Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21787
2026-02-24
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/2848
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wmo
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2018:819 Centrale Raad van Beroep 21-03-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.280 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2848
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. A.G.B. Bergenhenegouwen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2024 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.
Bij besluit van 6 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2026. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 29 februari 2024 heeft eiseres zich tot het college gewend met een aanvraag voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo.
1.2.
Eiseres heeft als gevolg van diverse aandoeningen beperkingen in haar dagelijks leven. Zij woont samen met haar zoon, [naam], die een verstandelijke beperking heeft, en die als gevolg daarvan ook beperkt is in het dagelijks leven. Bij besluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van 5 november 2023 is aan de zoon een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) toegekend voor de periode van 5 november 2013 tot en met 4 november 2028. De zoon krijgt een persoonsgebonden budget (pgb) voor het zorgzwaartepakket 6VG: wonen met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering, verblijf, begeleiding inclusief dagbesteding, persoonlijke verzorging, behandeling en huishouden.
1.3.
Bij het primaire besluit heeft het college de aanvraag om huishoudelijke ondersteuning afgewezen op grond van artikel 3.2, tweede lid onder b, van de Wmo-verordening Zoetermeer 2015, op de grond dat de huishoudelijke ondersteuning van de zoon van eiseres vanuit de Wlz voorliggend is op de Wmo.
2. Het daartegen gemaakte bezwaar is door het college, onder verwijzing naar het ambtelijk advies van 4 maart 2025, ongegrond verklaard op de grond dat de ondersteuning van de zoon van eisers vanuit de Wlz voorliggend is op de Wmo. Het college heeft tijdens de bezwaarfase alsnog nader onderzoek gedaan om te voldoen aan het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Op 2 september 2024 is een Wmo-consulent bij eiseres op huisbezoek geweest en is een nieuw onderzoeksverslag met stappenplan opgesteld. Daarin staat opgenomen dat eiseres problemen ervaart met het uitvoeren van de lichte en zware huishoudelijke taken en de wasverzorging (stap 1) en dat eiseres taken waarvoor spierkracht en inspanning nodig is niet kan uitvoeren. Binnenshuis loopt eiseres met een rollator en buitenhuis gebruikt zij een scootmobiel. Eiseres heeft een kort stamoment (twee minuten) en haar loopafstand is ongeveer 50 meter (stap 2). Eiseres heeft ondersteuning nodig bij het uitvoeren van lichte en zware huishoudelijke taken, zoals afstoffen, afwassen, stofzuigen, dweilen, verschonen van het bed en schoonmaken van sanitaire ruimtes en de keuken. Daarnaast heeft eiseres ondersteuning nodig bij de wasverzorging, zoals in- en uitladen van de wasmachine, strijken en het opvouwen van het wasgoed (stap 3). Eiseres heeft geen sociaal netwerk/mantelzorgers. Volgens het college is de zorg op basis van de Wlz-indicatie van de zoon van eiseres een Volledig Pakket Thuis (VPT) met een pgb echter voldoende als huishoudelijke ondersteuning (stap 4). Omdat de zoon bij eiseres in huis woont, is dit volgens het college voorliggend op de Wmo. Indien dit pgb onvoldoende is, dient er een herindicatie aangevraagd te worden bij het Zorgkantoor (stap 5). Met artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo heeft de wetgever namelijk een duidelijke scheiding in zorg en verantwoordelijkheid aangebracht tussen de Wmo en de Wlz. Het is een keuzevrijheid hoe de pgb-houder het pgb-budget besteedt. Als van het pgb, zoals hier het geval is, geen huishoudelijke ondersteuning wordt ingekocht, kunnen de gevolgen daarvan niet worden afgewenteld op het college. Uit de Vergoedingenlijst pgb Wlz blijkt dat de Wlz aanspraak op huishoudelijke hulp in ieder geval ziet op alle ruimtes in de woning waar de zoon van eiseres gebruik van maakt of die ten behoeve van hem worden gebruikt. Dat betekent bijvoorbeeld het schoonhouden van de kamer van de zoon, woonkamer, gang, wc, badkamer en keuken.
3. Eiseres voert aan dat geen sprake is van een voorliggende voorziening en dat het Wlz-budget van haar zoon haar niet of in elk geval niet voldoende kan compenseren in haar behoefte aan huishoudelijke ondersteuning. Artikel 2.3.5., zesde lid, Wmo is niet van toepassing en staat niet in de weg aan haar recht op ondersteuning in het huishouden op grond van de Wmo. Het Wlz-budget van haar zoon gaat op aan kosten voor verpleging en dagbesteding, waardoor er geen ruimte meer is om huishoudelijke ondersteuning in te kopen. Eiseres vindt het onderzoek naar haar zorgbehoefte onvoldoende. Subsidiair voert eiseres aan dat het pgb van de zoon alleen is bestemd voor het schoonmaken van zijn slaapkamer, zijn was en de ruimtes die hij gezamenlijk met zijn moeder deelt.
3.1.
Eiseres heeft, zoals voorgesteld door verweerder in de bezwaarfase, bij CZ Zorgkantoor om extra huishoudelijke ondersteuning gevraagd. Bij besluit van 16 januari 2026 heeft CZ Zorgkantoor de aanvraag van de zoon van eiseres om Extra Kosten Thuis (EKT) voor 16,40 uur huishoudelijke hulp per week afgewezen, omdat dit niet doelmatig is. Gemiddeld mag 2,5 uur per week aan huishoudelijke hulp worden ingezet, aldus CZ Zorgkantoor.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan de zoon van eiseres een Wlz-indicatie is afgegeven voor het zorgprofiel 6 VG Wonen met onder andere huishoudelijke ondersteuning. In geschil is of het onderzoek naar de zorgbehoefte van eiseres goed in kaart is gebracht en of zij ondanks het pgb van haar zoon vanuit de Wmo recht heeft op huishoudelijke ondersteuning.
4.2.
Ingevolge artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
4.3.
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
4.4.
Het oordeel van het college is beslissend bij de beoordeling of een aanspraak op een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 bestaat. Wanneer een betrokkene het met het oordeel van het college niet eens is, zal de rechter met name toetsen of de beslissing op zorgvuldige wijze en met inachtneming van de wettelijke en gemeentelijke regels is genomen.
4.5.
Uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015, vloeit voort dat het college voldoende kennis moet vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en de af te wegen belangen.
4.6.
Uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 vloeit voort dat het college voldoende kennis moet vergaren over de voor het nemen van een besluit in het kader van de Wmo 2015 van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Volgens vaste rechtspraak zal het college bij een melding eerst moeten vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Daarna moet het college vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Zijn die problemen voldoende concreet in kaart, dan kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Ten slotte moet het college onderzoeken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.
4.7.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat het college in het kader van de heroverweging in bezwaar de aanvraag van eiseres heeft beoordeeld aan de hand van het in 4.6. genoemde stappenplan. Het college heeft bij stap 1 vastgesteld dat de hulpvraag van eiseres bestaat uit huishoudelijke ondersteuning. Bij stap 2 heeft het college vastgesteld dat eiseres taken waarvoor spierkracht en inspanning nodig is niet zelf kan uitvoeren. Door haar beperkingen heeft eiseres ondersteuning nodig bij het uitvoeren van lichte en zware huishoudelijke taken en de wasverzorging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college door enkel te verwijzen naar de huishoudelijke ondersteuning waar de zoon van eiseres recht op heeft nagelaten om vast te stellen welke ondersteuning naar aard en omvang voor eiseres zelf nodig is (stap 3). Het had op de weg van het college gelegen om in ieder geval de aard en omvang van de voor eiseres noodzakelijk huishoudelijke ondersteuning vast te stellen en op basis daarvan te beoordelen hoeveel extra tijd er nodig is boven de aan de zoon toekomende huishoudelijke ondersteuning, nu ook eiseres ondersteund moet worden. Zo heeft het college in het geheel niet gekeken naar de benodigde tijd voor het schoonhouden van de slaapkamer van eiseres, haar wasverzorging en de extra tijd die nodig is nu de woning niet door 1 maar door 2 personen wordt bewoond.
4.8.
Volgens stap 4 van het stappenplan moet het college in het onderzoek betrekken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Het college heeft weliswaar aangegeven dat eiseres niet over een sociaal netwerk beschikt, maar zich verder beperkt tot het standpunt dat het Wlz-budget van de zoon van eiseres voldoende moet zijn om huishoudelijke hulp in te kopen. Zoals hierboven onder 4.7 is overwogen wordt daarmee niet voorzien in de extra ondersteuning die eiseres behoeft in het huishouden.
4.9.
Gelet op het hetgeen is overwogen onder 4.7 en 4.8 heeft het college het stappenplan niet correct gevolgd en daardoor onvoldoende onderzoek gedaan. Het standpunt van het college dat eiseres ondanks haar medische beperkingen voldoende zelfredzaam is en in staat om in aanvaardbare of voldoende mate maatschappelijk te participeren, mist daarom een deugdelijke onderbouwing. Het bestreden besluit is dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid, berust op een ondeugdelijke motivering en kan daarom niet in stand blijven. Het beroep is gegrond.
5. Dit betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb zal worden vernietigd en dat het college zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank kan op dit moment niet tot finale geschilbeslechting komen, omdat daarvoor de juiste gegevens ontbreken en nader onderzoek nodig is.
6. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden.
7. Het verzoek om een proceskostenveroordeling kan daarom ook worden toegewezen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt de door een derde beroepsmatig verleende bijstand voor vergoeding in aanmerking. In dit geval worden de kosten die daarvoor door eiseres zijn gemaakt vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht en een waarde per punt van € 934,-).
Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit van 6 maart 2025 en draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;- bepaalt dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 53,- vergoedt;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
zie de toelichting bij artikel 2.3.5, TK 2013-2014, 33841, 3.
Zie de uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2848
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. A.G.B. Bergenhenegouwen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2024 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.
Bij besluit van 6 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2026. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 29 februari 2024 heeft eiseres zich tot het college gewend met een aanvraag voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo.
1.2.
Eiseres heeft als gevolg van diverse aandoeningen beperkingen in haar dagelijks leven. Zij woont samen met haar zoon, [naam], die een verstandelijke beperking heeft, en die als gevolg daarvan ook beperkt is in het dagelijks leven. Bij besluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van 5 november 2023 is aan de zoon een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) toegekend voor de periode van 5 november 2013 tot en met 4 november 2028. De zoon krijgt een persoonsgebonden budget (pgb) voor het zorgzwaartepakket 6VG: wonen met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering, verblijf, begeleiding inclusief dagbesteding, persoonlijke verzorging, behandeling en huishouden.
1.3.
Bij het primaire besluit heeft het college de aanvraag om huishoudelijke ondersteuning afgewezen op grond van artikel 3.2, tweede lid onder b, van de Wmo-verordening Zoetermeer 2015, op de grond dat de huishoudelijke ondersteuning van de zoon van eiseres vanuit de Wlz voorliggend is op de Wmo.
2. Het daartegen gemaakte bezwaar is door het college, onder verwijzing naar het ambtelijk advies van 4 maart 2025, ongegrond verklaard op de grond dat de ondersteuning van de zoon van eisers vanuit de Wlz voorliggend is op de Wmo. Het college heeft tijdens de bezwaarfase alsnog nader onderzoek gedaan om te voldoen aan het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Op 2 september 2024 is een Wmo-consulent bij eiseres op huisbezoek geweest en is een nieuw onderzoeksverslag met stappenplan opgesteld. Daarin staat opgenomen dat eiseres problemen ervaart met het uitvoeren van de lichte en zware huishoudelijke taken en de wasverzorging (stap 1) en dat eiseres taken waarvoor spierkracht en inspanning nodig is niet kan uitvoeren. Binnenshuis loopt eiseres met een rollator en buitenhuis gebruikt zij een scootmobiel. Eiseres heeft een kort stamoment (twee minuten) en haar loopafstand is ongeveer 50 meter (stap 2). Eiseres heeft ondersteuning nodig bij het uitvoeren van lichte en zware huishoudelijke taken, zoals afstoffen, afwassen, stofzuigen, dweilen, verschonen van het bed en schoonmaken van sanitaire ruimtes en de keuken. Daarnaast heeft eiseres ondersteuning nodig bij de wasverzorging, zoals in- en uitladen van de wasmachine, strijken en het opvouwen van het wasgoed (stap 3). Eiseres heeft geen sociaal netwerk/mantelzorgers. Volgens het college is de zorg op basis van de Wlz-indicatie van de zoon van eiseres een Volledig Pakket Thuis (VPT) met een pgb echter voldoende als huishoudelijke ondersteuning (stap 4). Omdat de zoon bij eiseres in huis woont, is dit volgens het college voorliggend op de Wmo. Indien dit pgb onvoldoende is, dient er een herindicatie aangevraagd te worden bij het Zorgkantoor (stap 5). Met artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo heeft de wetgever namelijk een duidelijke scheiding in zorg en verantwoordelijkheid aangebracht tussen de Wmo en de Wlz. Het is een keuzevrijheid hoe de pgb-houder het pgb-budget besteedt. Als van het pgb, zoals hier het geval is, geen huishoudelijke ondersteuning wordt ingekocht, kunnen de gevolgen daarvan niet worden afgewenteld op het college. Uit de Vergoedingenlijst pgb Wlz blijkt dat de Wlz aanspraak op huishoudelijke hulp in ieder geval ziet op alle ruimtes in de woning waar de zoon van eiseres gebruik van maakt of die ten behoeve van hem worden gebruikt. Dat betekent bijvoorbeeld het schoonhouden van de kamer van de zoon, woonkamer, gang, wc, badkamer en keuken.
3. Eiseres voert aan dat geen sprake is van een voorliggende voorziening en dat het Wlz-budget van haar zoon haar niet of in elk geval niet voldoende kan compenseren in haar behoefte aan huishoudelijke ondersteuning. Artikel 2.3.5., zesde lid, Wmo is niet van toepassing en staat niet in de weg aan haar recht op ondersteuning in het huishouden op grond van de Wmo. Het Wlz-budget van haar zoon gaat op aan kosten voor verpleging en dagbesteding, waardoor er geen ruimte meer is om huishoudelijke ondersteuning in te kopen. Eiseres vindt het onderzoek naar haar zorgbehoefte onvoldoende. Subsidiair voert eiseres aan dat het pgb van de zoon alleen is bestemd voor het schoonmaken van zijn slaapkamer, zijn was en de ruimtes die hij gezamenlijk met zijn moeder deelt.
3.1.
Eiseres heeft, zoals voorgesteld door verweerder in de bezwaarfase, bij CZ Zorgkantoor om extra huishoudelijke ondersteuning gevraagd. Bij besluit van 16 januari 2026 heeft CZ Zorgkantoor de aanvraag van de zoon van eiseres om Extra Kosten Thuis (EKT) voor 16,40 uur huishoudelijke hulp per week afgewezen, omdat dit niet doelmatig is. Gemiddeld mag 2,5 uur per week aan huishoudelijke hulp worden ingezet, aldus CZ Zorgkantoor.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan de zoon van eiseres een Wlz-indicatie is afgegeven voor het zorgprofiel 6 VG Wonen met onder andere huishoudelijke ondersteuning. In geschil is of het onderzoek naar de zorgbehoefte van eiseres goed in kaart is gebracht en of zij ondanks het pgb van haar zoon vanuit de Wmo recht heeft op huishoudelijke ondersteuning.
4.2.
Ingevolge artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
4.3.
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
4.4.
Het oordeel van het college is beslissend bij de beoordeling of een aanspraak op een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 bestaat. Wanneer een betrokkene het met het oordeel van het college niet eens is, zal de rechter met name toetsen of de beslissing op zorgvuldige wijze en met inachtneming van de wettelijke en gemeentelijke regels is genomen.
4.5.
Uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015, vloeit voort dat het college voldoende kennis moet vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en de af te wegen belangen.
4.6.
Uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 vloeit voort dat het college voldoende kennis moet vergaren over de voor het nemen van een besluit in het kader van de Wmo 2015 van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Volgens vaste rechtspraak zal het college bij een melding eerst moeten vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Daarna moet het college vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Zijn die problemen voldoende concreet in kaart, dan kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Ten slotte moet het college onderzoeken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.
4.7.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat het college in het kader van de heroverweging in bezwaar de aanvraag van eiseres heeft beoordeeld aan de hand van het in 4.6. genoemde stappenplan. Het college heeft bij stap 1 vastgesteld dat de hulpvraag van eiseres bestaat uit huishoudelijke ondersteuning. Bij stap 2 heeft het college vastgesteld dat eiseres taken waarvoor spierkracht en inspanning nodig is niet zelf kan uitvoeren. Door haar beperkingen heeft eiseres ondersteuning nodig bij het uitvoeren van lichte en zware huishoudelijke taken en de wasverzorging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college door enkel te verwijzen naar de huishoudelijke ondersteuning waar de zoon van eiseres recht op heeft nagelaten om vast te stellen welke ondersteuning naar aard en omvang voor eiseres zelf nodig is (stap 3). Het had op de weg van het college gelegen om in ieder geval de aard en omvang van de voor eiseres noodzakelijk huishoudelijke ondersteuning vast te stellen en op basis daarvan te beoordelen hoeveel extra tijd er nodig is boven de aan de zoon toekomende huishoudelijke ondersteuning, nu ook eiseres ondersteund moet worden. Zo heeft het college in het geheel niet gekeken naar de benodigde tijd voor het schoonhouden van de slaapkamer van eiseres, haar wasverzorging en de extra tijd die nodig is nu de woning niet door 1 maar door 2 personen wordt bewoond.
4.8.
Volgens stap 4 van het stappenplan moet het college in het onderzoek betrekken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Het college heeft weliswaar aangegeven dat eiseres niet over een sociaal netwerk beschikt, maar zich verder beperkt tot het standpunt dat het Wlz-budget van de zoon van eiseres voldoende moet zijn om huishoudelijke hulp in te kopen. Zoals hierboven onder 4.7 is overwogen wordt daarmee niet voorzien in de extra ondersteuning die eiseres behoeft in het huishouden.
4.9.
Gelet op het hetgeen is overwogen onder 4.7 en 4.8 heeft het college het stappenplan niet correct gevolgd en daardoor onvoldoende onderzoek gedaan. Het standpunt van het college dat eiseres ondanks haar medische beperkingen voldoende zelfredzaam is en in staat om in aanvaardbare of voldoende mate maatschappelijk te participeren, mist daarom een deugdelijke onderbouwing. Het bestreden besluit is dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid, berust op een ondeugdelijke motivering en kan daarom niet in stand blijven. Het beroep is gegrond.
5. Dit betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb zal worden vernietigd en dat het college zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank kan op dit moment niet tot finale geschilbeslechting komen, omdat daarvoor de juiste gegevens ontbreken en nader onderzoek nodig is.
6. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden.
7. Het verzoek om een proceskostenveroordeling kan daarom ook worden toegewezen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt de door een derde beroepsmatig verleende bijstand voor vergoeding in aanmerking. In dit geval worden de kosten die daarvoor door eiseres zijn gemaakt vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht en een waarde per punt van € 934,-).
Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit van 6 maart 2025 en draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;- bepaalt dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 53,- vergoedt;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
zie de toelichting bij artikel 2.3.5, TK 2013-2014, 33841, 3.
Zie de uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.