Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21770

2026-07-15 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 25/3544
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/3544
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aan eiseres is inhoudelijk volledig tegemoet gekomen. Geen aanleiding voor proceskostenveroordeling, nu er geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verzoek om toekening immateriële schadevergoediing is niet ontvankelijk, nu op voorhand onaannemelijk is dat eiseres in enigerlei vorm schade heeft geleden.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.808 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/3544


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen



[eiseres], uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: ing. [gemachtigde] ),


en




de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
(gemachtigde: mr. P.C. van der Voorn van de Sociale Verzekeringsbank).




Inleiding


Bij besluit van 18 november 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een tegemoetkoming in de vorm van een eenmalig bedrag op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH) afgewezen.



Bij besluit van 15 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.



Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



Bij besluit van 8 mei 2026 heeft verweerder alsnog aan eiseres het eenmalig bedrag van
€ 5.000,- op grond van het TBSH toegekend.



Eiseres heeft bij brief van 16 mei 2026 op dit besluit gereageerd.



De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank

1. Met het besluit van 8 mei 2026 is aan eiseres alsnog het (maximale) bedrag van
€ 5.000,- op grond van het TBSH toegekend.

2. Eiseres heeft in reactie op het besluit van 8 mei 2026 aangegeven dat zij het met dat besluit eens is. Verder heeft eiseres verzocht om de proceskosten te vergoeden en ook wil zij het door haar betaalde griffierecht vergoed hebben. Tot slot heeft eiseres verzocht om toekenning van immateriële schade, een bedrag van € 15.000,-.



Ontvankelijkheid beroep




3.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is pas sprake van procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het indienen van beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.



3.2.
Met de toekenning van het bedrag van € 5.000,- is inhoudelijk volledig aan het beroep van eiseres tegemoet gekomen. Daarmee heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep is daarom niet ontvankelijk.



Proceskosten





4.1.
Eiseres heeft verzocht om de proceskosten te vergoeden, bestaande uit de door de gemachtigde gemaakte kosten van rechtsbijstand (een bedrag van € 5.505,50), gemaakte reiskosten (een bedrag van € 15,68) en een betaald voorschot van € 50,-.



4.2.
De rechtbank kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit kan ook als het beroep niet-ontvankelijk is.



4.3.
Proceskosten kunnen uitsluitend worden vergoed op grond van de bepalingen in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Omdat verweerder naar aanleiding van het beroep aan eiseres tegemoet is gekomen bestaat in beginsel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. De rechtbank is evenwel van oordeel dat in deze zaak de gestelde proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Zij overweegt daartoe als volgt.



A) kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.





4.4.
Er is sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand als het verlenen van rechtsbijstand door de rechtsbijstandverlener een vast onderdeel is van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. Daarvan is de rechtbank niet gebleken. Op het briefpapier van de gemachtigde van eiseres staat vermeld “ [bedrijfsnaam] ”. Op basis hiervan is niet vast te stellen dat rechtsbijstand beroepsmatig wordt verleend door de gemachtigde van eiseres. Nu de gemachtigde ter zitting niet is verschenen, heeft hij over de aard van zijn werkzaamheden ook geen duidelijk kunnen verschaffen. De opgevoerde kosten van rechtsbijstand komen daarmee niet voor vergoeding in aanmerking.



B) reis- en verblijfkosten





4.5.
Reis- en verblijfskosten op grond van het Bpb zien op kosten om een zitting bij te kunnen bijwonen. Daar is in het geval van eiseres geen sprake van nu zij niet ter zitting is verschenen. Eiseres heeft op het formulier proceskosten een bedrag van € 15,68 aan reiskosten opgegeven, maar onduidelijk is waar dat bedrag op ziet en/of wie deze kosten heeft gemaakt. Dit betekent dat ook de door eiseres gevorderde reiskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.



C) Voorschotten





4.6.
Eiseres voert een bedrag van € 50,- aan voorschotten op. Waar het gestelde betaalde voorschot op ziet is onduidelijk gebleven. Deze kosten komen reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking.



griffierecht




5. De rechtbank ziet in de uitkomst van de zaak aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt, omdat verweerder aan het beroep tegemoet is gekomen.




Verzoek immateriële schadevergoeding





6.1.
Volgens vaste rechtspraak kan aan een verzoek om schadevergoeding slechts een procesbelang worden ontleend als de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is.



6.2.
Eiseres vordert een bedrag van € 15.000,- aan immateriële schade. Zij heeft daarbij volstaan met de stelling dat zij ziek is geworden en geestelijk verward is geraakt. Een onderbouwing daarvan alsmede waar dit het gevolg van is, wordt door eiseres niet gegeven. Bij gebrek aan enige onderbouwing wordt daarom op voorhand onaannemelijk geacht dat eiseres ten gevolge van de voorliggende besluitvorming schade in enigerlei vorm heeft geleden. Aan de gestelde schade kan daarom naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang worden ontleend.


7. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het beroep en het verzoek om schadevergoeding wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep niet ontvankelijk;
- verklaart het verzoek om schade vergoeding niet ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.




De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.











griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:CRVB:2017:4071


ECLI:NL:CRVB:2012:BW6811