eiseres 1, terwijl zij dit niet begrijpt. Ten derde voeren eisers aan dat gelet op de feiten en omstandigheden uit de gronden geen onderduikrisico volgt. Ten vierde voeren eisers aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, vanwege de medische situatie van eiseres 1 en de impact van bewaring op de kinderen. Ten vijfde voeren eisers aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering, omdat eisers lang in bewaring moeten zitten terwijl er ook kinderen zijn betrokken. Ten zesde hebben eisers aangevoerd dat zij bij de overdracht naar Frankrijk een risico lopen op (indirect) refoulement.



Wat is het oordeel van de rechtbank?





Is er sprake van schending van het recht van eisers om te worden gehoord?


5. De rechtbank overweegt als volgt. Door de hoogste bestuursrechter is meermaals geoordeeld dat het recht om te worden gehoord een fundamenteel onderdeel is van de mogelijkheden die een vreemdeling heeft om zijn inbewaringstelling te bestrijden. Het recht om te worden gehoord is echter niet absoluut en kan het onder omstandigheden worden beperkt. Een beperking moet wel evenredig zijn en de kern van het recht niet aantasten. Of verweerder een inspanningsverplichting heeft om alternatieven te onderzoeken zodat een vreemdeling bij een zitting aanwezig kan zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.



5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de beperking van het recht om te worden gehoord in het geval van eisers evenredig is. De rechtbank volgt verweerder in de stelling dat een spoedige overdracht van groot belang is, helemaal omdat het ook gaat om twee minderjarige kinderen. Ook is van belang dat de gemachtigde van eisers pas tijdens de zitting heeft aangegeven dat het voor eisers belangrijk was om in persoon te worden gehoord, terwijl de rechtbank al eerder kenbaar had gemaakt dat eisers – vanwege de geplande overdracht – niet zouden worden opgeroepen. Van de gemachtigde had verwacht mogen worden dat hij dit gelijk kenbaar had gemaakt.



5.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de kern van het recht om te worden gehoord in dit geval niet is aangetast. Eisers hebben zich namelijk laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, die hun belangen heeft behartigd.



Had verweerder de folder in een andere taal moeten geven?


6. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat verweerder de folder in de Engelse taal heeft gegeven, geen gebrek. Het gesprek is namelijk in het Engels gevoerd, waardoor verweerder erop mocht vertrouwen dat aan eisers de Engelse folder kon worden meegeven.



Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?


7. De rechtbank stelt vast dat eisers de gronden, die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwisten. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Het betoog van de gemachtigde van eisers tijdens de zitting dat uit de gronden geen onderduikrisico volgt vanwege de persoonlijke feiten en omstandigheden, volgt de rechtbank niet. Eiseres 1 wist namelijk dat een eerdere vlucht gepland stond op 24 juni 2026. Weliswaar is het tijdstip van de vlucht niet aan haar doorgegeven, maar zij heeft hierover geen navraag gedaan en stond niet klaar toen zij werd opgehaald voor de vlucht. Daarbij komt dat zij tijdens het gehoor heeft gezegd dat zij zelf niet actief om informatie heeft gevraagd omdat zij niet terug kan en wil naar Frankrijk, en dat zij niet gaat terugkeren.


Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?

8. Gelet op wat hiervoor is besproken, mocht verweerder afzien van toepassing van een lichter middel. Wat de gemachtigde van eisers heeft aangevoerd over de feitelijke beschikbaarheid van medische voorzieningen in bewaring leidt niet tot een andere conclusie, reeds al omdat dit niet verder is onderbouwd.


Handelt verweerder voldoende voortvarend?

9. Op 17 juli 2026 is aan eisers de maatregel van bewaring opgelegd. Op 13 juli 2026 is de vlucht aangevraagd voor overdracht aan Frankrijk op 24 juli 2026. In het licht hiervan heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld.



Verzet het beginsel van (indirect) refoulement zich tegen de overdracht?


10. Naar het oordeel van de rechtbank verzet het beginsel van (indirect) refoulement zich niet tegen de overdracht. In de recente uitspraak van de zittingsplaats Groningen is al geoordeeld dat in het geval van eisers ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en eisers hebben niets naar voren gebracht dat in die procedure niet al is betrokken.





Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?


11. Los van de door eisers aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eisers verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.





Conclusie en gevolgen


12. Het beroep tegen de maatregelen van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:991) en van 25 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3939).


Uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:86).


Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 2 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14671.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.