Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21761

2026-07-22 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 23/6132, 24/1408, 24/6720, 25/1495, 25/3873, 25/5588 en 26/2450
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 23/6132, 24/1408, 24/6720, 25/1495, 25/3873, 25/5588 en 26/2450
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de beroepen van eiseres gericht tegen toekennings- dan wel vaststellingsbesluiten inzake het persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor de jaren 2023, 2024 en 2025. De besluiten die het zorgkantoor daarover heeft genomen houden in dat de aanvraag om meerzorg voor de desbetreffende jaren is afgewezen. Eiseres is het niet eens met de besluiten van het zorgkantoor daarover en heeft daartegen beroep ingesteld. Ook heeft eiseres beroep ingesteld tegen enkele hiermee samenhangende besluiten. Over het bezwaar tegen de afwijzing van meerzorg voor het jaar 2025 heeft het zorgkantoor nog niet beslist. Ook hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.De rechtbank komt in deze uitspraak (in navolging van eerdere uitspraken over hetzelfde onderwerp) tot het oordeel dat in de bestaande wet- en regelgeving voor meerzorg en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan geen aanwijzing kan worden gevonden dat het zorgkantoor de aanvragen van eiseres om meerzorg op grond van de Wlz op een juiste manier heeft beoordeeld. De door het zorgkantoor verrichte beoordeling is niet inzichtelijk, niet controleerbaar en daarmee onnavolgbaar. Eiseres krijgt in zoverre gelijk en de beroepen inzake SGR 23/6132, 24/6720 en 25/ 3873 zijn gegrond. Daarnaast is ook het beroep SGR 26/2450 over het niet tijdig beslissen gegrond. De rechtbank draagt het zorgkantoor op om nieuwe besluiten te nemen over de aangevraagde meerzorg, met inachtneming van de inhoud van deze uitspraak. In een drietal zaken heeft eiseres het beroep ter zitting ingetrokken (SGR 24/1408, 25/1495 en 25/5588) zodat de rechtbank daarover geen uitspraak hoeft te doen. De Staat en het zorgkantoor moeten eiseres een schadevergoeding betalen, omdat in de zaken SGR 23/6132 en 24/6720 de redelijke termijn is overschreden.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (40.513 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummers: SGR 23/6132, 24/1408, 24/6720, 25/1495, 25/3873, 25/5588 en 26/2450




uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaken tussen






[eiseres]
, uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. T.M.J. Oosterhuis-Putter)



en




Zorgkantoor Zorg en Zekerheid, het Zorgkantoor
(gemachtigde: mr. J. Ekelmans),
en




de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.





Samenvatting




Deze uitspraak gaat over de beroepen van eiseres gericht tegen toekennings- dan wel vaststellingsbesluiten inzake het persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor de jaren 2023, 2024 en 2025. De besluiten die het zorgkantoor daarover heeft genomen houden in dat de aanvraag om meerzorg voor de desbetreffende jaren is afgewezen. Eiseres is het niet eens met de besluiten van het zorgkantoor daarover en heeft daartegen beroep ingesteld. Ook heeft eiseres beroep ingesteld tegen enkele hiermee samenhangende besluiten. Over het bezwaar tegen de afwijzing van meerzorg voor het jaar 2025 heeft het zorgkantoor nog niet beslist. Ook hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.



De rechtbank komt in deze uitspraak (in navolging van eerdere uitspraken over hetzelfde onderwerp) tot het oordeel dat in de bestaande wet- en regelgeving voor meerzorg en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan geen aanwijzing kan worden gevonden dat het zorgkantoor de aanvragen van eiseres om meerzorg op grond van de Wlz op een juiste manier heeft beoordeeld. De door het zorgkantoor verrichte beoordeling is niet inzichtelijk, niet controleerbaar en daarmee onnavolgbaar. Eiseres krijgt in zoverre gelijk en de beroepen inzake SGR 23/6132, 24/6720 en 25/ 3873 zijn gegrond. Daarnaast is ook het beroep SGR 26/2450 over het niet tijdig beslissen gegrond. De rechtbank draagt het zorgkantoor op om nieuwe besluiten te nemen over de aangevraagde meerzorg, met inachtneming van de inhoud van deze uitspraak. In een drietal zaken heeft eiseres het beroep ter zitting ingetrokken (SGR 24/1408, 25/1495 en 25/5588) zodat de rechtbank daarover geen uitspraak hoeft te doen.
De Staat en het zorgkantoor moeten eiseres een schadevergoeding betalen, omdat in de zaken SGR 23/6132 en 24/6720 de redelijke termijn is overschreden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




SGR 23/6132 en 24/6720





Procesverloop




Bij besluit van 13 december 2022 (primair besluit 1) heeft het zorgkantoor aan eiseres over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 een persoonsgebonden budget (pgb) in het kader van de Wlz toegekend voor het zorgprofiel 7 LG van € 86.856,- voor de inkoop van zorg thuis.



Bij besluit van 16 februari 2023 (primair besluit 2) heeft het zorgkantoor aan eiseres op grond van de Wlz een toeslag Extra kosten thuis (EKT) toegekend voor 25% extra op het pgb voor de periode van 3 jaar, te weten van 1 januari 2023 tot 1 januari 2026, waardoor het pgb € 108.570,- per jaar bedraagt. De aanvraag om toekenning van meerzorg op grond van de Wlz heeft het zorgkantoor afgewezen.



Bij besluit van 9 mei 2023 (primair besluit 3) heeft het zorgkantoor aan eiseres over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 een pgb in het kader van de Wlz met zorgprofiel 7 LG van € 108.570,- toegekend voor de inkoop van zorg thuis.



Eiseres heeft tegen de primaire besluiten 1, 2 en 3 bezwaar ingediend. Op 4 september 2023 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.



In het verweerschrift van 4 oktober 2023 heeft het zorgkantoor ten aanzien van primair besluit 1 een dwangsom toegekend van € 1.442,-, omdat niet tijdig op het bezwaar is beslist. Ten aanzien van de primaire besluiten 2 en 3 heeft het zorgkantoor zich op het standpunt gesteld dat prematuur in gebreke is gesteld, waardoor het zorgkantoor geen dwangsom heeft verbeurd.



Bij besluit van 19 oktober 2023 (het bestreden besluit 1) heeft het zorgkantoor een beslissing op bezwaar genomen. Het bezwaar tegen de primaire besluiten 1 en 2 is ongegrond verklaard en het bezwaar tegen primair besluit 3 is niet-ontvankelijk verklaard.



Bij besluit van 9 april 2024 (primair besluit 4) heeft het zorgkantoor het pgb over het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 108.570,-. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 juli 2024 (het bestreden besluit 2) door het zorgkantoor deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard.



Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld. Het zorgkantoor heeft verweer gevoerd.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2026. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verder zijn verschenen [ouder 1] en [ouder 2] (ouders van eiseres), [naam 1] (cliëntondersteuner) en

[naam 2] (gedragsdeskundige). Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder waren van het zorgkantoor aanwezig mr. S. Beckers en mr. M. de Zwart).






Beoordeling door de rechtbank





Waar gaan deze zaken over?



1. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1990, is op grond van de Wlz geïndiceerd voor het zorgprofiel Wonen met zeer intensieve begeleiding en zeer intensieve verzorging (zorgprofiel 7 LG). Bij eiseres is onder andere sprake van de diagnose cerebrale parese, met spasticiteit aan beide armen en benen en chorea en onwillekeurige bewegingen. Eiseres heeft geen rompbalans en heeft een beperkte hoofdbalans. Er is een congenitale heupdysplasie rechts en een afwijkende stand van de wervelkolom. Ook zijn er kauw- en slikproblemen, maagproblemen, darmproblemen en urineweginfecties, samenhangend met immobiliteit. Eiseres is rolstoelgebonden. Verder is sprake van cognitieve stoornissen, is eiseres verstandelijk beperkt en is er sprake van blindheid. Eiseres stelt dat het op basis van het zorgprofiel toegekende pgb inclusief de toeslag EKT ontoereikend is om de benodigde zorg in te kopen en heeft daarom meerdere aanvragen om meerzorg ingediend.

2. Bij de primaire besluiten 1, 2, en 3 zoals genoemd in het procesverloop heeft het zorgkantoor aan eiseres uiteindelijk een pgb van € 108.570,- toegekend, inclusief toeslag EKT. De aanvraag om meerzorg van 11 januari 2023 is afgewezen, omdat het zorgkantoor geen intensieve en/of extreme zorgbehoefte (bijzondere zorgvraag) heeft geconstateerd die het reguliere zorgprofiel 7 LG overstijgt. Bij primair besluit 4 heeft het zorgkantoor het pgb voor 2023 vastgesteld op de som van de bedragen die de Svb heeft uitbetaald.


Wat vinden partijen?


3. Het zorgkantoor stelt samengevat dat de medische onderbouwing van de behoefte aan meerzorg ontbreekt. Volgens het zorgkantoor komt de zorgbehoefte zoals omschreven in zorgprofiel 7 LG overeen met de zorgbehoefte van eiseres. De volledige zorg en begeleiding wordt overgenomen en de ADL-zorg wordt op bed gedaan door 1 of 2 personen. Van actuele gedragsproblematiek of een noodzaak van meerzorg in de vorm van 1 op 1 dagbesteding is niet gebleken. Wel zal een passende plek voor eiseres gezocht moeten worden die rekening houdt met haar beperkingen. Begeleidende bewegingsoefeningen om spanningen in het lichaam van eiseres te verlagen en die daardoor meer tijd in beslag nemen betreffen geen Wlz zorg die vanuit het pgb betaald mogen worden, zodat dit niet kan gelden als meerzorg. Het zorgkantoor heeft verder benadrukt dat de bestreden besluiten in overeenstemming zijn met het advies van het Zorginstituut Nederland (ZiN) van 17 oktober 2023. Dat advies is evenals eerdere adviezen tot stand gekomen op basis van het gehele dossier, bevat een uitvoerige medische en juridische beoordeling en kan volgens het zorgkantoor niet zomaar worden genegeerd.

4. Eiseres stelt in de kern dat het zorgkantoor geen zorgvuldig onderzoek heeft uitgevoerd en ten onrechte de aanvragen om meerzorg heeft afgewezen. Volgens eiseres is duidelijk dat haar zorgvraag uitstijgt boven het zorgprofiel 7 LG vanwege de complexe problematiek waarmee zij kampt. Zij heeft namelijk niet alleen een lichamelijke, maar ook een verstandelijke en een visuele handicap. Dit leidt tot een grote en zeer complexe zorgbehoefte, hetgeen voldoende blijkt uit de in haar opdracht uitgebrachte medische adviezen, waaruit onder meer blijkt dat eiseres een contra-indicatie heeft voor dagbesteding en dat zij 1 op 1 dient te worden begeleid. Eiseres betwist dat bepaalde onderdelen van de nodige zorg, zoals het los bewegen van haar ledenmaten, bewegingsoefeningen zijn die niet onder het zorgpakket vallen. Wat de vaststelling van het budget voor 2023 betreft heeft eiseres daarnaast aangevoerd dat de bedragen op het vaststellingsbesluit niet overeenkomen met de eigen administratie van eiseres.



Wat is het beoordelingskader?



5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving en de wetsgeschiedenis is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.



Wat oordeelt de rechtbank?



6. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het zorgkantoor op de juiste wijze heeft beoordeeld dat eiseres niet voor meerzorg in aanmerking komt.
6.1. Uit de toepasselijke regelgeving voor meerzorg en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan kan – voor zover hier van belang – worden opgemaakt dat een verzekerde aanspraak heeft op meer zorg dan de samenhangende zorg behorende bij het bij de verzekerde best passende zorgprofiel voor zover zijn behoefte aan zorg minimaal 25% hoger is dan de zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket dat voor de bekostiging van het zorgprofiel wordt gebruikt dan wel van het zorgprofiel. Of een verzekerde hiervoor in aanmerking komt, is ter beoordeling van het zorgkantoor.


6.2. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraken van 22 oktober 2025 en 4 juni 2026 heeft overwogen heeft de wetgever voor de beoordeling van het recht op meerzorg een controleerbare en gekwantificeerde vergelijking voorgestaan van de zorg die een verzekerde nodig heeft en de zorg waarop de verzekerde op grond van het hem geïndiceerde zorgprofiel recht heeft. Dit uitgangspunt heeft de rechtbank in enkele recente uitspraken over de meerzorgproblematiek overgenomen.



6.3. De rechtbank stelt vast dat het zorgkantoor zich in de bestreden besluiten, na opsomming van de zorg die is beschreven in het zorgprofiel waarvoor eiseres geïndiceerd is en de mededeling dat voor bepaalde onderdelen van de aan eiseres verleende zorg of begeleiding geen pgb kan worden verleend, zonder kenbare onderbouwing op het standpunt heeft gesteld dat bij eiseres geen sprake is van een bijzondere of extreme zorgbehoefte die ertoe leidt dat meer zorg nodig is dan in het geïndiceerde zorgprofiel is opgenomen. Het zorgkantoor heeft uitsluitend een opsomming gegeven van de zorg die eiseres in algemene termen nodig heeft. Vervolgens heeft het zorgkantoor een vergelijking gemaakt met de algemene beschrijving van de zorg in het geïndiceerde zorgprofiel. Hieruit heeft het zorgkantoor de conclusie getrokken dat er geen sprake is van een bijzondere zorgbehoefte die het geïndiceerde zorgprofiel 7 LG overstijgt. Het zorgkantoor is bij zijn besluitvorming niet van een controleerbare en gekwantificeerde vergelijking uitgegaan terwijl zo’n vergelijking volgens de jurisprudentie van de CRvB noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of er aanspraak op meerzorg bestaat. Het zorgkantoor kan derhalve niet volstaan met de algemene stelling dat uit de beschikbare medische informatie van eiseres niet blijkt dat er aanspraak is op meerzorg en dat daarom geen urenvergelijking is gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de gehanteerde beoordelingswijze niet in lijn is met de beoordeling van de aanspraak op meerzorg, zoals benoemd in 6.2. De door het zorgkantoor verrichte beoordeling is niet inzichtelijk, niet controleerbaar en daarmee onnavolgbaar.



6.4. Het zorgkantoor beroept zich tevergeefs op de bijzondere, in de wet verankerde betekenis van de adviezen van het ZiN. Weliswaar geldt op grond van artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat ter motivering van een besluit kan worden volstaan met verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, maar een bestuursorgaan zoals het zorgkantoor zal zich er wel van moeten vergewissen dat het advies is gebaseerd op een juist uitgangspunt met betrekking tot de wijze waarop aanvragen om meerzorg dienen te worden beoordeeld. Het zorgkantoor heeft niet onder ogen gezien dat de in deze zaken door het ZiN uitgebrachte adviezen op een onjuiste beoordelingswijze berusten.



6.5. Uit het vorenstaande volgt dat het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor meerzorg, niet berust op het vereiste zorgvuldige onderzoek en niet deugdelijk is gemotiveerd. Voor zowel het toekennings- (SGR 23/6132) als het vaststellingsbesluit (SGR 24/6720) geldt daarom dat deze besluiten tot stand zijn gekomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Awb, en daarom niet in stand kunnen blijven.




SGR 25/3873





Procesverloop

7. Deze zaak betreft de aanvraag van eiseres om meerzorg van 17 juni 2024. Bij besluit van 21 oktober 2024 (primair besluit 5) heeft het zorgkantoor de aanvraag van eiseres op grond van de Wlz afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is door het zorgkantoor bij besluit van 12 mei 2025 (het bestreden besluit 3) ongegrond verklaard. Het zorgkantoor heeft – in de kern – geconcludeerd dat de vereiste medische onderbouwing voor de gevraagde meerzorg ontbreekt en dat er geen sprake is van een bijzondere zorgvraag die het reguliere zorgprofiel 7 LG overstijgt.



Beoordeling



8. Eiseres heeft – in de kern – aangevoerd dat haar zorgbehoefte ten onrechte niet volledig en zorgvuldig in kaart is gebracht. Volgens haar is sprake van een meervoudige en uitzonderlijk intensieve zorgvraag die structureel uitgaat boven de normatieve zorg binnen het zorgprofiel 7 LG. Zij stelt zich dan ook op het standpunt dat zij wél in aanmerking komt voor meerzorg.

9. Ook in dit besluit heeft het zorgkantoor – na opsomming van de zorg die is beschreven in het zorgprofiel waarvoor eiseres geïndiceerd is – zich zonder kenbare onderbouwing op het standpunt gesteld dat bij eiseres geen sprake is van een bijzondere zorgbehoefte die ertoe leidt dat meer zorg nodig is dan in het geïndiceerde zorgprofiel is opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de gehanteerde beoordelingswijze niet in lijn is met de beoordeling van de aanspraak op meerzorg, zoals die is weergegeven in 6.2. De door het zorgkantoor verrichte beoordeling is niet inzichtelijk, niet controleerbaar en daarmee onnavolgbaar.

10. Dit betekent dat het beroep ook in deze zaak gegrond is en dat het bestreden besluit 3 niet in stand kan blijven.



SGR 26/2450





Procesverloop en beoordeling


11. Bij besluit van 15 september 2025 (primair besluit 6) heeft het zorgkantoor de aanvraag om meerzorg voor het jaar 2025 afgewezen. Eiseres heeft op 15 september 2025 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.



11.1.
Eiseres heeft het zorgkantoor op 24 februari 2026 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het zorgkantoor op 24 februari 2026 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het zorgkantoor alsnog heeft beslist op het bezwaar.



11.2.
Eiseres heeft op 12 maart 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar.



11.3.
Het zorgkantoor heeft op 31 maart 2026 een verweerschrift ingediend en erkend dat de wettelijke beslistermijn is overschreden. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is gegrond. Aan eiseres is een dwangsom van € 1.442,- toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank (de hoogte van) de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.



11.4.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het zorgkantoor op te dragen binnen twee weken na het doen van een uitspraak alsnog een besluit bekend te maken.



11.5.
Omdat het zorgkantoor nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het zorgkantoor dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het zorgkantoor dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank gaat er mede op basis van de toezegging namens het zorgkantoor ter zitting van uit dat het gevolg geeft aan de opdracht. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om een dwangsom op te leggen.




Conclusie en gevolgen




12. De beroepen inzake SGR 23/6132, 24/6720 en 25/3873 zijn gegrond omdat de bestreden besluiten 1, 2 en 3 in strijd zijn met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvragen om meerzorg te nemen. Dit omdat zij daarvoor over onvoldoende informatie beschikt. Ook draagt de rechtbank niet aan het zorgkantoor op om de geconstateerde gebreken te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.




12.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het Zorgkantoor nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank acht het aangewezen dat het zorgkantoor een nieuw onderzoek uitvoert naar de situatie van eiseres. Het zorgkantoor dient hierbij te bepalen welke Wlz-zorg naar aard en omvang, in uren, op medische gronden nodig is. Het zorgkantoor dient vervolgens een gekwantificeerde en toetsbare vergelijking te maken van de vastgestelde zorgbehoefte van eiseres met de zorg die ten grondslag ligt aan het voor haar geïndiceerde zorgprofiel, naar aard en omvang, uitgedrukt in uren, en aan de hand daarvan te bepalen of en, zo ja, onder welke noemer en met welk bedrag het pgb in verband hiermee moet worden verhoogd.



12.2.
Het beroep niet tijdig beslissen inzake SGR 26/2450 is gegrond. De rechtbank bepaalt dat het zorgkantoor binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen.



12.3.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het zorgkantoor ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het griffierecht aan eiseres vergoeden, te weten inzake 23/6132 (€ 50,-), 24/6720 (€ 51,-), 25/3873 (€ 53,-) en 26/2450 (€ 54,-). Totaal: € 208,-. Op grond van het bepaalde in artikel 8:41, achtste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, indien het beroep wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden. Eiseres kan zich met het verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht inzake de ingetrokken zaken 24/1408 (€ 51,-), 25/1495 (€ 53,-) en 25/5588 (€ 53,-) tot het zorgkantoor wenden.



12.4.
De rechtbank stelt vast dat alle vier beroepen betrekking hebben op (de afgewezen) aanvragen om meerzorg. De rechtbank heeft deze beroepen gelijktijdig behandeld. De rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Bpb is in de drie beroepen verleend door de gemachtigde van eiseres. Omdat deze beroepen een sterke samenhang vertonen zijn de verrichte werkzaamheden van deze gemachtigde naar kan worden aangenomen nagenoeg identiek. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb, zodat in deze drie zaken éénmaal vergoeding voor de kosten van door de derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt toegekend. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde beroepschriften heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1,5 punt voor de beroepschriften en 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht en een waarde per punt van € 934,-).



Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn




13. Eiseres heeft inzake SGR 23/6132 en 24/6720 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).




13.1.
De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, mag maximaal twee jaar duren. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door het zorgkantoor is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg (eind)uitspraak heeft gedaan. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.



13.2.
Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het zorgkantoor respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid ten laste van het zorgkantoor respectievelijk de Staat worden uitgesproken. De regel die daarbij geldt, is dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.



13.3.
In gevallen waarin meerdere zaken van dezelfde belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.



13.4.
In dit geval gaat het om twee zaken van dezelfde belanghebbende die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, namelijk de (omvang van de) aanspraak op meerzorg. Daarbij is alleen sprake van een gezamenlijke behandeling in de rechterlijke fase.



13.5.
In de zaak 23/6132 is voor het eerst een bezwaarschrift ontvangen op 20 januari 2023. Vanaf die datum tot de datum van deze uitspraak zijn 3 jaar en ongeveer 6 maanden verstreken. De rechtbank heeft in de zaak zelf, noch in de opstelling van eiseres aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan 2 jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met afgerond 19 maanden overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,- (4 x € 500,-). De overschrijding van de redelijke termijn zit zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Voor de berekening van het bedrag van de schadevergoeding dat voor rekening komt van het zorgkantoor onderscheidenlijk de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. Het zorgkantoor wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 316,- (3/19 deel van € 2.000,-) en de Staat tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.684,- (16/19 deel van € 2.000,-).



13.6.

In de zaak 24/6720 heeft de procedure vanaf de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift op 17 april 2024 tot de datum van deze uitspraak 2 jaar en ongeveer 4 maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van eiseres zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan 2 jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met afgerond 4 maanden overschreden. Dit leidt in beginsel tot een schadevergoeding van € 500,-. Gelet op het onder 13.2. weergegeven uitgangspunt wordt voor de rechterlijke fase slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. De overschrijding van de redelijke termijn zit alleen in de rechterlijke fase. Dit brengt met zich dat in zaak 24/6720 geen schadevergoeding volgt.

Beslissing




De rechtbank:


- verklaart de beroepen inzake SGR 23/6132, 24/6720 en 25/3873 gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten 1, 2 en 3;
- draagt het zorgkantoor op nieuwe besluiten te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen (SGR 26/2450) gegrond;
- draagt het zorgkantoor op binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 15 september 2025;
- veroordeelt het zorgkantoor tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres;- bepaalt dat het zorgkantoor het door eiseres betaalde griffierecht van in totaal € 208,- vergoedt;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van schade aan eiseres inzake SGR 23/6132 tot een bedrag van € 1.684,-;
- veroordeelt het zorgkantoor tot vergoeding van schade inzake SGR 23/6132 aan eiseres tot een bedrag van € 316,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.













griffier


rechter









Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep




Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.



Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en wetsgeschiedenis





Regelgeving





Artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg

Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen (…)




Artikel 1.1.1 van het Besluit langdurige zorg

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)

- zorgprofiel: een algemene typering van vergelijkbare zorgbehoeften of beperkingen op dezelfde terreinen, waarbij de verzorgings-, verplegings-, begeleidings- of behandelingsdoelen naar aard, inhoud en globale omvang overeenkomen;
(…)



Artikel 3.1.1 van het Besluit langdurige zorg


1. De verzekerde die is aangewezen op zorg, heeft recht op samenhangende zorg behorende bij het bij de verzekerde best passende zorgprofiel. Bij ministeriële regeling worden zorgprofielen vastgesteld.\
2. De verzekerde heeft recht op meer zorg dan waarop hij op grond van het eerste lid recht heeft, voor zover meer zorg nodig is om te voorzien in zijn behoefte aan zorg.
(…)



Artikel 2.2 van de Regeling langdurige zorg


1. Een verzekerde heeft recht op meer zorg dan waarop hij op grond van het hem geïndiceerde zorgprofiel of zorgzwaartepakket recht heeft, voor zover naar het oordeel van de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor meer zorg nodig is om te voorzien in zijn behoefte aan zorg en:
a. de verzekerde krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen op zorgprofiel:
(…)
- LG Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging,
(…)
3. Een verzekerde als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, of tweede lid, onder a, kan slechts recht op de in die leden bedoelde zorg krijgen indien zijn behoefte aan zorg minimaal 25% hoger is dan de zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket dat voor de bekostiging van het zorgprofiel wordt gebruikt dan wel van het zorgprofiel.



Artikel 5.1 van de Regeling langdurige zorg


1. Een (…) persoonsgebonden budget (…) kan slechts worden toegekend indien de zorg op een verantwoorde en doelmatige wijze ten huize van de verzekerde kan worden geleverd.
2. Voor het persoonsgebonden budget is het basisbedrag, genoemd in bijlage H, beschikbaar, verminderd met de kosten van het modulair pakket thuis voor huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging, verpleging, logeeropvang, individuele begeleiding en begeleiding in groepsverband en vervoer.
(…)



Artikel 5.1a van de Regeling langdurige zorg

Alvorens de (…)verlening van een persoonsgebonden budget te weigeren op de grond dat het niet op doelmatige wijze ten huize van de verzekerde kan worden geleverd, en nadat daarover overleg is gevoerd met de verzekerde, beoordeelt de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor deze weigering wegens ondoelmatigheid kan worden vermeden door verhoging van het basisbedrag met ten hoogste 25%.




Artikel 5.1e van de Regeling langdurige zorg

(…)

2. Het zorgkantoor kan op verzoek van de verzekerde een aanvraag voor meerzorg als bedoeld in artikel 2.2 starten, indien de verzekerde een zorgbehoefte heeft waarvan de kosten het bedrag overstijgen dat beschikbaar is na toepassing van de artikelen 5.1 tot en met 5.1d en de verzekerde voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.2, eerste of tweede lid.
(…)
4. Het zorgkantoor kan onder daarbij te stellen voorwaarden in het voordeel van de verzekerde afwijken van de bedragen genoemd in bijlage H indien de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor aanspraak heeft op meer zorg als bedoeld in artikel 2.2 van deze regeling.



Wetsgeschiedenis





Toelichting bij artikel 3.1.1 Blz: Stb 2014 520




- Algemeen:


"Tweede waarborg in het wetsvoorstel voor de cliënt is dat het recht op zorg geborgd wordt door de zorgplicht die de Wlz-uitvoerder heeft. Naast rechtszekerheid voor de cliënt enerzijds – waar heb ik recht op? – dient er ruimte te zijn voor de Wlz-uitvoerder/het zorgkantoor om bij de invulling van dat recht zorg op maat te kunnen aanbieden. (…)
Indien de verzekerde een bijzondere zorgbehoefte heeft waardoor zijn zorgbehoefte groter is dan uit het geïndiceerde zorgprofiel voortvloeit, zal, in lijn met de AWBZ, een behoefte aan meer zorg bestaan. Zoals in paragraaf 3.3 van het algemene deel van deze toelichting is aangegeven, zal in 2015 op dit punt gelden wat onder de AWBZ gold. Dat wil zeggen dat de Wlz-uitvoerder/het zorgkantoor kan besluiten om meer zorg toe te kennen indien de verzekerde een in het Rlz te regelen zorgprofiel geïndiceerd heeft gekregen of indien de verzekerde behoefte heeft aan in de Rlz te regelen vormen van zorg."


- Eerste lid:
"Artikel 1.1.1 bevat een omschrijving van wat onder zorgprofiel moet worden verstaan. Welke zorg bij een zorgprofiel hoort, zal krachtens dit eerste lid in de Rlz worden geregeld. De zorgprofielen zijn opgenomen in de bijlage bij de Rlz. Deze zullen, zeker aanvankelijk, zijn afgeleid van de huidige zorgzwaartepakketten. Overeenkomstig de doelstelling van het wetsvoorstel, verschillen de zorgprofielen echter wezenlijk van de huidige zorgzwaartepakketten. Kernpunt daarbij is dat de in de Regeling langdurige zorg op te nemen profielen niet langer in uren te leveren zorg uitdrukken. Overeenkomstig de Wet langdurige zorg, is uitdrukkelijk de ruimte gegeven aan de professionele zorgaanbieder om, binnen de globale omvang die door de zorgprofielen wordt uitgedrukt, en waarin zij onderling verschillen, de zorg te leveren waarop iemand is aangewezen. Een en ander behoudens de regeling van eventuele behoefte aan meer zorg."

- Tweede lid:

"Hoewel de zorgprofielen doorgaans goed aansluiten bij de zorgbehoefte van de verzekerde, kunnen zich specifieke gevallen voordoen waarin ook de meest passende zorgprofielen nog onvoldoende tegemoet komen aan de zorgbehoefte van de verzekerde. Onder de huidige AWBZ, meer specifiek in de Regeling zorgaanspraken AWBZ, is daarom voorzien in een regeling voor meer zorg. Indien de verzekerde een bijzondere zorgbehoefte heeft waardoor zijn zorgbehoefte groter is dan uit het geïndiceerde zorgprofiel voortvloeit, zal, in lijn met de AWBZ, een behoefte aan meer zorg bestaan. Zoals in paragraaf 3.3 van het algemene deel van deze toelichting is aangegeven, zal in 2015 op dit punt gelden wat onder de AWBZ gold."



Artikel 2.2 Rlz: Stcrt 2014 36917 (bij de invoering per 1 januari 2015)

"2. De regeling voor 'meer zorg'. De Rlz bevat eveneens een regeling voor de toekenning van 'meer zorg'. Deze is grosso modo een vertaling van de huidige regeling onder de AWBZ. In de wet is voor mensen die dit recht op 31 december 2014 hebben, overgangsrecht opgenomen." (Algemeen deel, p. 65).



"Zoals in paragraaf 3.3 van het algemeen deel van de toelichting op het Blz is aangegeven, zal de procedure voor de toekenning van 'meer zorg' in 2015 sterk lijken op de procedure die voor 2014 onder de AWBZ gold. Voorliggend artikel vormt dan ook een vertaling van artikel 1a, tweede lid, van de Regeling zorgaanspraken AWBZ (welke regeling bij de inwerkingtreding van de Wlz is komen te vervallen)."
(…)
"Een recht op meer zorg op basis van het eerste lid, onderdeel a of b, leidt in de bekostiging 2015 tot een geïndividualiseerde toeslag op maat bovenop de reguliere zzp-bekostiging. Voor de bekostiging van zorg in natura is dat door de NZa uitgewerkt in beleidsregel CA-BR-1508 'Prestatiebeschrijvingen en tarieven ZZP-meerzorg Wlz'. Voor het pgb is de bekostiging van meer zorg uitgewerkt in artikel 5.14, tweede lid, van voorliggende regeling."
(…)
"Ingevolge het tweede lid kan voor de verzekerden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, slechts recht bestaan op meer zorg indien de (in uren gemeten) zorgbehoefte ten minste 25% ligt boven (het midden van de bandbreedte van) de zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket dat in 2015 voor de bekostiging van het zorgprofiel wordt gehanteerd dan wel, voor de verzekerden die onder het overgangsrecht vallen, van het zorgprofiel zelf."
(…)
"Voorliggend artikel zal slechts in 2015 gelden. Zoals in het algemeen deel van de toelichting op het Blz is aangegeven, zal de regeling over meer zorg zowel wat betreft de reikwijdte ervan als de procedure om tot de toekenning van meer zorg te komen, in 2015 worden verbeterd."
(Artikelsgewijs, p. 68)




Stcrt 2015 46256 (bij de wijziging van artikel 2.2 Rlz per 1 januari 2016 tot het huidige artikel)

"In aanvulling op deze bevoegdheid blijft het huidige eerste lid bestaan waarbij de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor oordeelt of een verzekerde recht heeft op meer zorg. Alsdan blijkt de feitelijke zorgbehoefte bij het uitwerken van het zorgplan tussen cliënt, zorgaanbieder en Wlz-uitvoerder/zorgkantoor of is de behoefte aan meer zorg mede afhankelijk van de omgeving. In dergelijke gevallen waarborgt de zorgplicht van de Wlz-uitvoerders dat ook in die gevallen adequate zorg op maat wordt geboden (eerste lid)."
(Artikelsgewijs, p. 15)




Toelichting bij artikel 2.2 van de Rlz (artikelsgewijs):

"Ingevolge het tweede lid kan voor de verzekerden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, slechts recht bestaan op meer zorg indien de (in uren gemeten) zorgbehoefte ten minste 25% ligt boven (het midden van de bandbreedte van) de zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket dat in 2015 voor de bekostiging van het zorgprofiel wordt gehanteerd dan wel, voor de verzekerden die onder het overgangsrecht vallen, van het zorgprofiel zelf."
(…)
"Voorliggend artikel zal slechts in 2015 gelden."




Toelichting bij artikel 5.1e van de Rlz (artikelsgewijs):

"Indien de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor op grond van artikel 5.1 tot en met artikel 5.1d een aanvraag niet kan honoreren op grond van doelmatigheid is sprake van een bijzondere situatie. De verzekerde heeft dan een uitzonderlijk hoge zorgvraag die de reguliere mogelijkheden van het zorgprofiel overstijgt. In die gevallen kan de verzekerde een aanvraag doen voor meerzorg als bedoeld in artikel 2.2. Op grond van artikel 5.1e kan de verzekerde die de zorg thuis wenst te ontvangen toegang krijgen tot een meerzorgroute, zonder dat de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor hoeft vast te stellen dat de verzekerde is aangewezen op een hoger zorgvolume dan behoort bij het zorgprofiel. Met het overstijgen van alle mogelijkheden om de aanvraag in termen van kosten te honoreren na toepassing van EKT en staat immers voldoende vast dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. De verzekerde die toegang tot meerzorg wenst, moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in het eerste of tweede lid van artikel 2.2. Via de meerzorgroute zal de Wlz-uitvoerder of zorgkantoor per situatie een integrale afweging maken van de redelijkheid van de noodzakelijke kosten om de Wlz-zorg thuis verantwoord te organiseren"







Artikel 3.1.1, tweede lid, van het Besluit langdurige zorg, in samenhang gelezen met artikel 2.2, eerste en derde lid, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) en artikel 5.1e, tweede lid, van de Rlz.


Zie de toelichting bij artikel 2.2 van de Rlz, Staatscourant 2014 nr. 36917, p. 68 en de toelichting bij artikel 5.1e van de Rlz, Staatscourant 2019, nr. 70431, p. 22.


ECLI:NL:CRVB:2025:1517.


ECLI:NL:CRVB:2026:737.


ECLI:NL:RBDHA:1624, 1625, 1627 en 1631


ECLI:NL:HR:2016:252.