Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21773

2026-06-01 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1627
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-01
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/1627
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) en om de terugvordering van het verleende voorschot. Eiseres is het niet eens met de afwijzing en terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.385 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 25/1627


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen


[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),


en


Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD Bollenstreek), het college
(gemachtigde: mr. D. de Borst-Mok).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) en om de terugvordering van het verleende voorschot. Eiseres is het niet eens met de afwijzing en terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.





Procesverloop


2.1.
Bij besluit van 7 juni 2024 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres om een krediet voor bedrijfskapitaal te verstrekken op grond van het Bbz afgewezen en van eiseres een voorschot van € 575,- teruggevorderd op grond van de Participatiewet (Pw).



2.2.
Bij besluit van 22 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.



2.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluiten beroep ingesteld.



2.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.



2.5.
Eiseres heeft aanvullende gronden ingediend.



2.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.





Overwegingen


3. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.



3.1.
Eiseres staat sinds [datum] 2023 met een eenmanszaak onder de naam [bedrijfsnaam 1] B.V. (bedrijf) ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Het bedrijf legt zich toe op eventcatering.



3.2.
Op 4 april 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van het Bbz ter voorziening in bedrijfskapitaal ten bedrage van € 45.000,-.



3.3.
Bij besluit van 15 mei 2024 heeft eiseres van het college een voorschot van € 575,- in de vorm van een lening ontvangen op grond van artikel 52 van de Pw.



3.4.
Het college heeft aan het Instituut Midden- en Kleinbedrijf (IMK) gevraagd om een bedrijfseconomisch onderzoek in te stellen naar de levensvatbaarheid van het bedrijf van eiseres. Het IMK heeft op 31 mei 2024 een advies uitgebracht. In het advies heeft het IMK geconcludeerd dat het bedrijf van eiseres naar verwachting niet levensvatbaar zal zijn.



3.5.
Met het primaire besluit heeft het college de Bbz-aanvraag van eiseres afgewezen, omdat haar bedrijf niet levensvatbaar zal zijn. Het verstrekte voorschot van € 575,- heeft het college op grond van artikel 58 lid 2 Pw van eiseres teruggevorderd.

4. Het daartegen gemaakte bezwaar is door het college bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het college stelt dat het advies van het IMK zorgvuldig tot stand is gekomen. Het advies is inzichtelijk en consistent en het IMK heeft gemotiveerd aangegeven waarom het bedrijf van eiseres niet levensvatbaar is. Eiseres heeft geen tegenrapport overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Het college ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de conclusies van het IMK. Ten aanzien van de terugvordering stelt het college dat eiseres niet heeft onderbouwd waarom van terugvordering zou moeten worden afgezien.

5. Eiseres voert aan dat de aanvraag om een Bbz-krediet ten onrechte is afgewezen, omdat het ondernemingsplan van eiseres levensvatbaar. De rapportage van het IMK is onzorgvuldig tot stand gekomen, omdat er geen inzicht is geboden in de gedachtegang van de rapporteur en omdat de rapportage op onderdelen niet klopt, dan wel onvoldoende gemotiveerd is hoe de rapporteur tot zijn conclusies is gekomen. Zo is de gestelde concurrentie niet inzichtelijk onderbouwd en klopt de taakstellende begroting niet. Er is niet (goed) naar eiseres geluisterd bij het onderzoek door het IMK. Daarnaast is de terugvordering ten onrechte. Verder dient er rekening mee gehouden te worden dat eiseres een erkende gedupeerde is van de toeslagaffaire.

6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.



6.1.
De wettelijke regels en beleidsregel die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.




De aanvraag





6.2.
Omdat het gaat om een aanvraag rust de bewijslast van levensvatbaarheid naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op eiseres. Daarbij is voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag, in dit geval op 7 juni 2024. Het gaat om de verwachting op een bepaald moment over de toekomst van het bedrijf.



6.3.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het college op goede gronden de aanvraag van eiseres om een krediet op grond van het Bbz heeft afgewezen, omdat haar bedrijf niet levensvatbaar zal zijn.



6.4.
Op grond van het Bbz kan er recht bestaan op algemene bijstand en bijstand voor bedrijfskapitaal als een bedrijf levensvatbaar is. Het moet dan gaan om een naar verwachting toereikend inkomen, na bijstandsverlening, voor de voortzetting van het bedrijf en de voorziening in het bestaan. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, daaronder begrepen de lening op grond van het Bbz, dat voldoende middelen beschikbaar dienen te zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.



6.5.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB mag het college zich baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als het IMK. Het college mag bij de besluitvorming daarom in beginsel uitgaan van het advies van het IMK, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of de juistheid ervan.



6.6.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn die concrete aanknopingspunten er niet. De rechtbank ziet geen grond voor twijfel aan de inhoud van het rapport van het IMK. De rechtbank vindt de toelichting van het IMK in dit verband afdoende. Het IMK heeft onderzoek verricht naar de activiteiten van eiseres als eventcateraar. Het IMK heeft in de rapportage van 31 mei 2024 gerapporteerd dat eiseres aangemerkt kan worden als startende ondernemer ingevolge het Bbz. Eiseres heeft in het verleden diverse bedrijven geëxploiteerd, waarbij twee bedrijven ([bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V.) failliet zijn verklaard. Eiseres wil weer een bedrijf in de cateringsector opstarten. Dat het onderzoek van het IMK anderszins onzorgvuldig is of zijn advies onjuist, is de rechtbank niet gebleken. In het onderzoek staat bijvoorbeeld geschreven dat de ondernemingscompetenties op de door eiseres opgestelde ondernemingsplan gebaseerd is en het beeld dat zij van eiseres hebben gekregen tijdens het gesprek. Zo heeft eiseres een brede ervaring in catering en private diner activiteiten. Ook heeft zij leiding gegeven als chef-kok aan keukenpersoneel en gewerkt voor grote opdrachtgevers. Het IMK acht eiseres daarom vakbekwaam.
Het IMK heeft evenwel ook geconcludeerd dat eiseres op essentiële onderdelen geen enkele onderbouwing heeft gegeven voor haar standpunten. Zo heeft eiseres de omvang van de markt en de vraag niet concreet in beeld gebracht en niet onderbouwd. De door eiseres gehanteerde omzetramingen mist dan ook een concrete onderbouwing aan de hand van markt- en branchegegevens of marktonderzoek. Dat eiseres stelt een dergelijk onderzoek niet nodig te achten omdat zij de markt goed kent is onvoldoende onderbouwing voor de gestelde prognoses.
Het IMK heeft verder beschreven dat de concurrentie in de high-end eventcateringmarkt intens is en bestaat uit diverse spelers, variërend van gespecialiseerde cateringbedrijven tot luxe hotels en restaurants met cateringdiensten. Er is een aanzienlijk aanbod van cateraars en veel horecabedrijven bieden catering als nevenactiviteit aan. Eiseres wil zich richten op het hogere segment catering en private dining. In het rapport staan drie voorbeelden gegeven van gespecialiseerde cateringbedrijven in Nederland die zich richten op het hogere segment. De markt wordt omschreven als een verdringingsmarkt. Gelet op de bewegingen en ontwikkelingen in die markt komt het IMK ten aanzien van de marktmogelijkheden niet tot een positief oordeel voor het bedrijf van eiseres. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom de genoemde bedrijven door het IMK niet als concurrentie kunnen worden gezien. Het had, gelet op de achtergrond van eiseres, op haar weg gelegen om met concrete tegenargumenten te onderbouwen waarom het advies van het IMK op dit punt onjuist is. Eiseres is hier niet in geslaagd.



De huidige financieringsbehoefte bedraagt volgens eiseres € 45.000,- en is bestemd voor de opstart van het beoogde bedrijf. Nog afgezien dat een volledige onderbouwing van het bedrag ontbreekt, acht het IMK, gelet op de branche waarin eiseres wil starten, het niet noodzakelijk om met een dergelijke (hoge) financieringsbehoefte te starten om uit een bijstand behoeftige situatie te komen (noodzakelijkheidsbeginsel).



Het IMK heeft verder op grond van hun interne en externe analyse onvoldoende aanknopingspunten verkregen om te veronderstellen dat de taakstellende omzet van minimaal € 162.500,- exclusief btw op jaarbasis binnen afzienbare tijd te realiseren valt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het IMK afdoende inzichtelijk gemaakt hoe tot deze taakstellende omzet is gekomen. Dit is de minimale omzet die benodigd is om alle kosten te dekken, het gaat om een toekomstbestendige omzetprognose.



Het IMK komt dan ook, alle punten beschouwend, tot de conclusie dat het bedrijf van eiseres niet levensvatbaar is. Er is geen sprake van een toekomstbestendige bedrijfsvoering. Het IMK heeft de verwachting dat na bijstandverlening het inkomen niet toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in de kosten van het bestaan.




6.7.
Gelet op het voorgaande heeft eiseres onvoldoende onderbouwd waarom de conclusies van het IMK onjuist zouden zijn. Eiseres heeft bijvoorbeeld ook geen deskundig tegenadvies overgelegd waaruit volgt dat haar bedrijf wel levensvatbaar zou zijn. De louter eigen verwachtingen van eiseres vormen onvoldoende basis voor het toekennen van bedrijfskapitaal. Verweerder mocht daarom bij zijn besluitvorming uitgaan van het advies van het IMK en kon de aanvraag afwijzen op de grond dat het bedrijf van eiseres niet levensvatbaar is.



6.8.
Eiseres heeft tegen de terugvordering van het voorschot op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw geen zelfstandige gronden aangevoerd. De terugvordering kan dan ook verder buiten bespreking blijven.

8. Het vorengaande leidt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep


Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Participatiewet




Artikel 78f
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van deze wet aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10 tot en met 10h, 11, 17, 31, 32, 34, 34a, 34b, 35, 40, 41, 43a, 44, 44a, 45, 58, 69, 77, 83 en de paragrafen 4.2, 6.1 en 7.1.





Integrale uitvoeringsregels debiteuren ISD Bollenstreek 2023




Artikel 6
De ISD Bollenstreek vordert de kosten van bijstand verstrekt ingevolge de Pw, IOAW of IOAZ terug als:

3. de bijstand op grond van artikel 52 Pw als voorschot is verleend en daarna is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat



Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004




Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

c. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan;


Artikel 2

1. Algemene bijstand kan worden verleend aan:
a. de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is;
(…)
d. de zelfstandige wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die zich verplicht de activiteiten in het bedrijf of zelfstandig beroep zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 12 maanden, te beëindigen.
2. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c van het eerste lid.


Artikel 3

1. Bijstand in de vorm van een bedrag om niet, waaronder kwijtschelding van rente, als bedoeld in de artikelen 12, 19, 21 en 22:
a. wordt niet verleend indien het eigen vermogen meer bedraagt dan € 251.233,00;
b. wordt, indien het eigen vermogen meer bedraagt dan € 59.782, doch minder dan
€ 251.233,00 slechts verleend indien dit eigen vermogen niet meer bedraagt dan 30 procent van het totaal vermogen.
2. In afwijking van het eerste lid wordt aan de zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, bijstand in de vorm van een bedrag om niet als bedoeld in de artikelen 12 en 26 niet verleend, indien het eigen vermogen meer bedraagt dan € 175.864,00.


Artikel 18
Aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, wordt gedurende ten hoogste 12 maanden algemene bijstand verleend. Verlenging van deze termijn met ten hoogste 24 maanden is mogelijk indien de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard.



Artikel 20
Aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, kan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening of borgtocht worden verleend tot een bedrag van ten hoogste € 261.048,00. Dit bedrag geldt per bedrijf of zelfstandig beroep.



Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 24 januari 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:194),
5 augustus 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2629), 4 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:977) en
18 december 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:4314)


Zie bijvoorbeeld ook weer voormelde uitspraak van de CRvB van 24 januari 2023.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 december 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:4314).