Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21775

2026-07-28 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.30642 en NL26.30643
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.30642 en NL26.30643
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin België, gegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.682 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL26.30642 en NL26.30643


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen





[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat België ervoor verantwoordelijk is.



1.1

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 23 juli 2026 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J.A. Okpoko als tolk en de gemachtigde van verweerder.




1.2

Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.30643) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.






Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op 21 januari 2026 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in België asiel heeft aangevraagd. België is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – aan dat ten aanzien van België niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 waaruit volgt dat de overdracht van niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer zijn toegestaan. De brief van 5 februari 2026 van Fedasil maakt dit volgens eiser niet anders, nu nog steeds onduidelijk is hoeveel en welke opvangplaatsen in de noodopvang bestemd zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Dit geldt ook ten aanzien van de humanitaire- en reguliere opvangplaatsen. Daarnaast kan eiser niet effectief klagen in België als hij bij aankomst in België geen opvang krijgt. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 2 juni 2026.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

5. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel


6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij ten aanzien van België uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de uitspraak van 25 juli 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder stelt dat sinds die uitspraak de situatie in België voor deze groep is verbeterd. Alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten hebben inmiddels weer feitelijk toegang tot een (nood)opvangplaats in België. Ter onderbouwing daarvan heeft verweerder gewezen op informatie van de Belgische autoriteiten. Op 5 februari 2026 heeft de directeur-generaal van Fedasil (de Belgische overheidsinstelling die verantwoordelijk is voor de opvang) namelijk een brief gestuurd waaruit volgt dat er extra opvangplekken zijn gerealiseerd en dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten weer feitelijk opvang krijgen, dan wel in de reguliere opvang dan wel in een tijdelijke noodopvangplaats tot er plek is in de reguliere opvang.


6.1
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een aanzienlijke en structurele verbetering van de opvangsituatie voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België sinds de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.



6.2
Volgens de brief van Fedasil van 5 februari 2026 kunnen alleenstaande mannelijke verzoekers, die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde “wachtlijst” staan, die in de praktijk een “doorstroomlijst” is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Niet in geschil is dat de doorstroomlijst in omvang afneemt: op 2 juni 2025 zakte het aantal alleenstaande mannelijke asielzoekers voor het eerst onder de 2.000.



6.3
Volgens de brief van Fedasil kan worden vastgesteld dat, aangezien het aantal personen op de doorstroomlijst reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken. Het is voor de rechtbank echter niet duidelijk hoe Fedasil deze conclusie heeft kunnen trekken. In dezelfde brief wordt namelijk vermeld dat het bij de 2.000 humanitaire opvangplaatsen gaat om 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Verder wordt vermeld dat deze capaciteit niet exclusief bestemd is voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en ook wordt ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Het is daarom naar het oordeel van de rechtbank nog steeds onduidelijk, net zoals ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, hoeveel plaatsen binnen de 2.000 humanitaire opvangplaatsen daadwerkelijk beschikbaar zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Het enkele feit dat het aantal niet-kwetsbare mannelijke verzoekers op de doorstroomlijst steeds verder daalt biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat daarmee voor deze groep asielzoekers een opvangplek is gegarandeerd. Ook blijkt uit de brief van Fedasil niet dat het aantal opvangplekken in de reguliere opvang (voor niet-kwetsbare mannelijke verzoekers) is toegenomen. Het AIDA-rapport (update 2025) maakt dit niet anders, nu hier geen andere informatie uit blijkt dan uit de brief van Fedasil.



6.4
Gelet op wat onder 6.3. is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de brief van Fedasil van 5 februari 2026 onvoldoende grond biedt om nu (in afwijking van de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025) te oordelen dat er in België, voor zover het gaat om de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers, niet langer sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Gelet op de voornoemde Afdelingsuitspraak had het op de weg van verweerder gelegen om meer specifiek navraag te doen bij de Belgische autoriteiten naar de stand van zaken over die opvangvoorzieningen op dit moment.



6.5
Ten aanzien van eisers stellingen dat hij in België niet effectief zal kunnen klagen, oordeelt de rechtbank dat uit voornoemde Afdelingsuitspraak volgt dat asielzoekers in België, doordat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen, ook geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. De rechtbank is niet gebleken van nieuwe informatie op grond waarvan kan worden geoordeeld dat in België nu wel sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang.





Conclusie en gevolgen
7. Gelet op het voorgaande kon verweerder niet zonder nader onderzoek concluderen dat eiser niet terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zoals bedoeld in het arrest Jawo. Ook mocht verweerder er niet van uitgaan dat voor eiser in België sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. Verweerder mocht dan ook niet zonder nader onderzoek uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd.

8. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

9. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag van eiser te nemen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.


De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






































Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.



Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.


Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2025:3305.


ECLI:NL:RBDHA:2026:14893.


ECLI:NL:RVS:2025:3305.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.