Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21750
2026-06-15
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
26/3811
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
voorlopige voorziening
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2025:1797 Centrale Raad van Beroep 04-12-2025
- ECLI:NL:CRVB:2023:1931 Centrale Raad van Beroep 18-10-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.848 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3811
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. Y. Spijker),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigden: mr. E.H. Buizert en [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 30 april 2026 (het bestreden besluit) heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van verzoekster om voor zichzelf en haar minderjarige kind, toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en een tolk in de Spaanse taal, J.M. van Schaik. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Ter zitting is besproken dat de opvang wordt verlengd tot een dag na de uitspraak.
Overwegingen
1. Een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Daarvan is in het geval van verzoekster sprake. Op dit moment verblijft verzoekster samen met haar minderjarige kind ([minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022) in een opvanglocatie van het college. Omdat zij de opvang moeten verlaten heeft verzoekster spoedeisend belang.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1.
Verzoekster heeft zich op 24 maart 2026 bij het Daklozenloket gemeld voor het aanvragen van maatschappelijke opvang op grond van de Wmo.
3.2.
Verzoekster is bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een procedure gestart om bij een EU-onderdaan, zijnde haar vader, te mogen verblijven. Sinds 2 april 2026 staat verzoekster bij de IND geregistreerd met code 30. De gemachtigde van het college heeft de vraag opgeworpen in hoeverre maatschappelijk opvang noodzakelijk is nu verzoekster kennelijk bij een EU-onderdaan kan verblijven. De voorzieningenrechter merkt op dat dit geen onderdeel is van de besluitvorming die thans voorligt, maar dat dit wel vragen oproept die in de bezwaarfase verder uitgezocht moeten worden.
3.3.
In het Wmo-advies van 30 april 2026 staat onder andere dat verzoekster in november 2022 naar Nederland is gekomen (de voorzieningenrechter begrijpt: 11 augustus 2022). Verzoekster woonde daarvoor met haar oudste dochter bij haar moeder in [land]. In [land] heeft verzoekster de basisschool afgerond. Haar vervolgstudie aan de universiteit heeft ze niet afgerond. Na aankomst in Nederland is verzoekster bij haar vader en stiefmoeder gaan wonen en op [datum] is zij bevallen van haar jongste dochter. Daarna is verzoekster bij haar (inmiddels ex-) partner ingetrokken. Ze woonde daar samen met haar jongste dochter, de ex-partner en zijn twee zonen. Verzoekster werkt 16 uur per week in een restaurant en heeft een inkomen van € 938,- per maand. Verzoekster ervaart stress door de situatie en slaapt daardoor slecht. Zij wil hierover praten met een psycholoog en heeft aangegeven geen ondersteuning van het college daarbij nodig te hebben. Verzoekster en haar dochter zijn verder lichamelijk gezond. Zij hebben een Europese Health Insurancecard. Verzoekster is zelfstandig in het uitvoeren van haar zaken. Zo heeft zij zelf contact opgenomen met de IND omdat haar verblijfsvergunning was verlopen. Het netwerk in Nederland bestaat uit een vriendin, een collega, haar stiefmoeder en mensen die verzoekster van werk kent. In [land] heeft verzoekster een netwerk bestaande uit familie en vrienden. De dochter is drie jaar en gaat 5 (halve) dagen naar de peuterspeelzaal. Het zusje van verzoekster en een vriendin passen op de dochter. Volgens het advies heeft verzoekster een huisvestingsprobleem en kan zij haar hulpvraag oplossen vanuit haar eigen kracht. Nadat verzoekster uit huis was gezet door haar ex-partner verbleef zij in haar netwerk. Er zijn geen belemmeringen die maken dat verzoekster niet zelfstandig kan zoeken naar een passende woonruimte. Verzoekster is zelfredzaam. Haar jongste dochter is opgegroeid in Nederland en gaat naar de peuterspeelzaal. Ze spreekt Nederlands en Spaans. Sinds april 2026 verblijven ze in de gezinsopvang van het Daklozenloket. Dit is een tijdelijke opvang in een kleine kamer. Er is geen perspectief op uitstroom naar een zelfstandige woning omdat verzoekster drie maanden staat ingeschreven bij Woonnet Haaglanden. Volgens het advies zijn ook de belangen van afgewogen. Verzoekster is naar Nederland gekomen voor een betere toekomst. Teruggaan naar [land] is voor haar geen optie, omdat haar kind in Nederland een betere toekomst kan krijgen, aldus verzoekster. Daarnaast is maatschappelijk opvang niet in het belang van haar dochter volgens het advies, omdat de opvang geen stabiele en veilige woonomgeving biedt die aansluit bij haar ontwikkelingsbehoeften. Het belang van het college is om de maatschappelijk opvang te bieden voor inwoners die niet zelfredzaam zijn en die naast woonruimte ook ondersteuning nodig hebben en weegt in deze situatie zwaarder.
Na afweging van alle belangen komt uit het advies naar voren dat maatschappelijke opvang niet noodzakelijk is. De hulpvraag betreft een huisvestingsprobleem dat verzoekster op eigen kracht kan oplossen.
4. Bij het bestreden besluit heeft het college het verzoek om te worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang afgewezen op de grond dat verzoekster zelfredzaam is en verzoekster in staat is om op eigen kracht haar huisvestigingsprobleem op te lossen.
5. Verzoekster verzoekt om schorsing van het bestreden besluit tot de beslissing op het bezwaar en om voortzetting van de opvang voor verzoekster en haar kind. Verzoekster voert aan dat het college geen onderzoek heeft gedaan naar de medisch situatie van verzoekster en dat er geen deugdelijke belangenafweging is gemaakt. Dakloosheid van een driejarig kind is disproportioneel en de voorzieningenrechter dient in te grijpen om acute dakloosheid en gezondheidsschade te voorkomen.
6. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling van het verzoek.
6.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het onderzoek van het college zorgvuldig geweest. Blijkens het advies is onder meer onderzoek gedaan naar verzoeksters financiën, werk en opleiding, huisvesting, lichamelijke- en geestelijke gezondheid, algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL), sociaal netwerk en maatschappelijke participatie. Verzoekster heeft tijdens het gesprek aangegeven dat ze geen ondersteuning nodig heeft op medisch gebied. Ter zitting heeft verzoekster gesteld dat er sprake is van psychische problematiek en dat uit het gespreksverslag van 30 april 2026 daarvan niet blijkt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet heeft onderbouwd waaruit haar psychische problemen bestaat en welke hulp zij daarvoor inmiddels heeft ingeschakeld. Ook is bij het onderzoek de belangen van de dochter van verzoekster betrokken. Daarmee is voldoende in kaart gebracht wat de persoonlijke omstandigheden van verzoekster zijn en waar haar hulpvraag ligt.
Zelfredzaamheid
6.2.
Artikel 1.1.1 van de Wmo definieert opvang als onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
6.3.
Artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo bepaalt dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
6.4.
Uit de bovenstaande bepalingen volgt dat verzoekster alleen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft als gevolg van het feit dat zij niet in staat is zich te handhaven in de samenleving.Die situatie doet zich hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor. Tijdens het gesprek dat ten grondslag ligt aan het Wmo-advies heeft verzoekster verklaard dat zij sinds haar aankomst in Nederland (tot april 2026) onderdak heeft kunnen regelen bij haar vader en stiefmoeder en vervolgens bij haar ex-partner. Ook heeft zij een baan en gaat haar dochter naar de peuterspeelzaal. Het feit dat verzoekster thans geen onderdak kan vinden is niet het gevolg van problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. Bij verzoekster is sprake van een huisvestingsprobleem door een tekort aan (betaalbare) woonruimte in de door haar gewenste woonregio. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) eerder heeft overwogen, is de Wmo niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden.Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht en op basis van voldoende onderzoek op het standpunt gesteld dat verzoekster zelfredzaam is, en dat om die reden een Wmo-voorziening niet aangewezen is.
Belangenafweging
6.5.
Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre dat het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter.
6.6.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van het IVRK rust op de overheid een verplichting om erop toe te zien dat de rechten en belangen van kinderen voldoende worden beschermd en geborgd. Die verplichting neemt niet weg dat het uitgangspunt is dat ouders de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van kinderen, zie artikel 27, tweede lid, van het IVRK. Aan de verplichtingen uit het IVRK is voldaan, omdat de overheid voorziet in een opvangregeling voor gezinnen met minderjarige kinderen die in nood verkeren: de Wmo. Dat betekent niet dat elk gezin met minderjarige kinderen hiervan gebruik kan maken. Het is toegestaan om op grond van publieke belangen (de besteding van publieke middelen en het beschikbaar houden van voldoende opvang voor kwetsbare, niet zelfredzame gezinnen) beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot sociale voorzieningen.
6.7.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college bij het nemen van het bestreden besluit voldoende rekening gehouden met de belangen van de dochter van verzoekster. De dochter is nog niet leerplichtig en gaat naar de peuterspeelzaal. Er zijn geen medische problemen die reden gegeven om te concluderen dat opvang noodzakelijk is. Het college heeft in dit geval op een juiste manier de afweging gemaakt tussen de publieke belangen en de belangen van de dochter met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van verzoekster waarbij, wederom, van belang is dat zij zelfredzaam is.
7. Omdat verzoekster als voldoende redzaam kan worden beschouwd, komt zij niet in aanmerking voor maatschappelijke opvang. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek afwijzen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
De griffier is buiten staat mede te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1797.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3811
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. Y. Spijker),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigden: mr. E.H. Buizert en [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 30 april 2026 (het bestreden besluit) heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van verzoekster om voor zichzelf en haar minderjarige kind, toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en een tolk in de Spaanse taal, J.M. van Schaik. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Ter zitting is besproken dat de opvang wordt verlengd tot een dag na de uitspraak.
Overwegingen
1. Een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Daarvan is in het geval van verzoekster sprake. Op dit moment verblijft verzoekster samen met haar minderjarige kind ([minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022) in een opvanglocatie van het college. Omdat zij de opvang moeten verlaten heeft verzoekster spoedeisend belang.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1.
Verzoekster heeft zich op 24 maart 2026 bij het Daklozenloket gemeld voor het aanvragen van maatschappelijke opvang op grond van de Wmo.
3.2.
Verzoekster is bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een procedure gestart om bij een EU-onderdaan, zijnde haar vader, te mogen verblijven. Sinds 2 april 2026 staat verzoekster bij de IND geregistreerd met code 30. De gemachtigde van het college heeft de vraag opgeworpen in hoeverre maatschappelijk opvang noodzakelijk is nu verzoekster kennelijk bij een EU-onderdaan kan verblijven. De voorzieningenrechter merkt op dat dit geen onderdeel is van de besluitvorming die thans voorligt, maar dat dit wel vragen oproept die in de bezwaarfase verder uitgezocht moeten worden.
3.3.
In het Wmo-advies van 30 april 2026 staat onder andere dat verzoekster in november 2022 naar Nederland is gekomen (de voorzieningenrechter begrijpt: 11 augustus 2022). Verzoekster woonde daarvoor met haar oudste dochter bij haar moeder in [land]. In [land] heeft verzoekster de basisschool afgerond. Haar vervolgstudie aan de universiteit heeft ze niet afgerond. Na aankomst in Nederland is verzoekster bij haar vader en stiefmoeder gaan wonen en op [datum] is zij bevallen van haar jongste dochter. Daarna is verzoekster bij haar (inmiddels ex-) partner ingetrokken. Ze woonde daar samen met haar jongste dochter, de ex-partner en zijn twee zonen. Verzoekster werkt 16 uur per week in een restaurant en heeft een inkomen van € 938,- per maand. Verzoekster ervaart stress door de situatie en slaapt daardoor slecht. Zij wil hierover praten met een psycholoog en heeft aangegeven geen ondersteuning van het college daarbij nodig te hebben. Verzoekster en haar dochter zijn verder lichamelijk gezond. Zij hebben een Europese Health Insurancecard. Verzoekster is zelfstandig in het uitvoeren van haar zaken. Zo heeft zij zelf contact opgenomen met de IND omdat haar verblijfsvergunning was verlopen. Het netwerk in Nederland bestaat uit een vriendin, een collega, haar stiefmoeder en mensen die verzoekster van werk kent. In [land] heeft verzoekster een netwerk bestaande uit familie en vrienden. De dochter is drie jaar en gaat 5 (halve) dagen naar de peuterspeelzaal. Het zusje van verzoekster en een vriendin passen op de dochter. Volgens het advies heeft verzoekster een huisvestingsprobleem en kan zij haar hulpvraag oplossen vanuit haar eigen kracht. Nadat verzoekster uit huis was gezet door haar ex-partner verbleef zij in haar netwerk. Er zijn geen belemmeringen die maken dat verzoekster niet zelfstandig kan zoeken naar een passende woonruimte. Verzoekster is zelfredzaam. Haar jongste dochter is opgegroeid in Nederland en gaat naar de peuterspeelzaal. Ze spreekt Nederlands en Spaans. Sinds april 2026 verblijven ze in de gezinsopvang van het Daklozenloket. Dit is een tijdelijke opvang in een kleine kamer. Er is geen perspectief op uitstroom naar een zelfstandige woning omdat verzoekster drie maanden staat ingeschreven bij Woonnet Haaglanden. Volgens het advies zijn ook de belangen van afgewogen. Verzoekster is naar Nederland gekomen voor een betere toekomst. Teruggaan naar [land] is voor haar geen optie, omdat haar kind in Nederland een betere toekomst kan krijgen, aldus verzoekster. Daarnaast is maatschappelijk opvang niet in het belang van haar dochter volgens het advies, omdat de opvang geen stabiele en veilige woonomgeving biedt die aansluit bij haar ontwikkelingsbehoeften. Het belang van het college is om de maatschappelijk opvang te bieden voor inwoners die niet zelfredzaam zijn en die naast woonruimte ook ondersteuning nodig hebben en weegt in deze situatie zwaarder.
Na afweging van alle belangen komt uit het advies naar voren dat maatschappelijke opvang niet noodzakelijk is. De hulpvraag betreft een huisvestingsprobleem dat verzoekster op eigen kracht kan oplossen.
4. Bij het bestreden besluit heeft het college het verzoek om te worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang afgewezen op de grond dat verzoekster zelfredzaam is en verzoekster in staat is om op eigen kracht haar huisvestigingsprobleem op te lossen.
5. Verzoekster verzoekt om schorsing van het bestreden besluit tot de beslissing op het bezwaar en om voortzetting van de opvang voor verzoekster en haar kind. Verzoekster voert aan dat het college geen onderzoek heeft gedaan naar de medisch situatie van verzoekster en dat er geen deugdelijke belangenafweging is gemaakt. Dakloosheid van een driejarig kind is disproportioneel en de voorzieningenrechter dient in te grijpen om acute dakloosheid en gezondheidsschade te voorkomen.
6. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling van het verzoek.
6.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het onderzoek van het college zorgvuldig geweest. Blijkens het advies is onder meer onderzoek gedaan naar verzoeksters financiën, werk en opleiding, huisvesting, lichamelijke- en geestelijke gezondheid, algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL), sociaal netwerk en maatschappelijke participatie. Verzoekster heeft tijdens het gesprek aangegeven dat ze geen ondersteuning nodig heeft op medisch gebied. Ter zitting heeft verzoekster gesteld dat er sprake is van psychische problematiek en dat uit het gespreksverslag van 30 april 2026 daarvan niet blijkt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet heeft onderbouwd waaruit haar psychische problemen bestaat en welke hulp zij daarvoor inmiddels heeft ingeschakeld. Ook is bij het onderzoek de belangen van de dochter van verzoekster betrokken. Daarmee is voldoende in kaart gebracht wat de persoonlijke omstandigheden van verzoekster zijn en waar haar hulpvraag ligt.
Zelfredzaamheid
6.2.
Artikel 1.1.1 van de Wmo definieert opvang als onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
6.3.
Artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo bepaalt dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
6.4.
Uit de bovenstaande bepalingen volgt dat verzoekster alleen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft als gevolg van het feit dat zij niet in staat is zich te handhaven in de samenleving.Die situatie doet zich hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor. Tijdens het gesprek dat ten grondslag ligt aan het Wmo-advies heeft verzoekster verklaard dat zij sinds haar aankomst in Nederland (tot april 2026) onderdak heeft kunnen regelen bij haar vader en stiefmoeder en vervolgens bij haar ex-partner. Ook heeft zij een baan en gaat haar dochter naar de peuterspeelzaal. Het feit dat verzoekster thans geen onderdak kan vinden is niet het gevolg van problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. Bij verzoekster is sprake van een huisvestingsprobleem door een tekort aan (betaalbare) woonruimte in de door haar gewenste woonregio. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) eerder heeft overwogen, is de Wmo niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden.Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht en op basis van voldoende onderzoek op het standpunt gesteld dat verzoekster zelfredzaam is, en dat om die reden een Wmo-voorziening niet aangewezen is.
Belangenafweging
6.5.
Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre dat het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter.
6.6.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van het IVRK rust op de overheid een verplichting om erop toe te zien dat de rechten en belangen van kinderen voldoende worden beschermd en geborgd. Die verplichting neemt niet weg dat het uitgangspunt is dat ouders de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van kinderen, zie artikel 27, tweede lid, van het IVRK. Aan de verplichtingen uit het IVRK is voldaan, omdat de overheid voorziet in een opvangregeling voor gezinnen met minderjarige kinderen die in nood verkeren: de Wmo. Dat betekent niet dat elk gezin met minderjarige kinderen hiervan gebruik kan maken. Het is toegestaan om op grond van publieke belangen (de besteding van publieke middelen en het beschikbaar houden van voldoende opvang voor kwetsbare, niet zelfredzame gezinnen) beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot sociale voorzieningen.
6.7.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college bij het nemen van het bestreden besluit voldoende rekening gehouden met de belangen van de dochter van verzoekster. De dochter is nog niet leerplichtig en gaat naar de peuterspeelzaal. Er zijn geen medische problemen die reden gegeven om te concluderen dat opvang noodzakelijk is. Het college heeft in dit geval op een juiste manier de afweging gemaakt tussen de publieke belangen en de belangen van de dochter met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van verzoekster waarbij, wederom, van belang is dat zij zelfredzaam is.
7. Omdat verzoekster als voldoende redzaam kan worden beschouwd, komt zij niet in aanmerking voor maatschappelijke opvang. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek afwijzen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
De griffier is buiten staat mede te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1797.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931.