Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21752
2026-04-23
Civiel recht
700834
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
kort geding, medewerking overdracht aandeel in gezamenlijke woning
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.645 tekens)
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/700834 / KG ZA 26/240
Vonnis in kort geding van 23 april 2026
in de zaak van
[de man] te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. C.H. Remmelink te Zoetermeer,
tegen:
[de vrouw] te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. E.M. Buijs-van Bemmel te Krimpen aan den IJssel.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15;
- de door de vrouw overgelegde conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 12;
- de door de man overgelegde conclusie van antwoord in reconventie met producties 16 tot en met 18
- de op 9 april 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn op [datum 1] 2010 met elkaar gehuwd. Op [datum 2] 2024 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is vervolgens op 5 november 2024 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke stand van de [gemeente] .
2.2.
Gedurende het huwelijk hebben partijen samen een woning gekocht aan de [adres] (hierna: de woning). Voor de financiering van die woning hebben zij een hypothecaire geldlening afgesloten. Beide partijen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van die lening.
2.3.
In de echtscheidingsbeschikking is de woning voorwaardelijk aan de vrouw toegedeeld. Daarbij is bepaald dat de woning eerst moest worden getaxeerd en dat de vrouw vervolgens binnen drie maanden na die taxatie aan de man moest aantonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde verminderd met de door de taxateur vastgestelde waardestijging als gevolg van de investeringen die zij in de woning heeft gedaan (tot een bedrag van maximaal € 79.811,15) kon overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van hypothecaire geldleningen. Ook is bepaald dat als de vrouw de woning niet zou kunnen overnemen de woning wordt verkocht aan een derde en de over-/onderwaarde (de taxatiewaarde minus de waardevermeerdering (tot maximaal de kosten van de investeringen) minus de hypothecaire geldleningen en minus de taxatie, verkoop en overdrachtskosten) tussen partijen bij helfte wordt gedeeld, dan wel gedragen.
2.4.
In januari 2025 zijn partijen overeengekomen dat de vrouw in verband met de overname van de woning een bedrag van € 150.000 aan de man zal betalen.
2.5.
Op 9 juli 2025 hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling in een door de man gestart kort geding de volgende afspraken gemaakt over de (verdeling van de) woning:
“l. Partijen zullen de notaris gezamenlijk verzoeken een akte van verdeling op te maken met
de volgende inhoud:
a. De voormalige echtelijke woning aan de [adres]
wordt toegedeeld aan de vrouw onder betaling aan de man van een bedrag
van € 150.000,- ten titel van overbedeling, te betalen bij gelegenheid van
levering;
b. De vrouw zal de huidige hypotheek overnemen en de daarbij behorende
rente;
c. De kosten van de leveringsakte komen voor rekening van de vrouw, de kosten
van de akte van verdeling zijn voor beide partijen bij helfte.
d. De vrouw neemt de lening bij de BMP-Paribas als eigen schuld voor haar
rekening;
e. Voor het overige zijn er geen nadere verdelingsposten en kan de
gemeenschap van goederen worden beschouwd als gescheiden en gedeeld na
effectuering van het voorgaande.
2. Ervan uitgaande dat de notaris op korte termijn gelegenheid heeft om de akte verdeling
te passeren, zal de vrouw een termijn worden gegund van twee maanden om de levering
te realiseren. De advocaat van de vrouw zal de advocaat van de man op de hoogte houden
van de ingezette acties jegens de notaris en de hypotheekbank, zodat de voortgang kan
worden bewaakt.”
2.6.
De notaris heeft op 17 juli 2025 een conceptakte van verdeling aan (de advocaten van) partijen toegezonden. In de begeleidende e-mail schrijft hij onder meer het volgende:
“Indien u allen akkoord bent met de inhoud van het concept dan kan het concept door uw cliënte worden toegezonden aan de adviseur/bank voor verdere afhandeling.
Een punt van aandacht is dat de Rabobank als werkwijze heeft dat de bestaande hypotheek moet worden afgelost en worden doorgehaald bij het kadaster. Vervolgens dient er een heel nieuw recht van hypotheek gevestigd te worden ten laste van [de vrouw] . Dit is een ander proces dan dat de meeste banken hanteren waarbij er alleen een akte van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid moet worden ondertekend en de huidige hypotheek verder in stand kan blijven.
Om de bestaande hypotheek te kunnen aflossen en door te halen bij het kadaster heeft de Rabobank een opzegtermijn van 15 werkdagen. Ik dien dan ook uiterlijk 19 augustus aanstaande het verzoek te doen zodat wij binnen de periode van twee maanden kunnen passeren. Van belang is dan ook dat [de vrouw] mij op de hoogte houdt over het proces bij de Rabobank. Wanneer voor haar duidelijk is dat het bij de Rabobank bijna rond is verneem ik dat graag zodat ik het verzoek kan indienen. Nu al een verzoek indienen heeft helaas geen zin omdat de nota van de Rabobank maar een korte geldigheidsduur heeft.”
Naar aanleiding van opmerkingen van de advocaat van de vrouw over de hoogte van de hypothecaire leningen heeft de notaris diezelfde dag nog een gewijzigde concept akte toegestuurd.
2.7.
Eveneens op 17 juli 2025 heeft de advocaat van de vrouw de waarnemer van de advocaat van de man gevraagd de man zo spoedig mogelijk een akkoord te laten geven op de akte. Deze waarnemer heeft in reactie daarop geantwoord dat de akte aan de man is doorgestuurd. Vervolgens heeft de vrouw herhaaldelijk bij de notaris nagevraagd of er al een reactie van de man was ontvangen. Op 21 juli 2025 heeft zij de notaris gevraagd de akte definitief te maken. De notaris heeft toen laten weten dat wat hem betreft de conceptakte kan worden doorgestuurd naar de bank. De man heeft later die dag aan de notaris bericht dat hij eerst overleg wenst te plegen met zijn advocaat.
2.8.
Op 21 augustus 2025 heeft de man via zijn advocaat aan de advocaat van de vrouw laten weten dat hij akkoord gaat met de akte van verdeling. In de toegezonden e-mail schrijft zijn advocaat dat de late accordering het gevolg is van een misverstand aan de zijde van de man in die zin dat hij door de toezending van de conceptakte aan de bank in de veronderstelling verkeerde dat accordering niet meer nodig was.
2.9.
Nadien heeft de vrouw de man bericht dat nu de bank de werkzaamheden heeft beëindigd en de woning opnieuw getaxeerd moet worden, gelet op de door haar ervaren tegenwerking van de man geen andere optie resteert dan verkoop van de woning. Met het oog hierop heeft zij voorgesteld om in het belang van de kinderen de woning pas te verkopen als de jongste dochter van partijen naar de middelbare school gaat. De man heeft hier afwijzend op gereageerd en de vrouw verzocht om op korte termijn mee te werken aan de verkoop van de woning.
2.10.
In december 2025 heeft de vrouw contact gezocht met twee makelaars in verband met verkoop van de woning,
3Het geschil
In conventie
3.1.
De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter:
primair
I. hem machtigt om namens de vrouw de woning in de verkoop te zetten, de onderhandelingen te voeren over de verkoop en tot verkoop en levering van de woning over te gaan.
subsidiair
II. bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de volmacht van de vrouw
meer subsidiair
III. bepaalt dat de vrouw gehouden is haar medewerking te verlenen aan het in de verkoop zetten van de woning op straffe van verbeurte van een dwangsom
IV. bepaalt dat de man gevolmachtigd is om namens de vrouw onderhandelingen te voeren over de verkoop
V. bepaalt dat de vrouw gehouden is om haar medewerking te verlenen aan het ondertekenen van de verkoop- en leveringsakte op straffe van verbeurte van een dwangsom
in alle gevallen
VI. de vrouw veroordeelt om haar medewerking te verlenen aan bezichtigingen van de woning en in dat verband de woning in goede staat, schoon en opgeruimd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
VII. de vrouw veroordeelt om uiterlijk twee dagen voor de met de koper overeengekomen leveringsdatum de woning te ontruimen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
VIII. de vrouw veroordeelt tot betaling van een woonvergoeding van € 600 per maand, zijnde de helft van de maandelijkse hypotheeklasten;
IX. de vrouw veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Omdat de relatie tussen partijen is beëindigd en de man niet woonachtig is in de woning, bestaat er geen belang meer bij voortzetting van de gemeenschap. De man wil die gemeenschap dan ook verdelen. Dat komt er gelet op het door de rechtbank voorgeschreven spoorboekje in dit geval op neer dat de woning moet worden verkocht, nu de vrouw niet heeft aangetoond dat zij in staat is tot overname van de woning met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.
3.3.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter:
primair
i. de man veroordeelt om zijn medewerking te verlenen aan:
- de notariële levering van de woning aan de vrouw tegen betaling door de vrouw aan de man van een bedrag van € 150.000,
- de overname van de hypothecaire geldleningen door de vrouw,
- het verlijden van de door de notaris op te stellen akte van verdeling
op straffe van verbeurte van een dwangsom
ii. bepaalt dat het te wijzen vonnis in de plaatst treedt van de handtekening van de man waar nodig indien de man weigert aan de gevorderde veroordelingen te voldoen;
subsidiair
iii. bepaalt dat de woning eerst vanaf september 2028 te koop zal worden aangeboden;
meer subsidiair
iv. de man veroordeelt om aan de vrouw een bedrag van € 10.160,05 te voldoen, zijnde 50% van de door de vrouw gemaakte kosten voor de aanleg van de tuin en 50% van de door de vrouw gemaakte kosten voor het afmaken van de badkamers en het schilderen van de trappen ten behoeve van het verkoopklaar maken van de woning, welk bedrag dient te worden verrekend met de aan de man toekomende overwaarde van de woning conform de echtscheidingsbeschikking van [datum 2] 2024;
in alle gevallen
v. de man veroordeelt in de proceskosten.
3.5.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. Tussen partijen is overeenstemming bereikt over de essentialia van de toedeling van de woning aan de vrouw. Dit is vastgelegd in het proces-verbaal van 9 juli 2025. De man heeft er willens en wetens voor gekozen om niet (tijdig) mee te werken aan de uitvoering van de afspraken die in het proces-verbaal zijn opgenomen. Dat laat volgens de vrouw onverlet dat zij nog steeds nakoming van die afspraken kan afdwingen, nu de vaststellingsovereenkomst niet is ontbonden of vernietigd. Voor zover zij hierin niet wordt gevolgd, meent de vrouw dat er aanleiding bestaat om te wachten met de verkoop totdat de jongste dochter van partijen naar de middelbare school gaat. Als volgens de voorzieningenrechter wel tot directe verkoop moet worden overgegaan, stelt de vrouw dat de man aan haar de helft van de kosten voor het verkoopklaar maken van de woning moet betalen.
4De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat er duidelijkheid moet komen over de woning en dat de gemeenschap die nog altijd tussen partijen bestaat (financieel) afgewikkeld moet worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gelden de in de echtscheidingsbeschikking vastgestelde wijze van verdeling en de nadien tussen partijen daarover gemaakte nadere afspraken daarbij al uitgangspunt.
4.2.
In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld onder de voorwaarde van dat zij aantoont dat zij in staat is de woning tegen de getaxeerde waarde te financieren met ontslag van de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning gekoppelde hypothecaire lening. Tijdens de kortgedingzitting van 9 juli 2025 hebben partijen in verband met die toedeling nadere afspraken gemaakt, waaronder de afspraak dat de vrouw een bedrag van € 150.000 aan de man zal betalen ten titel van overbedeling. Anders dan de man stelt, staat niet vast dat aan deze wijze van verdeling geen uitvoering kan worden gegeven en dat de woning daarom - overeenkomstig het door de rechtbank vastgestelde spoorboekje – moet worden verkocht. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het akkoord van de man op de door de notaris opgestelde conceptakte van verdeling eerst na 19 augustus 2025 kwam – wat daar verder ook van zij –, zij van de bank niet tijdig (definitief) uitsluitsel heeft kunnen krijgen over de vraag of zij voldoende financiering kon krijgen om te voldoen aan de afspraken zoals vastgelegd in het proces-verbaal van 9 juli 2025. Door de stress die de hele gang van zaken bij haar teweegbracht heeft zij, zo heeft zij ter zitting verklaard, er destijds voor gekozen om niet opnieuw een financieringsaanvraag te doen en ook omdat zij dan opnieuw kosten zou moeten maken voor onder andere een taxatie. De vrouw heeft er in dit kort geding echter blijk van gegeven dat zij alsnog de woning wenst over te nemen. Nu de man niet voldoende gemotiveerd heeft betwist dat de vrouw daartoe in staat is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om haar voor een laatste maal in de gelegenheid te stellen om alsnog de overname overeenkomstig de door partijen op 9 juli 2025 gemaakte afspraken te bewerkstelligen. Aan haar zal daarvoor een termijn van drie maanden vanaf de datum van dit vonnis worden gegund. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de eerder door de rechtbank in de echtscheidingsbeschikking vastgestelde termijn. Een en ander brengt mee dat de daarop gerichte primaire vorderingen van de vrouw zullen worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum wordt vermeld.
4.3.
De voorzieningenrechter zal een voorziening treffen ex artikel 3:300 lid 2 BW zodat de vrouw de overname kan bewerkstelligen in het geval de man niet voldoet aan hetgeen waartoe hij in dit vonnis wordt veroordeeld. Dat de vrouw daarnaast ook belang heeft bij oplegging van een dwangsom heeft zij onvoldoende toegelicht.
4.4.
Als de vrouw toch niet in staat zal blijken om de woning over te nemen, zal, zoals in de echtscheidingsbeschikking is bepaald, de woning moeten worden verkocht aan een derde. Daarbij gelden de uitgangspunten zoals die door de rechtbank in die beschikking zijn bepaald, met inachtneming van het volgende. Uit dat wat de vrouw in haar conclusie van antwoord in conventie heeft aangevoerd, leidt de voorzieningenrechter af dat de vrouw de voorkeur geeft aan een andere makelaar dan de (in de dagvaarding genoemde) makelaar die partijen naar aanleiding van de echtscheidingsbeschikking hebben ingeschakeld voor de taxatie van de woning. De man heeft tijdens de zitting kenbaar heeft gemaakt dat hij geen voorkeur heeft voor de door hem genoemde makelaar, maar dat hij het vooral belangrijk vindt dat een makelaar wordt aangewezen zodat daarover geen discussie kan bestaan. De voorzieningen-rechter zal daarom een van de in december 2025 door de vrouw benaderde makelaars, te weten De Makelaars te [plaats] , aanwijzen als de makelaar aan wie de verkoopopdracht zal worden gegeven. Die opdracht wordt gegeven binnen één week nadat de in 4.2 genoemde termijn van drie maanden is verstreken. Voor het overige geldt het in de echtscheidingsbeschikking bepaalde ten aanzien van de verkoop en levering van de woning en de verdeling van de over-/onderwaarde onverkort.
4.5.
De vrouw heeft er geen blijk van gegeven dat zij, als zij niet in staat is de woning over te nemen, niet mee zal werken aan de verkoop van de woning aan een derde. De gevorderde machtiging alsook de overige vorderingen van de man gericht op de medewerking van de vrouw aan verkoop en levering van de woning zullen dan ook worden afgewezen.
4.6.
De voorzieningenrechter ziet daarnaast ook geen aanleiding om de vrouw te veroordelen tot betaling van een woonvergoeding. Uit de ter zitting gegeven onderbouwing van de daartoe strekkende vordering leidt de voorzieningenrechter af dat de man vreest dat de vrouw de betaling van de maandelijkse hypotheeklasten zal staken. Op geen enkele manier is gebleken dat die vrees terecht is.
4.7.
Hoewel gelet op het voorgaande op de meer subsidiaire vordering van de vrouw niet hoeft te worden beslist, merkt de voorzieningenrechter met het oog op de (financiële) afwikkeling van de gemeenschap ten overvloede daarover het volgende op. De vrouw stelt dat zij kosten heeft gemaakt voor de aanleg van de tuin van de woning en voor het afmaken van de badkamers en het schilderen van twee trappen. Ter onderbouwing van die stelling heeft zij verschillende facturen overgelegd. Ook als, zoals de man stelt, niet al deze kosten zien op het verkoopklaar maken van de woning, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat de verrichte werkzaamheden een positieve invloed hebben op de waarde van de woning. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook redelijk dat de man bij verkoop van de woning de helft van die kosten, waarvan de hoogte de voorzieningenrechter niet onredelijk voorkomt, aan de vrouw vergoedt. Overigens zal de vrouw in dat geval nog wel moeten aantonen dat de kosten voor de badkamers en de trappen daadwerkelijk zijn gemaakt, nu de facturen alleen zien op de aanleg van de tuin.
4.8.
In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
5.1.
bepaalt dat de vrouw tot uiterlijk 23 juli 2026 de gelegenheid krijgt om het aandeel van de man in de woning aan de [adres] over te nemen onder de voorwaarden zoals vermeld onder 1. a. tot en met e. van het proces-verbaal van 9 juni 2025;
5.2.
veroordeelt de man om op eerste schriftelijk verzoek van de vrouw daartoe zijn volledige medewerking te verlenen aan (i) de notariële levering van zijn aandeel in voornoemde woning aan de vrouw, (ii) de overname van de aan de woning verbonden hypothecaire lening door de vrouw, en (iii) het verlijden van een door de notaris op te stellen akte van verdeling conform het proces-verbaal van 9 juni 2025;
5.3.
bepaalt dat als de man niet voldoet aan de veroordeling onder 5.2. dit vonnis in de plaats treedt van het deel van de notariële akte van levering, de notariële akte van verdeling en andere ten behoeve van de levering benodigde documenten, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man;
5.4.
bepaalt dat als de vrouw niet in staat blijkt om uiterlijk op de in 5.1 bepaalde datum het aandeel van de man in de woning over te nemen, de woning zal worden verkocht aan een derde, waarbij geldt dat:
- partijen binnen één week na die datum aan De Makelaars te [plaats] gezamenlijk opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde;
- deze makelaar – als partijen het niet eens zijn – bindend adviseert over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
- de over-, dan wel onderwaarde tussen partijen wordt gedeeld, dan wel gedragen op de wijze zoals bepaald in de echtscheidingsbeschikking van [datum 2] 2024;
- partijen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking verlenen aan de notariële overdracht van de woning;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
EI
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/700834 / KG ZA 26/240
Vonnis in kort geding van 23 april 2026
in de zaak van
[de man] te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. C.H. Remmelink te Zoetermeer,
tegen:
[de vrouw] te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. E.M. Buijs-van Bemmel te Krimpen aan den IJssel.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15;
- de door de vrouw overgelegde conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 12;
- de door de man overgelegde conclusie van antwoord in reconventie met producties 16 tot en met 18
- de op 9 april 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn op [datum 1] 2010 met elkaar gehuwd. Op [datum 2] 2024 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is vervolgens op 5 november 2024 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke stand van de [gemeente] .
2.2.
Gedurende het huwelijk hebben partijen samen een woning gekocht aan de [adres] (hierna: de woning). Voor de financiering van die woning hebben zij een hypothecaire geldlening afgesloten. Beide partijen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van die lening.
2.3.
In de echtscheidingsbeschikking is de woning voorwaardelijk aan de vrouw toegedeeld. Daarbij is bepaald dat de woning eerst moest worden getaxeerd en dat de vrouw vervolgens binnen drie maanden na die taxatie aan de man moest aantonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde verminderd met de door de taxateur vastgestelde waardestijging als gevolg van de investeringen die zij in de woning heeft gedaan (tot een bedrag van maximaal € 79.811,15) kon overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van hypothecaire geldleningen. Ook is bepaald dat als de vrouw de woning niet zou kunnen overnemen de woning wordt verkocht aan een derde en de over-/onderwaarde (de taxatiewaarde minus de waardevermeerdering (tot maximaal de kosten van de investeringen) minus de hypothecaire geldleningen en minus de taxatie, verkoop en overdrachtskosten) tussen partijen bij helfte wordt gedeeld, dan wel gedragen.
2.4.
In januari 2025 zijn partijen overeengekomen dat de vrouw in verband met de overname van de woning een bedrag van € 150.000 aan de man zal betalen.
2.5.
Op 9 juli 2025 hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling in een door de man gestart kort geding de volgende afspraken gemaakt over de (verdeling van de) woning:
“l. Partijen zullen de notaris gezamenlijk verzoeken een akte van verdeling op te maken met
de volgende inhoud:
a. De voormalige echtelijke woning aan de [adres]
wordt toegedeeld aan de vrouw onder betaling aan de man van een bedrag
van € 150.000,- ten titel van overbedeling, te betalen bij gelegenheid van
levering;
b. De vrouw zal de huidige hypotheek overnemen en de daarbij behorende
rente;
c. De kosten van de leveringsakte komen voor rekening van de vrouw, de kosten
van de akte van verdeling zijn voor beide partijen bij helfte.
d. De vrouw neemt de lening bij de BMP-Paribas als eigen schuld voor haar
rekening;
e. Voor het overige zijn er geen nadere verdelingsposten en kan de
gemeenschap van goederen worden beschouwd als gescheiden en gedeeld na
effectuering van het voorgaande.
2. Ervan uitgaande dat de notaris op korte termijn gelegenheid heeft om de akte verdeling
te passeren, zal de vrouw een termijn worden gegund van twee maanden om de levering
te realiseren. De advocaat van de vrouw zal de advocaat van de man op de hoogte houden
van de ingezette acties jegens de notaris en de hypotheekbank, zodat de voortgang kan
worden bewaakt.”
2.6.
De notaris heeft op 17 juli 2025 een conceptakte van verdeling aan (de advocaten van) partijen toegezonden. In de begeleidende e-mail schrijft hij onder meer het volgende:
“Indien u allen akkoord bent met de inhoud van het concept dan kan het concept door uw cliënte worden toegezonden aan de adviseur/bank voor verdere afhandeling.
Een punt van aandacht is dat de Rabobank als werkwijze heeft dat de bestaande hypotheek moet worden afgelost en worden doorgehaald bij het kadaster. Vervolgens dient er een heel nieuw recht van hypotheek gevestigd te worden ten laste van [de vrouw] . Dit is een ander proces dan dat de meeste banken hanteren waarbij er alleen een akte van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid moet worden ondertekend en de huidige hypotheek verder in stand kan blijven.
Om de bestaande hypotheek te kunnen aflossen en door te halen bij het kadaster heeft de Rabobank een opzegtermijn van 15 werkdagen. Ik dien dan ook uiterlijk 19 augustus aanstaande het verzoek te doen zodat wij binnen de periode van twee maanden kunnen passeren. Van belang is dan ook dat [de vrouw] mij op de hoogte houdt over het proces bij de Rabobank. Wanneer voor haar duidelijk is dat het bij de Rabobank bijna rond is verneem ik dat graag zodat ik het verzoek kan indienen. Nu al een verzoek indienen heeft helaas geen zin omdat de nota van de Rabobank maar een korte geldigheidsduur heeft.”
Naar aanleiding van opmerkingen van de advocaat van de vrouw over de hoogte van de hypothecaire leningen heeft de notaris diezelfde dag nog een gewijzigde concept akte toegestuurd.
2.7.
Eveneens op 17 juli 2025 heeft de advocaat van de vrouw de waarnemer van de advocaat van de man gevraagd de man zo spoedig mogelijk een akkoord te laten geven op de akte. Deze waarnemer heeft in reactie daarop geantwoord dat de akte aan de man is doorgestuurd. Vervolgens heeft de vrouw herhaaldelijk bij de notaris nagevraagd of er al een reactie van de man was ontvangen. Op 21 juli 2025 heeft zij de notaris gevraagd de akte definitief te maken. De notaris heeft toen laten weten dat wat hem betreft de conceptakte kan worden doorgestuurd naar de bank. De man heeft later die dag aan de notaris bericht dat hij eerst overleg wenst te plegen met zijn advocaat.
2.8.
Op 21 augustus 2025 heeft de man via zijn advocaat aan de advocaat van de vrouw laten weten dat hij akkoord gaat met de akte van verdeling. In de toegezonden e-mail schrijft zijn advocaat dat de late accordering het gevolg is van een misverstand aan de zijde van de man in die zin dat hij door de toezending van de conceptakte aan de bank in de veronderstelling verkeerde dat accordering niet meer nodig was.
2.9.
Nadien heeft de vrouw de man bericht dat nu de bank de werkzaamheden heeft beëindigd en de woning opnieuw getaxeerd moet worden, gelet op de door haar ervaren tegenwerking van de man geen andere optie resteert dan verkoop van de woning. Met het oog hierop heeft zij voorgesteld om in het belang van de kinderen de woning pas te verkopen als de jongste dochter van partijen naar de middelbare school gaat. De man heeft hier afwijzend op gereageerd en de vrouw verzocht om op korte termijn mee te werken aan de verkoop van de woning.
2.10.
In december 2025 heeft de vrouw contact gezocht met twee makelaars in verband met verkoop van de woning,
3Het geschil
In conventie
3.1.
De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter:
primair
I. hem machtigt om namens de vrouw de woning in de verkoop te zetten, de onderhandelingen te voeren over de verkoop en tot verkoop en levering van de woning over te gaan.
subsidiair
II. bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de volmacht van de vrouw
meer subsidiair
III. bepaalt dat de vrouw gehouden is haar medewerking te verlenen aan het in de verkoop zetten van de woning op straffe van verbeurte van een dwangsom
IV. bepaalt dat de man gevolmachtigd is om namens de vrouw onderhandelingen te voeren over de verkoop
V. bepaalt dat de vrouw gehouden is om haar medewerking te verlenen aan het ondertekenen van de verkoop- en leveringsakte op straffe van verbeurte van een dwangsom
in alle gevallen
VI. de vrouw veroordeelt om haar medewerking te verlenen aan bezichtigingen van de woning en in dat verband de woning in goede staat, schoon en opgeruimd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
VII. de vrouw veroordeelt om uiterlijk twee dagen voor de met de koper overeengekomen leveringsdatum de woning te ontruimen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
VIII. de vrouw veroordeelt tot betaling van een woonvergoeding van € 600 per maand, zijnde de helft van de maandelijkse hypotheeklasten;
IX. de vrouw veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Omdat de relatie tussen partijen is beëindigd en de man niet woonachtig is in de woning, bestaat er geen belang meer bij voortzetting van de gemeenschap. De man wil die gemeenschap dan ook verdelen. Dat komt er gelet op het door de rechtbank voorgeschreven spoorboekje in dit geval op neer dat de woning moet worden verkocht, nu de vrouw niet heeft aangetoond dat zij in staat is tot overname van de woning met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.
3.3.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter:
primair
i. de man veroordeelt om zijn medewerking te verlenen aan:
- de notariële levering van de woning aan de vrouw tegen betaling door de vrouw aan de man van een bedrag van € 150.000,
- de overname van de hypothecaire geldleningen door de vrouw,
- het verlijden van de door de notaris op te stellen akte van verdeling
op straffe van verbeurte van een dwangsom
ii. bepaalt dat het te wijzen vonnis in de plaatst treedt van de handtekening van de man waar nodig indien de man weigert aan de gevorderde veroordelingen te voldoen;
subsidiair
iii. bepaalt dat de woning eerst vanaf september 2028 te koop zal worden aangeboden;
meer subsidiair
iv. de man veroordeelt om aan de vrouw een bedrag van € 10.160,05 te voldoen, zijnde 50% van de door de vrouw gemaakte kosten voor de aanleg van de tuin en 50% van de door de vrouw gemaakte kosten voor het afmaken van de badkamers en het schilderen van de trappen ten behoeve van het verkoopklaar maken van de woning, welk bedrag dient te worden verrekend met de aan de man toekomende overwaarde van de woning conform de echtscheidingsbeschikking van [datum 2] 2024;
in alle gevallen
v. de man veroordeelt in de proceskosten.
3.5.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. Tussen partijen is overeenstemming bereikt over de essentialia van de toedeling van de woning aan de vrouw. Dit is vastgelegd in het proces-verbaal van 9 juli 2025. De man heeft er willens en wetens voor gekozen om niet (tijdig) mee te werken aan de uitvoering van de afspraken die in het proces-verbaal zijn opgenomen. Dat laat volgens de vrouw onverlet dat zij nog steeds nakoming van die afspraken kan afdwingen, nu de vaststellingsovereenkomst niet is ontbonden of vernietigd. Voor zover zij hierin niet wordt gevolgd, meent de vrouw dat er aanleiding bestaat om te wachten met de verkoop totdat de jongste dochter van partijen naar de middelbare school gaat. Als volgens de voorzieningenrechter wel tot directe verkoop moet worden overgegaan, stelt de vrouw dat de man aan haar de helft van de kosten voor het verkoopklaar maken van de woning moet betalen.
4De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat er duidelijkheid moet komen over de woning en dat de gemeenschap die nog altijd tussen partijen bestaat (financieel) afgewikkeld moet worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gelden de in de echtscheidingsbeschikking vastgestelde wijze van verdeling en de nadien tussen partijen daarover gemaakte nadere afspraken daarbij al uitgangspunt.
4.2.
In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld onder de voorwaarde van dat zij aantoont dat zij in staat is de woning tegen de getaxeerde waarde te financieren met ontslag van de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning gekoppelde hypothecaire lening. Tijdens de kortgedingzitting van 9 juli 2025 hebben partijen in verband met die toedeling nadere afspraken gemaakt, waaronder de afspraak dat de vrouw een bedrag van € 150.000 aan de man zal betalen ten titel van overbedeling. Anders dan de man stelt, staat niet vast dat aan deze wijze van verdeling geen uitvoering kan worden gegeven en dat de woning daarom - overeenkomstig het door de rechtbank vastgestelde spoorboekje – moet worden verkocht. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het akkoord van de man op de door de notaris opgestelde conceptakte van verdeling eerst na 19 augustus 2025 kwam – wat daar verder ook van zij –, zij van de bank niet tijdig (definitief) uitsluitsel heeft kunnen krijgen over de vraag of zij voldoende financiering kon krijgen om te voldoen aan de afspraken zoals vastgelegd in het proces-verbaal van 9 juli 2025. Door de stress die de hele gang van zaken bij haar teweegbracht heeft zij, zo heeft zij ter zitting verklaard, er destijds voor gekozen om niet opnieuw een financieringsaanvraag te doen en ook omdat zij dan opnieuw kosten zou moeten maken voor onder andere een taxatie. De vrouw heeft er in dit kort geding echter blijk van gegeven dat zij alsnog de woning wenst over te nemen. Nu de man niet voldoende gemotiveerd heeft betwist dat de vrouw daartoe in staat is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om haar voor een laatste maal in de gelegenheid te stellen om alsnog de overname overeenkomstig de door partijen op 9 juli 2025 gemaakte afspraken te bewerkstelligen. Aan haar zal daarvoor een termijn van drie maanden vanaf de datum van dit vonnis worden gegund. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de eerder door de rechtbank in de echtscheidingsbeschikking vastgestelde termijn. Een en ander brengt mee dat de daarop gerichte primaire vorderingen van de vrouw zullen worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum wordt vermeld.
4.3.
De voorzieningenrechter zal een voorziening treffen ex artikel 3:300 lid 2 BW zodat de vrouw de overname kan bewerkstelligen in het geval de man niet voldoet aan hetgeen waartoe hij in dit vonnis wordt veroordeeld. Dat de vrouw daarnaast ook belang heeft bij oplegging van een dwangsom heeft zij onvoldoende toegelicht.
4.4.
Als de vrouw toch niet in staat zal blijken om de woning over te nemen, zal, zoals in de echtscheidingsbeschikking is bepaald, de woning moeten worden verkocht aan een derde. Daarbij gelden de uitgangspunten zoals die door de rechtbank in die beschikking zijn bepaald, met inachtneming van het volgende. Uit dat wat de vrouw in haar conclusie van antwoord in conventie heeft aangevoerd, leidt de voorzieningenrechter af dat de vrouw de voorkeur geeft aan een andere makelaar dan de (in de dagvaarding genoemde) makelaar die partijen naar aanleiding van de echtscheidingsbeschikking hebben ingeschakeld voor de taxatie van de woning. De man heeft tijdens de zitting kenbaar heeft gemaakt dat hij geen voorkeur heeft voor de door hem genoemde makelaar, maar dat hij het vooral belangrijk vindt dat een makelaar wordt aangewezen zodat daarover geen discussie kan bestaan. De voorzieningen-rechter zal daarom een van de in december 2025 door de vrouw benaderde makelaars, te weten De Makelaars te [plaats] , aanwijzen als de makelaar aan wie de verkoopopdracht zal worden gegeven. Die opdracht wordt gegeven binnen één week nadat de in 4.2 genoemde termijn van drie maanden is verstreken. Voor het overige geldt het in de echtscheidingsbeschikking bepaalde ten aanzien van de verkoop en levering van de woning en de verdeling van de over-/onderwaarde onverkort.
4.5.
De vrouw heeft er geen blijk van gegeven dat zij, als zij niet in staat is de woning over te nemen, niet mee zal werken aan de verkoop van de woning aan een derde. De gevorderde machtiging alsook de overige vorderingen van de man gericht op de medewerking van de vrouw aan verkoop en levering van de woning zullen dan ook worden afgewezen.
4.6.
De voorzieningenrechter ziet daarnaast ook geen aanleiding om de vrouw te veroordelen tot betaling van een woonvergoeding. Uit de ter zitting gegeven onderbouwing van de daartoe strekkende vordering leidt de voorzieningenrechter af dat de man vreest dat de vrouw de betaling van de maandelijkse hypotheeklasten zal staken. Op geen enkele manier is gebleken dat die vrees terecht is.
4.7.
Hoewel gelet op het voorgaande op de meer subsidiaire vordering van de vrouw niet hoeft te worden beslist, merkt de voorzieningenrechter met het oog op de (financiële) afwikkeling van de gemeenschap ten overvloede daarover het volgende op. De vrouw stelt dat zij kosten heeft gemaakt voor de aanleg van de tuin van de woning en voor het afmaken van de badkamers en het schilderen van twee trappen. Ter onderbouwing van die stelling heeft zij verschillende facturen overgelegd. Ook als, zoals de man stelt, niet al deze kosten zien op het verkoopklaar maken van de woning, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat de verrichte werkzaamheden een positieve invloed hebben op de waarde van de woning. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook redelijk dat de man bij verkoop van de woning de helft van die kosten, waarvan de hoogte de voorzieningenrechter niet onredelijk voorkomt, aan de vrouw vergoedt. Overigens zal de vrouw in dat geval nog wel moeten aantonen dat de kosten voor de badkamers en de trappen daadwerkelijk zijn gemaakt, nu de facturen alleen zien op de aanleg van de tuin.
4.8.
In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
5.1.
bepaalt dat de vrouw tot uiterlijk 23 juli 2026 de gelegenheid krijgt om het aandeel van de man in de woning aan de [adres] over te nemen onder de voorwaarden zoals vermeld onder 1. a. tot en met e. van het proces-verbaal van 9 juni 2025;
5.2.
veroordeelt de man om op eerste schriftelijk verzoek van de vrouw daartoe zijn volledige medewerking te verlenen aan (i) de notariële levering van zijn aandeel in voornoemde woning aan de vrouw, (ii) de overname van de aan de woning verbonden hypothecaire lening door de vrouw, en (iii) het verlijden van een door de notaris op te stellen akte van verdeling conform het proces-verbaal van 9 juni 2025;
5.3.
bepaalt dat als de man niet voldoet aan de veroordeling onder 5.2. dit vonnis in de plaats treedt van het deel van de notariële akte van levering, de notariële akte van verdeling en andere ten behoeve van de levering benodigde documenten, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man;
5.4.
bepaalt dat als de vrouw niet in staat blijkt om uiterlijk op de in 5.1 bepaalde datum het aandeel van de man in de woning over te nemen, de woning zal worden verkocht aan een derde, waarbij geldt dat:
- partijen binnen één week na die datum aan De Makelaars te [plaats] gezamenlijk opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde;
- deze makelaar – als partijen het niet eens zijn – bindend adviseert over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
- de over-, dan wel onderwaarde tussen partijen wordt gedeeld, dan wel gedragen op de wijze zoals bepaald in de echtscheidingsbeschikking van [datum 2] 2024;
- partijen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking verlenen aan de notariële overdracht van de woning;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
EI