Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21756

2026-01-23 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 24/2886
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-01-23
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 24/2886
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Pw

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.012 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 24/2886

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen


[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),


en


het college van burgemeester en wethouders Krimpenerwaard, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).



Procesverloop


Bij besluit van 28 november 2023 (primair besluit I) heeft verweerder het recht van eiseres op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van 3 augustus 2023 tot en met 18 augustus 2023 ingetrokken en een bedrag van € 627,93 aan te veel verstrekte bijstand van eiseres teruggevorderd. Tevens heeft verweerder aan eiseres een extra verplichting opgelegd op grond van artikel 55 van de Pw, inhoudende dat zij maandelijks van al haar rekeningen de bankafschriften moet overleggen. Daarnaast zal verweerder met ingang van 1 november 2023 maandelijks 5% van de bijstandsuitkering inhouden ter aflossing van de terugvordering.



Bij besluit van 30 november 2023 (primair besluit II) is bepaald dat verweerder in afwijking van primair besluit I pas met ingang van 1 december 2023 maandelijks 5% van de bijstandsuitkering zal inhouden.



Bij besluit van 11 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.



Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2026. Eiseres en verweerder hebben zich (voor wat betreft eiseres: telefonisch) laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.





Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontvangt sinds 9 juli 2020 een bijstandsuitkering op grond van de Pw. In het kader van een heronderzoek heeft verweerder op 2 oktober 2023 diverse stukken opgevraagd, waaronder bankafschriften. Naar aanleiding van de ingeleverde stukken heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 30 oktober 2023. Tijdens dat gesprek heeft eiseres verklaard dat zij in de periode van 5 juli 2023 tot en met 18 augustus 2023 op Curaçao is geweest in verband met gezondheidsproblemen van haar vader.

2. Bij de primaire besluiten I en II, na bezwaar gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder het recht op bijstand over de periode van 3 augustus 2023 tot en met

18 augustus 2023 ingetrokken, omdat eiseres langer dan 28 dagen in het buitenland heeft verbleven. Daaraan heeft verweerder artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw ten grondslag gelegd. Door van het verblijf in het buitenland geen melding te maken heeft eiseres haar inlichtingenplicht geschonden. De te veel uitbetaalde bijstand van € 627,93 heeft verweerder van eiseres teruggevorderd op grond van de artikelen 54, derde lid, en
58, eerste lid, van de Pw. Daarnaast is er volgens verweerder geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Op grond van artikel 6.2.8., tweede lid, van de Beleidsregels mag verweerder 5% inhouden van de uitkering om de vordering te voldoen. Verder heeft verweerder aan eiseres een verplichting opgelegd op grond van artikel 55 van de de Pw, inhoudende dat van eiseres wordt verwacht dat zij maandelijks van al haar rekeningen de bankafschriften overlegd.


3. Eiseres heeft aangevoerd dat er sprake is van overmacht en dat zij daarom op grond van artikel 16 van de Pw recht heeft op bijstand over de periode dat zij te lang in het buitenland heeft verbleven. Verder zijn er dringende omstandigheden die maken dat van terugvordering moet worden afgezien. De extra verplichting om maandelijks de bankafschriften te overleggen vindt eiseres bezwarend en disproportioneel en in strijd met artikel 55 Pw.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.


4.1.
Niet in geschil is dat eiseres langer dan 28 dagen in het buitenland heeft verbleven zonder dit vooraf aan verweerder te melden, te weten van 5 juli 2023 tot en met 18 augustus 2023. Evenmin is in geschil dat zij daardoor over de te beoordelen periode, 3 augustus 2023 tot en met 18 augustus 2023, op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw was uitgesloten van het recht op bijstand.



4.2.
Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16 Pw die maken dat zij wel recht op bijstand had over de betrokken periode. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het volgende is van belang.



4.3.
Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw, doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend, ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is.



4.4.
Omdat eiseres met haar beroep op artikel 16, eerste lid, van de Pw een beroep doet op een uitzondering op de hoofdregel van, in dit geval, artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw, moet zij aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor die uitzondering is voldaan. Dit volgt uit vaste rechtspraak. Met verweerder, zoals een en ander ook toegelicht ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat eiseres daarin niet is geslaagd. Zij heeft als toelichting op de door haar gestelde zeer dringende redenen naar voren gebracht dat zij langer in het buitenland heeft verbleven wegens gezondheidsproblemen van haar vader. De door haar aangevoerde omstandigheden hebben voor haar persoonlijk niet een dergelijke noodsituatie opgeleverd. Eiseres heeft niet gesteld en de rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiseres in de te beoordelen periode op Curaçao verkeerde in behoeftige omstandigheden die alleen met het verlenen van bijstand konden worden verholpen, zoals bedoeld in 4.3. De grond faalt.



4.5
Voor zover eiseres heeft gesteld dat op grond van dringende redenen van terugvordering van de te veel ontvangen bijstand zou moeten worden afgezien, geldt het volgende. Ook als ervan wordt uitgegaan dat eiseres niet wist dat zij geen recht had op bijstand als zij langer dan vier weken per jaar in het buitenland zou verblijven, komt dit in beginsel voor haar rekening en risico. Dat sprake is van overmacht door de gezondheidstoestand van haar vader is door eiseres op geen enkele wijze met objectieve (medische) gegevens onderbouwd. Ook verder zijn persoonlijke en financiële omstandigheden om van terugvordering af te zien onvoldoende onderbouwd. Ter terechtzitting is verder gebleken dat de terugvordering ondertussen geheel is voldaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van dringende redenen om van terugvordering af te zien niet is gebleken.



4.6.
Ten aanzien van de opgelegde verplichting is de rechtbank van oordeel dat deze niet in strijd is met artikel 55 van de Pw. Artikel 55 van de Pw kent drie algemene categorieën van verplichtingen. Dat betreft naast verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling, ook verplichtingen die verband houden met de aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand en verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging. Verweerder heeft de verplichting opgelegd, omdat uit de bankafschriften van eiseres was gebleken dat zij geld ontvangt van haar dochters. Deze middelen moeten in beginsel in mindering worden gebracht op haar bijstandsuitkering. Verweerder heeft ervoor gekozen niet in te zetten op een mogelijke terugvordering van ten onrechte ontvangen gelden, maar heeft aan eiseres voor de toekomst een preventieve maatregel opgelegd. Tegen die achtergrond acht de rechtbank de maatregel niet disproportioneel. Voor zover namens eiseres ter zitting bedoeld is te zeggen dat de verplichting tegen het advies van de Onafhankelijke Commissie voor de Bezwaarschriften is genomen, slaagt dit niet omdat in het advies staat dat de opgelegde verplichting legitiem is. De Commissie heeft verweerder enkel in overweging gegeven om de verplichting te laten vervallen. Eiseres heeft in beroep naar voren gebracht dat de maatregel voor haar te bezwarend zou zijn, maar heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep


Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1043.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985 en van
27 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1192.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 27 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1192.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 maart 2021;. ECLI:NL:CRVB:2021:505.