Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21753

2026-07-27 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 26/5129
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-27
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
26/5129
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening; opvang

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.856 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrechtzaaknummer: SGR 26/5129


uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juli 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen




[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. A. Roozdar),


en


het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: M. Mos).



Procesverloop


Bij besluit van 1 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van verzoekster om, samen met haar partner [partner] en minderjarige dochter [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2025), toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).



Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2026. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.





Overwegingen

1. Een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Daarvan is in het geval van verzoekster sprake, omdat verzoekster op dit moment bij een kennis verblijft tot 1 augustus 2026 en zij daarna geen opvang heeft.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


3.1.
Verzoekster heeft zich op 19 maart 2026 bij het Daklozenloket gemeld voor het aanvragen van maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college heeft op dezelfde dag verzoekster en haar gezin tijdelijk opgevangen in een hotel. In die periode heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen verzoekster en het college. Op grond van dat gesprek is een Wmo-advies uitgebracht.



3.2.

Uit het Wmo-advies blijkt dat de situatie van verzoekster en haar gezin is besproken aan de hand van de thema’s financiën, werk en opleiding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke en lichamelijke gezondheid, algemene dagelijkse levensverrichtingen, sociaal netwerk, justitie en sociaal emotionele ondersteuning. Volgens het advies is verzoekster zelfredzaam en is er sprake van een huisvestingsprobleem. Zij is in staat om haar dagelijkse leven te organiseren, adequaat te zorgen voor haar zelf en haar gezin en is gemotiveerd om te werken aan een stabiele toekomst. Verzoekster onderneemt actief stappen om inkomen te genereren, waaronder het zoeken naar werk via een uitzendbureau en het uitzoeken of zij in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering (die zij inmiddels ontvangt). Verzoekster heeft de Nederlandse nationaliteit, is bekend met het Nederlandse systeem, maar beheerst de Nederlandse taal onvoldoende. Zij heeft eerder vijf tot zes jaar in [plaats] gewoond en gestudeerd. Verzoekster wil niet terugkeren naar [plaats] , vanwege een eerdere relatie. Er is geen sprake van dreiging door de ex-partner. Ook zoekt verzoekster actief naar een woonplek, door zich onder andere in te schrijven bij Woonnet Haaglanden en te reageren op woningen. Het sociale netwerk kan verzoekster onvoldoende helpen. Uit het onderzoek blijkt dat een algemene of voorliggende voorziening in verzoeksters situatie geen oplossing is. Zij beschikt niet over voldoende inkomen om een woning te huren in de vrije sector en de kans dat zij op korte termijn een sociale huurwoning krijgt via Woonnet Haaglanden is klein. Maatschappelijke opvang wordt ingezet wanneer iemand onvoldoende zelfredzaam is en zonder opvang in een onveilige situatie terechtkomt. In verzoeksters situatie is hiervan geen sprake. Volgens het advies wordt het belang van verzoeksters dochter op dit moment niet geschaad door het afwijzen van maatschappelijke opvang en zijn haar belangen het meest gediend bij een oplossing buiten de opvang, waarbij verzoekster als ouder zelf de verantwoordelijkheid en regie houdt over het creëren van stabiliteit en rust. Daarnaast wordt maatschappelijk herstel buiten de gemeente Den Haag, met name in [plaats] ,
realistischer gezien omdat verzoeksters netwerk daar is.


4. Bij het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar het Wmo-advies,
afwijzend beslist op het verzoek van verzoekster om, samen met haar partner en minderjarige dochter, toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wmo. Het college heeft gedurende het onderzoek tijdelijke opvang geboden in een hotel in de periode van 19 maart 2026 tot 8 mei 2026.

5. Verzoekster verzoekt haar en haar haar gezin gedurende de bezwaarprocedure toe te laten tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft ten onrechte geoordeeld dat verzoekster zelfredzaam is en in staat is om haar woonprobleem op eigen kracht op te lossen. Daarbij heeft het college geen rekening gehouden met de lichamelijke klachten (artrose) van de partner van verzoekster waardoor hij niet in staat is om te werken en de zorgbehoefte van hun kind. Het college stelt ten onrechte dat verzoekster zonder opvang niet in een onveilige situatie terechtkomt. Zo was zij gedwongen om in de auto te slapen. Dit is geen veilige slaapplek voor een minderjarige, en zeker niet op warme dagen. Dit vormt een ernstig ontwikkelingsrisico voor de minderjarige. Verzoekster stelt zich dan ook op het standpunt dat haar aanvraag ten onrechte is afgewezen. Het bestreden besluit heeft onevenredig nadelige gevolgen voor het minderjarige kind van verzoekster en is in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ook bij de belangenafweging miskent het college de zwaarwegende belangen van het minderjarige kind van verzoekster. Het bestreden besluit is tevens onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd.

6. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling van het verzoek.



6.1.
Artikel 1.1.1 van de Wmo definieert opvang als onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.



6.2.
Artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo bepaalt dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.



6.3.
Uit de juistgenoemde bepalingen volgt dat verzoekster alleen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft als gevolg van het feit dat zij niet in staat is zich te handhaven in de samenleving.Die situatie doet zich hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor. Het is weliswaar onbetwist dat verzoekster op dit moment geen eigen woning heeft, maar het is niet aannemelijk dat dat het gevolg is van het feit dat ze niet in staat is in die behoeften te voorzien. Verzoekster heeft immers de Nederlandse nationaliteit en heeft een bijstandsuitkering kunnen regelen. Ter zitting heeft verzoekster naar voren gebracht dat zij en haar partner inmiddels een baan hebben gevonden. Daarnaast heeft verzoekster in de periode van oktober 2025 tot maart 2026 onderdak kunnen regelen en ook nu verblijft zij bij een kennis. Verder is gebleken dat verzoekster heeft gestudeerd en in hotels heeft gewerkt. Verzoekster is – naar eigen zeggen – al sinds oktober 2025 in Nederland en heeft dus ruim 9 maanden de tijd gehad om haar verblijf in Nederland vorm te geven. Hoewel verzoekster de Nederlandse taal onvoldoende spreekt, is zij in staat om haar dagelijkse leven te organiseren en adequaat te zorgen voor haar zelf en haar gezin. Het feit dat verzoekster thans geen onderdak kan vinden is niet het gevolg van problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. Bij verzoekster is sprake van een huisvestingsprobleem door een tekort aan (betaalbare) woonruimte in de door haar gewenste woonregio. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) eerder heeft overwogen, is de Wmo niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden.Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht en op basis van voldoende onderzoek op het standpunt gesteld dat verzoekster zelfredzaam is, en dat om die reden een Wmo-voorziening niet aangewezen is.



6.4.
Ondanks dat verzoekster niet tot de doelgroep van de maatschappelijke opvang behoort kunnen er toch redenen zijn om het college op te dragen haar tot die opvang toe te laten in verband met de zwaarwegende belangen van haar en haar dochter.



6.5.
Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert. Het college is dus niet al op voorhand op die grond verplicht om verzoekster, ondanks haar zelfredzaamheid, opvang te bieden. Wel zal in zaken als deze moeten worden beoordeeld of met het bestreden besluit een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van verzoekster en haar dochter om toegelaten te worden tot die opvang en de publieke belangen die betrokken zijn bij het niet verstrekken van die opvang.



6.6.
Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre dat het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter.



6.7.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van het IVRK rust op de overheid een verplichting om erop toe te zien dat de rechten en belangen van kinderen voldoende worden beschermd en geborgd. Die verplichting neemt niet weg dat het uitgangspunt is dat ouders de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van kinderen, zie artikel 27, tweede lid, van het IVRK. Aan de verplichtingen uit het IVRK is voldaan, omdat de overheid voorziet in een opvangregeling voor gezinnen met minderjarige kinderen die in nood verkeren: de Wmo. Dat betekent niet dat elk gezin met minderjarige kinderen hiervan gebruik kan maken. Het is toegestaan om op grond van publieke belangen (de besteding van publieke middelen en het beschikbaar houden van voldoende opvang voor kwetsbare, niet zelfredzame gezinnen) beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot sociale voorzieningen.



6.8.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college ook voldoende rekening gehouden met de belangen van verzoekster en haar dochter. Anders dan verzoekster aanvoert, volgt uit het Wmo-advies dat het college zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van verzoeksters dochter als hiervoor bedoeld en deze belangen uitgebreid heeft meegewogen. Daarbij is gekeken naar de veiligheid, stabiliteit, gezondheid en ontwikkeling. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat verzoekster, zoals hiervoor overwogen, in principe in staat is zelf aan haar gezinsleven vorm te geven, waardoor ook de belangen van haar dochter zijn gewaarborgd. Daarnaast heeft het college terecht meegewogen dat de Wmo is bedoeld voor personen die onvoldoende zelfredzaam zijn en ondersteuning nodig hebben om te kunnen deelnemen aan de maatschappij, het is niet bedoeld om het woningtekort op te lossen of om opvang te bieden aan personen die voornamelijk een huisvestingsprobleem hebben, maar verder zelfredzaam zijn. Dit betekent dat het verstrekken van opvang aan verzoekster tot gevolg heeft dat andere personen, die niet in staat zijn zichzelf in de samenleving te handhaven, geen gebruik kunnen maken van deze opvang. Ten slotte heeft het college bij zijn belangenafweging mogen betrekken dat verzoeksters dochter nog jong is en er goed voor haar wordt verzorgd. Er zijn geen signalen die wijzen op een onveilige opvoedsituatie of tekortschietende zorg. Ook zijn er geen ontwikkelingsachterstanden vastgesteld en is er geen sprake van acute risico’s voor haar welzijn. Zij is nog niet leerplichtig. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in dit geval op een juiste manier de afweging gemaakt tussen de publieke belangen en de belangen van verzoeksters dochter met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van verzoekster waarbij, wederom, van belang is dat zij zelfredzaam te achten is.

7. De voorzieningenrechter zal het verzoek gelet op het voorgaande afwijzen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.





De griffier is buiten staat


de uitspraak mede


te ondertekenen











griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1797.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931.