Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21755

2026-04-20 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 24/5025, SGR 24/5026 en SGR 24/5029
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-04-20
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 24/5025, SGR 24/5026 en SGR 24/5029
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Jeugdwet; pgb

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.721 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummers: SGR 24/5025, SGR 24/5026 en SGR 24/5029

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen




[eiser] , vader van, en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van, de minderjarige [minderjarige], uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. J. van Helden),



en




het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).




Procesverloop



Zaaknummer SGR 24/5025

Bij besluit van 18 augustus 2023 (primair besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor pedagogische ondersteuning bij voetbaltraining voor zijn zoon [minderjarige] in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Jeugdwet (Jw) afgewezen.




Zaaknummer SGR 24/5026

Bij besluit van 18 augustus 2023 (primair besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor extra begeleiding op de buitenschoolse opvang (bso) voor zijn zoon [minderjarige] in de vorm van een pgb op grond van de Jw afgewezen.




Zaaknummer SGR 24/5029

Bij besluit van 18 augustus 2023 (primair besluit III) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor ‘parental contribution’ voor zijn zoon [minderjarige] in de vorm van een pgb op grond van de Jw afgewezen.




In alle zaken

Bij afzonderlijke besluiten van 23 april 2024 (de bestreden besluiten I, II en III) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I, II en III ongegrond verklaard.



Eiser heeft tegen de bestreden besluiten I, II en III beroep ingesteld.



Verweerder heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend.



Eiser heeft een verzoek om schadevergoeding ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen de moeder van [minderjarige] ,

[de moeder] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen




1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.



1.1.
Bij [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016, is sprake van een ontwikkelingsproblematiek. Er is sprake van een taalontwikkelingsstoornis bij meerdertaligheid (TOS). Daarnaast vertoont [minderjarige] kenmerken van ADHD en ASS. Verder zijn er vermoedens dat [minderjarige] hoogbegaafd is en dat er achterstanden zijn op het gebied van sociaal-emotionele ontwikkeling.



1.2.

Op 17 juni 2019 is [minderjarige] aangemeld bij de [schoolnaam 1] , onderdeel van [stichting] . Op 1 september 2020 is hij in groep 1 gestart. Tijdens de eerste wenochtend bleek dat het wennen niet goed verliep. De directeur van de school besloot dat [minderjarige] thuis moest blijven tot er een overdracht zou plaatsvinden door het kinderdagverblijf [kinderopvang] , en dat onderzoek moest worden gedaan om te zien of de school [minderjarige] kon voorzien in zijn ondersteuningsbehoefte. In de periode daarna vonden verschillende observaties, onderzoeken en multidisciplinaire overleggen (MDO) plaats. Tijdens het MDO van 10 november 2020 werden afspraken gemaakt over de inzet van een begeleider (shadow). De bedoeling was dat [minderjarige] een aantal dagdelen op de school door een shadow zou worden geobserveerd. Omdat er onenigheid tussen partijen kwam is het proces niet voortgezet. [minderjarige] bleef thuis. Op 15 juni 2021 stuurde de directeur van de

[schoolnaam 1] een e-mail aan eiser dat op basis van de onderzoeken en observaties gebleken was dat regulier onderwijs niet passend was voor [minderjarige] en geadviseerd werd om [minderjarige] in te schrijven bij een cluster 4-school (speciaal onderwijs). Eiser heeft [minderjarige] daar niet aangemeld, maar schreef hem in bij [schoolnaam 2] , ook onderdeel van [stichting] . Op 2 juli 2021 ontving eiser een e-mail van de directeur van die school dat ze niet aan de ondersteunings- en zorgbehoefte van [minderjarige] konden voldoen.




1.3.
Op 18 oktober 2021 heeft de Geschillencommissie Passend Onderwijs (GPO) geoordeeld dat de ondersteuningsbehoefte van [minderjarige] onvoldoende in kaart was gebracht door de [schoolnaam 1] om te kunnen concluderen dat de school niet passend was voor [minderjarige] . De GPO oordeelde dat de school met spoed een onderzoek moest laten verrichten naar de actuele ondersteuningsbehoefte in een schoolse setting, om daarop vervolgens na te gaan hoe aan de ondersteuningsbehoefte kon worden voldaan. Daarna is er correspondentie geweest tussen eiser en de directeur. Op 29 november 2021 is namens de school een e-mail gestuurd naar eiser met een stappenplan om de ondersteuningsbehoefte van [minderjarige] vast te stellen. In november 2021 zou [minderjarige] starten met logopedie.



1.4.
Na diverse overleggen heeft eiser [minderjarige] op 9 januari 2022 ingeschreven bij een particuliere school, [schoolnaam 3] in [plaats 1] waar [minderjarige] onderwijs kon volgen in een kleine klas. Aan de ouders van [minderjarige] is meerdere malen uitgelegd dat ze de ouderbijdrage zelf moesten betalen. Dat zou volgens eiser geen probleem zijn. In januari 2022 is [minderjarige] gestart in groep 2. In de periode van januari 2022 tot juli 2022 maakte [minderjarige] een vooruitgang met betrekking tot het leren van de Engels taal, op cognitief vlak, gedragsregulatie en sociale vaardigheden. Veel van de gestelde doelen werden behaald, zoals telvaardigheden en beginnend schrijven/spellen, en [minderjarige] liet verbetering zien in regelvolgend gedrag. Ook haalde hij de doelen voor samenspel met anderen onder begeleiding. In groep 3 (leerjaar 2022-2023) ontstonden er gedragsmoeilijkheden (onveilig gedrag, niet luisteren en niet aan de regels houden). Vanaf juni 2023 is [minderjarige] op advies weer thuis gebleven.



1.5.
Op 6 februari 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een pgb voor de kosten van extra begeleiding tijdens de bso voor [minderjarige] .



1.6.
Op 13 februari 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een pgb voor de kosten van een pedagogisch ondersteuner bij voetbaltrainingen voor [minderjarige] .



1.7.
Het College voor de Rechten van de Mens heeft op 8 maart 2023 geoordeeld dat [stichting] verboden onderscheid heeft gemaakt jegens [minderjarige] op grond van handicap of chronische ziekte door onvoldoende onderzoek te doen naar de benodigde doeltreffende aanpassingen met het oogmerk om het kind in staat te stellen tot het (volgen van) onderwijs bij een school onder haar gezag. Zij had dit moeten doen volgens het stramien van WGBH/CZ, los van en voorafgaand aan het zoeken naar een passende plek in het kader van haar zorgplicht in het kader van de onderwijswetgeving.



1.8.
Op 10 maart 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor ‘parental contribution’ voor de [schoolnaam 3] .



1.9.

In een ‘Onderzoeksverslag naar aanleiding van jeugdhulpvraag’ van 23 juni 2023 staat onder andere dat de hulpvragen zijn dat de ouders willen dat [minderjarige] op een passende onderwijsplek terecht komt en dat zij een onderzoek willen naar de intelligentie om mogelijke hoogbegaafdheid bij [minderjarige] te onderzoeken, dat zij een vergoeding van de schoolkosten van [schoolnaam 3] willen en dat zij vragen om extra begeleiding op de reguliere bso en tijdens de voetbaltraining. Het is volgens de consulent belangrijk dat [minderjarige] aan (sport-) activiteiten kan deelnemen en kan leren om contact op te bouwen met
leeftijdsgenoten. Omdat uit het onderzoek bleek dat de reguliere bso en de voetbalclub geen passende plek zijn voor [minderjarige] , omdat het grote groepen zijn waarbij hij aan veel prikkels wordt blootgesteld en dat hij baat heeft bij kleine groepen met deskundige begeleiding waarbij sprake is van veel duidelijkheid en structuur, heeft verweerder een diagnostisch onderzoek aangevraagd.




1.10.
Vervolgens heeft verweerder bij primair besluit I de aanvraag voor een pgb voor extra begeleiding bij de bso afgewezen op de grond dat een reguliere bso geen passende plek voor [minderjarige] is. Bij primair besluit II heeft verweerder de aanvraag voor een pgb voor voetbaltraining afgewezen op de grond dat deelname aan reguliere sportactiviteiten voor [minderjarige] geen passende oplossing is. Bij primair besluit III heeft verweerder de aanvraag voor een pgb voor parental contributoin afgewezen, omdat de ouderbijdrage niet binnen de reikwijdte van de Jw valt.



1.11.
Op 10, 11 en 14 juli, 29 augustus en 1 september 2023 heeft klinisch psycholoog [naam] van [praktijknaam] een onderzoek verricht naar [minderjarige] . Uit het rapport blijkt dat bij [minderjarige] sprake is van gedragsregulatie. Als er een te groot beroep wordt gedaan op zijn zwakke plekken verhoogt dit zijn spanning en vermindert het zijn regulatie. Traumatische gebeurtenissen verhogen zijn angst en kunnen eveneens spanning geven waardoor [minderjarige] ’s regulatie en aanpassingskracht verder beperkt worden. De eventuele hoogbegaafdheid kan positief zijn, maar als er onvoldoende door de omgeving tegemoet wordt gekomen kan dat ook bijdragen aan gedragsproblemen. Voor onderwijs lijken mogelijkheden voor individuele aansturing geïndiceerd. Met betrekking tot het aanbod is het van belang dat het qua niveau tenminste regulier kind volgend is, zodat [minderjarige] kan laten zien waar hij staat en door kan gaan als hij iets beheerst. Daarnaast is het van belang om onderzoek te doen naar een specifiek cognitieve ontwikkelingsaanleg vanuit de expertise hoogbegaafdheid. Ook is [minderjarige] gestart bij de GGZ voor traumaverwerking. In het rapport staat verder dat [minderjarige] van voetbal, zwemmen, muziek, boeken en handenarbeid houdt. In februari 2023 is [minderjarige] na 3 drie jaar gestopt bij zijn voetbalclub. Pogingen om aansluiting te vinden bij een G-club en deelname bij zijn oude club te herstellen zijn nog niet gelukt. [minderjarige] wil graag verder met voetbal. Een proefles bij een scouting was goed verlopen, hij mocht daar terugkomen maar vond het niet interessant genoeg. Ook gaat [minderjarige] vrijdagmiddag spelen bij [jeugdorganisatie] en een keer per maand naar de HB kinderen die samen spelen op zondagmiddag. Beide vindt hij leuk.



1.12.

In een ‘Onderzoeksverslag naar aanleiding van jeugdhulpvraag’ van 13 februari 2024 staat dat op de [schoolnaam 3] een incident heeft voorgedaan, waardoor [minderjarige] niet meer naar school kan. [minderjarige] zit sinds juni 2023 thuis. Gebleken is dat deze school niet passend is voor [minderjarige] , omdat hij gedragsproblemen liet zien die voor school moeilijk te hanteren zijn. [minderjarige] staat op de wachtlijst voor de C+ groep van de [schoolnaam 4] .
Omdat onduidelijk is wanneer [minderjarige] kan starten, is door stichting IQ+ aan ouders geadviseerd om [minderjarige] alvast in te schrijven op de [schoolnaam 5] in [plaats 2] . Dit hebben de ouders gedaan. Uit onderzoeken komen verschillende uitkomsten naar voren, wat het lastig maakt te weten welke oorzaken voorliggend zijn in [minderjarige] zijn problematiek.
Desondanks valt naar aanleiding van verschillende recente observaties (Steunpunt begaafdheid, Praktijk Grondig) te concluderen dat [minderjarige] op dit moment nog niet in staat is om terug te keren naar een schoolse groepssetting. Thuis lukt het ondanks alle gebeurtenissen en het lange thuis zitten van school nog goed om zijn huiswerk te maken. Verder staat in het verslag dat gedacht wordt aan de inzet van individuele begeleiding, waarbij toegewerkt wordt naar een dagbesteding (groepssetting) ter voorbereiding op deelname aan het speciaal basisonderwijs. Het is belangrijk dat [minderjarige] de begeleiding op een plek krijgt waar hij kind kan zijn en zich vooral veilig leert voelen en waar een duidelijk
ritme en structuur wordt aangeboden, zodat hij zich vertrouwt voelt.


2. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd op de grond dat het onwaarschijnlijk is dat een pedagogische begeleider bij de voetbaltraining op dit moment het meest passend is voor [minderjarige] . Dit heeft verweerder ook ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit II. Volgens verweerder is het onwaarschijnlijk dat extra begeleiding bij de bso op dit moment het meest passend is. Voorkomen moet worden dat de problematiek van [minderjarige] door een nieuwe afwijzing verergert. Er is geen onderzoek gedaan en daarom is het onduidelijk gebleven wat voor soort hulp ingezet zou moeten worden. Bij het bestreden besluit III heeft verweerder de afwijzing voor een pgb voor de ouderbijdrage gehandhaafd. Volgens verweerder is passend onderwijs een voorliggende voorziening en valt onderwijs niet onder de Jeugdwet, waardoor de ouderbijdrage niet in aanmerking komt voor vergoeding op grond van de Jeugdwet.

3. Eiser heeft op de hierna te bespreken gronden – voor zover relevant – beroep ingesteld.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.



Procesbelang





4.1.
De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak, omdat het gaat om pgb aanvragen voor een in het verleden liggende en afgesloten perioden.



4.2.
Volgens vaste rechtspraak is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode, tenzij aannemelijk is dat schade is geleden dan wel een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.



4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij een procesbelang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit III. Eiser heeft, in afwachting van de besluitvorming van verweerder, betalingen aan de [schoolnaam 3] verricht (of moet deze nog verrichten). Omdat eiser hiermee naar het oordeel van de rechtbank tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten heeft gemaakt, heeft hij (nog altijd) belang bij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit III. De uitspraak kan echter geen betekenis meer hebben voor wat betreft de pgb aanvragen voor extra begeleiding bij de bso en voetbaltraining (bestreden besluiten I en II) nu de gewenste begeleiding destijds niet is afgenomen of daarvoor door eiser is betaald. Een belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit kan echter ook zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel van de rechtbank kan worden betrokken bij eventuele vergelijkbare aanvragen in de toekomst. Een dergelijk belang heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Ter zitting is gebleken dat [minderjarige] onder toezicht staat. Daarnaast is gebleken dat [minderjarige] inmiddels naar reguliere zwemles en scouting gaat, muziekles heeft gevolgd en momenteel een dag per week naar een HB school gaat.



4.4.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser gezegd dat het procesbelang in deze procedure desondanks er in is gelegen dat er sprake is van onrechtmatige besluiten en dat eiser een schadevergoeding wil voor de gestelde immateriële schade.



4.5.

De rechtbank overweegt ten eerste dat de enkele stelling dat schade is geleden
onvoldoende is voor het oordeel dat sprake is van procesbelang. Voor immateriële schadevergoeding geldt bovendien dat deze schade tot op zekere hoogte
aannemelijk moet worden gemaakt. Eiser heeft de gestelde schade op geen enkele manier onderbouwd. Dit betekent dat ook in het verzoek om schadevergoeding geen procesbelang is gelegen.




4.6.
De beroepen tegen de bestreden besluiten I en II worden bij gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Dat maakt dat de rechtbank alleen toekomt aan een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit III.



Wettelijk kader





4.7.

In artikel 2.3 van de Jw is het volgende bepaald:
Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a. gezond en veilig op te groeien;
b. te groeien naar zelfstandigheid;
c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.



4.8.
De gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg heeft de Verordening Jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2015 vastgesteld. Ter uitvoering van deze verordening heeft verweerder de Nadere regels jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2015 vastgesteld.



Bestreden besluit III





4.9.
De te beoordelen periode loopt van 18 augustus 2023 (datum primair besluit III) tot 23 april 2024 (datum bestreden besluit III).



4.10.
Eiser heeft ten aanzien van het bestreden besluit III aangevoerd dat er intensief is gezocht naar een passende onderwijsplek. Het samenwerkingsverband passend onderwijs heeft daarin onvoldoende kunnen voorzien, wat heeft geresulteerd in langdurige thuiszitperiodes voor [minderjarige] . Hierdoor is er geen sprake van een voorliggende voorziening. De Jw fungeert juist als vangnet in gevallen waarin andere wettelijke kaders tekortschieten. Verweerder had daarom op grond van de Jeugdwet en artikel 3.1. van de Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2020 tot een toewijzing van de aanvraag voor een pgb voor de noodzakelijke gedragsondersteuning op de [schoolnaam 3] moeten komen van € 18.200,-. Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat de gedragsondersteuning die op de [schoolnaam 3] is ingezet moet worden aangemerkt als noodzakelijke jeugdhulp in de zin van de Jw, gericht op het functioneren van [minderjarige] in de maatschappij en niet louter op het ondersteunen van leerprocessen.



4.11.
Vastgesteld wordt dat verweerder de nodige inspanningen heeft verricht om, naast alle reeds bekende informatie, met alle betrokkenen aan tafel te komen om vast te stellen welke begeleiding [minderjarige] nodig heeft. Verweerder was bezig om de behoefte van [minderjarige] in kaart te brengen en tijdens dat proces heeft eiser [minderjarige] aangemeld bij de [schoolnaam 3] . Eiser heeft het onderzoek niet afgewacht en heeft tegen het advies van verweerder in, waarbij meerdere malen ter sprake is gekomen dat eiser zelf de ouderbijdrage moet betalen, [minderjarige] op 9 januari 2022 laten starten op de [schoolnaam 3] . Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder niet aan zijn onderzoeksverplichting heeft voldaan. Dat op verweerder in beginsel de bewijslast rust, neemt immers niet weg dat van de aanvrager mag worden verlangd dat deze verweerder voorziet van de gegevens die nodig zijn voor een goede beoordeling van de aanvraag en zo goed mogelijk meewerkt aan een daarvoor benodigd onderzoek. Van eiser mocht worden verwacht dat hij, om verweerder in de gelegenheid te stellen de door [minderjarige] benodigde jeugdhulp zo goed mogelijk in kaart te brengen, medewerking had verleend. De reden die eiser hiervoor heeft gegeven, namelijk dat de situatie al meerdere jaren voort duurde en [minderjarige] nog steeds niet was geplaats op een passende school, acht de rechtbank geen geldige reden. Het valt namelijk op voorhand niet in te zien dat aan de hand van al hetgeen al bekend is over [minderjarige] en op basis van een mogelijke school voor [minderjarige] waar hij in ieder geval geobserveerd zou kunnen worden, waarom deze school niet geschikt zou zijn om [minderjarige] te observeren. Dat eiser het onderzoek niet heeft afgewacht maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er geen voorliggende voorziening is en dat de kosten voor vergoeding in aanmerking komen.



4.12.
De rechtbank overweegt namelijk dat op het snijvlak van onderwijs en zorg diverse (zorg)wetten zijn betrokken, te weten de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet, de Jw en de Wet passend onderwijs. Deze wetten kennen ieder een eigen doelgroep en zorgbehoefte, wettelijk kader, zorgvorm, alsmede wijze van inzet op school. Laatstgenoemd onderdeel is van belang bij de beoordeling van deze zaak. Op grond van de Jw is de gemeente verantwoordelijk voor de bekostiging van begeleiding en persoonlijke verzorging op school. Het betreft dan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, die zowel in natura als in de vorm van een pgb kan worden verstrekt. Binnen het passend onderwijs wordt extra onderwijsondersteuning geboden door scholen. Het gaat hierbij om didactische en pedagogische ondersteuning die nodig is om de onderwijsdoelen te bereiken en die door scholen (in natura) wordt geboden.



4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank valt uit verweerders onderzoek op te maken dat de ondersteuning die [schoolnaam 3] aan [minderjarige] heeft geboden niet valt onder de in artikel 2.3 van de Jw genoemde jeugdhulpvoorzieningen in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Het gaat immers om het bereiken van onderwijsdoelen en het is in de eerste plaats aan het bevoegd gezag inzake dat onderwijs om ten aanzien van leerlingen die extra ondersteuning behoeven het onderwijs af te stemmen op de behoeften van de leerling. Dit volgt uit artikel 8, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs. Dit betekent ook dat, op basis van hetgeen thans bekend is geworden, de Jw geen wettelijke grondslag biedt voor de toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening met als doel het realiseren van (passend) onderwijs.



4.14.
Verweerder heeft daarom de aanvraag om een pgb voor ‘parental contribuiton’ mogen afwijzen. Het beroep is ongegrond.



Schadevergoeding





5.1.
Eiser heeft aangevoerd dat [minderjarige] ten onrechte niet heeft kunnen deelnemen aan de bso en de voetbaltraining (bestreden besluiten I en II). [minderjarige] zou hierdoor immateriële schade hebben geleden, bestaande uit zowel lichamelijke als psychische schade. Volgens eiser is [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling en maatschappelijke participatie geschaad doordat hij enkele jaren ten onrechte niet naar de bso en voetbaltraining is kunnen gaan. De aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor [minderjarige] brengt mee dat van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. Eiser verzoekt de rechtbank om de hoogte van de schade vast te stellen.



5.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen, omdat van de gestelde schade niet is gebleken.



5.3.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.



5.4.
Voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in hoeverre immateriële schade moet worden vergoed, wordt (ook) zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.



5.5.
Nog daargelaten dat in deze procedure geen procesbelang is ten aanzien van de bestreden besluiten I en II en de vraag is of de gestelde immateriële schade het gevolg is van onrechtmatige besluiten, heeft eiser met de niet onderbouwde stelling dat sprake is van immateriële schade in ieder geval niet aannemelijk gemaakt dat [minderjarige] daadwerkelijk schade heeft geleden. Eiser heeft op geen enkele wijze nader onderbouwd waaruit de schade zou bestaan, zodat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.



5.6.
Het verzoek om schadevergoeding wordt derhalve afgewezen.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart de beroepen ten aanzien van de bestreden besluit I en II niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep ten aanzien van het bestreden besluit III ongegrond;
- wijst af het verzoek om schadevergoeding.




Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep


Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie de uitspraak van de CRvB van 26 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:224 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/).