Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21768

2026-07-27 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht 26.40430
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-27
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
26.40430
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervolgberoep vreemdelingenbewaring. Verzwaarde belangenafweging. Voortvarendheid. Beroep ongegrond. Opmerking richting de minister over het indienen van de meest actuele gedingstukken en het zorgvuldig controleren van dit proces.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.057 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.40430


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),


en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).




Procesverloop


De minister heeft op 20 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



Eiser heeft op 20 juli 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



De minister heeft op 21 juli 2026 voortgangsgegevens overgelegd



Eiser heeft op 21 juli 2026 gronden van beroep ingediend. De minister heeft hier, desgevraagd, op 23 juli 2026 op gereageerd en daarbij een nader stuk overgelegd.
Eiser heeft hier een reactie op gegeven op 23 juli 2026.



De minister heeft, desgevraagd, op 24 juli 2026 een nader stuk overgelegd.



De rechtbank heeft op 24 juli 2026 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het onderzoek is op 27 juli 2026 gesloten.





Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 juni 2026 (in de zaak NL26.28423) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (1 juni 2026), rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. De te beoordelen periode loopt daarmee van 1 juni 2026 tot 27 juli 2026.

3. Eiser voert aan dat uit de door de minister op 21 juli 2026 overgelegde voortgangsrapportage niet volgt dat er een verzwaarde belangenafweging heeft plaatsgevonden. Eiser bevond zich op 19 juli 2026 zes maanden in aansluitende detentie, waardoor zo’n afweging volgens hem wel vereist is. Dit maakt de maatregel vanaf 19 juli 2026 onrechtmatig.

4. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft geconstateerd dat ten tijde van het overleggen van het procesdossier door de minister op 21 juli 2026 een versie van het voortgangsrapport (‘de M120’) aan het dossier is toegevoegd die dateert van 30 juni 2026. Op de vraag van de rechtbank of de minister kan nagaan of hij wel het meest actuele voortgangsrapport heeft overgelegd heeft de minister op 23 juli 2026 aangegeven dat hij abusievelijk een oude versie van het voortgangsrapport heeft toegevoegd en heeft hij alsnog de meest actuele versie van het voortgangsrapport (gedateerd 20 juli 2026) ingediend. In dit voortgangsrapport staat vermeld dat op 17 juli 2026 een verzwaarde belangenafweging is uitgevoerd. De rechtbank stelt daarmee vast dat wél een tijdige verzwaarde belangenafweging is verricht. Voor de nadien door eiser naar voren gebrachte stelling dat er niet zomaar van kan worden uitgegaan dat deze afweging daadwerkelijk is uitgevoerd op 17 juli 2026, en misschien pas aan het voortgangsrapport is toegevoegd op 20 juli 2026, ziet de rechtbank geen grond. De rechtbank heeft namelijk geen concreet aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van deze in een bestuurlijk rapport opgenomen informatie.

5. Eiser heeft verder de verzwaarde belangenafweging niet inhoudelijk betwist. Ambtshalve toetsend is de rechtbank van oordeel dat deze afweging deugdelijk gemotiveerd is en inhoudelijk navolgbaar is. De minister heeft een toereikende toelichting gegeven met betrekking tot de voortduren van de bewaring en de redenen die daaraan ten grondslag liggen. In dat kader wijst de minister er onder meer op dat eiser tijdens vertrekgesprekken veelvuldig te kennen heeft gegeven dat hij niet kan meewerken aan terugkeer, dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn nationaliteit en land van herkomst en dat eiser onvoldoende medewerking heeft gegeven aan zijn medewerkingsplicht. Voorts heeft de minister ten aanzien van de medische omstandigheden een nadere toelichting gegeven.

6. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende voortvarend gehandeld heeft nu op 18 juni 2026 een laatste vertrekgesprek is gevoerd met eiser.

7. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het door de minister op 23 juli 2026 overgelegde recentere voortgangsrapport volgt dat er op 26 juni 2026 en 16 juli 2026 rappels zijn verstuurd op de aanvragen om een laissez-passer naar de Algerijnse en Libische autoriteiten. Voorts is gebleken dat op 21 juli 2026 een vertrekgesprek is gevoerd. De rechtbank vindt één en ander in de hier te beoordelen periode getuigen van voldoende voortvarend handelen.

8. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de beroepsgronden niet tot de conclusie leiden dat het voortduren van de maatregel onrechtmatig is. De rechtbank overweegt voorts dat zij ook in het kader van haar ambtshalve toets geen onrechtmatigheden heeft vastgesteld.

9. Het beroep is dan ook ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Eiser heeft er – tot slot – nog op gewezen dat hij vindt dat de minister in de proceskosten moet worden veroordeeld, omdat de minister niet direct de juiste en meest actuele gedingstukken heeft overgelegd. Hierdoor worden zowel eisers gemachtigde als de rechtbank onnodig belast, aldus eiser.

11. De rechtbank heeft begrip voor dit standpunt en de frustratie van eisers gemachtigde. Het is van groot belang in een korte termijn-zaak als een vervolgberoep vreemdelingenbewaring dat de minister tijdig de volledige en actuele gedingstukken aan zowel de wederpartij als de rechtbank ter beschikking stelt in het procesdossier. De rechtbank vraagt er dan ook bij de minister aandacht voor om hier in voorkomende gevallen steeds zorg voor te dragen en deze processtap nauwkeuriger te monitoren. Dit houdt ook in dat bij overlegging van de dossierstukken een controle wordt uitgevoerd of dit ook daadwerkelijk de meest actuele stukken zijn. Het komt de snelheid van de procedure niet ten goede als de rechtbank, zoals in deze zaak, tweemaal om een nader stuk moet vragen.

12. De rechtbank zal echter niet meegaan in het verzoek van eiser om in dit kader een proceskostenveroordeling uit te spreken. In dat kader overweegt de rechtbank allereerst dat in bijzondere gevallen het (te) laat verstrekken van relevante gedingstukken, ondanks het feit dat het rechtsmiddel zelf ongegrond wordt verklaard, op zichzelf wel zou kunnen leiden tot een proceskostenveroordeling (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3198). In dit geval ziet de rechtbank daar echter onvoldoende aanleiding voor. De minister heeft aangegeven dat hij per ongeluk in eerste instantie het voortgangsrapport van 30 juni 2026 heeft overgelegd. Dat kan een keer gebeuren, hoewel de rechtbank wel uitdrukkelijk de hoop uitspreekt, gelet op wat onder 11 is overwogen, dat de minister zich inspant om dergelijke ‘incidenten’ tot een minimum te beperken. De minister heeft er vervolgens voor gezorgd dat het meest recente voortgangsrapport op 23 juli 2026 aan het dossier is toegevoegd. Het vervolgberoep is op 20 juli 2026 ingesteld, en de termijn om het vooronderzoek te sluiten verliep daarmee op 27 juli 2026. Ook na het overleggen van dit stuk had eiser dus nog enige tijd om hierover zo nodig beroepsgronden te formuleren, waardoor hij, ondanks de begrijpelijke frustratie, niet wezenlijk in zijn procesvoering is geschaad. Ten aanzien van het verslag van het vertrekgesprek van 21 juli 2026 geldt hetzelfde.

13. De rechtbank oordeelt dan ook dat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 27 juli 2026





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.