Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21747
2026-03-06
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
26/1266
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
voorlopige voorziening
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2025:1797 Centrale Raad van Beroep 04-12-2025
- ECLI:NL:CRVB:2023:1931 Centrale Raad van Beroep 18-10-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.448 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrechtzaaknummer: SGR 26/1266
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van verzoekster om, samen met haar minderjarige dochter [minderjarige], toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2026. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is de dochter van verzoekster verschenen. Als tolk is verschenen F. El Haji. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Daarvan is in het geval van verzoekster sprake. Op dit moment verblijft verzoekster samen met haar minderjarige dochter (geboren op [geboortedatum] 2013) op een opvanglocatie van het college. Omdat zij die opvang op grond van het bestreden besluit moeten verlaten heeft verzoekster spoedeisend belang.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1.
Verzoekster heeft zich op 7 januari 2026 bij het Daklozenloket gemeld voor het aanvragen van maatschappelijk opvang op grond van de Wmo. Het college heeft op dezelfde dag verzoekster en haar dochter tijdelijk opgevangen in een hotel. Op 9 januari 2026 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen verzoekster en het college. Op grond van dat gesprek en een gesprek met de dochter is een Wmo-advies uitgebracht.
3.2.
Uit het Wmo-advies van 6 februari 2026 blijkt dat de situatie van verzoekster en haar dochter is besproken aan de hand van de thema’s financiën, werk en opleiding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke en lichamelijke gezondheid, algemene dagelijkse levensverrichtingen, sociaal netwerk, justitie, sociaal emotionele ondersteuning, opvang voor de dochter en scholing. In het advies staat dat verzoekster en haar dochter de Spaanse nationaliteit hebben. Verzoekster heeft verklaard dat zij in [land] de opleiding zorg heeft afgerond, werkte in de thuiszorg en een inkomen had van ongeveer € 1.200,- per maand. Verzoekster is in april 2025 gestopt met werken, kreeg tot augustus 2025 salaris uitbetaald en aansluitend tot december 2025 een ziektewetuitkering. Het gespaarde geld van verzoekster is inmiddels op en zij krijgt geen financiële ondersteuning van haar ex-partners. Verder heeft verzoekster verklaard dat zij in mei 2025, alleen, naar Nederland is gekomen, omdat er sprake was van huiselijk geweld door haar toenmalige partner. In [land] heeft verzoekster nooit aangifte gedaan of hulp gezocht. In [land] heeft zij geen netwerk op één vriendin na, bij wie verzoekster haar oudste vier kinderen onder wie [minderjarige] had achtergelaten. Verzoekster is zonder plan naar Nederland gekomen en kon op wisselende adressen in haar netwerk verblijven. In januari 2026 is haar dochter naar Nederland gekomen met als gevolg dat verzoekster niet meer in haar netwerk terecht kan. Zowel verzoekster als haar dochter ervaren naar eigen zeggen stress vanwege de onzekerheid over de toekomst, slapen slecht en piekeren. Verzoekster heeft zich op 7 januari 2026 geregistreerd in Nederland.
Volgens het advies kan verzoekster haar hulpvraag oplossen vanuit haar eigen kracht. Verzoekster heeft de afgelopen 7 jaar in [land] gewoond, had daar een baan en kon voorzien in haar levensbehoeften. Verzoekster is zonder voorbereiding naar Nederland gekomen en heeft zich niet op hoogte gesteld van de huidige maatschappelijke ontwikkelingen en krapte op de woningmarkt in Nederland. Er is sprake van een huisvestingsprobleem, aldus het advies. Verzoekster heeft zelf de keus gemaakt om [land] achter zich te laten, terwijl ze daar om hulp had kunnen vragen. Verzoekster is zelfredzaam en heeft geen hulpvragen die vanuit de Wmo gecompenseerd kunnen worden. Verder heeft zij geen binding met [plaats]. Over het belang van de dochter zegt het advies dat zij in [land] naar school ging, daar een vaste structuur had, vriendinnen, een vast onderdak en een veilige en stabiele plek. Sinds de dochter in Nederland is gaat ze niet naar school. Het ontbreken van onderwijs en sociale contacten vormt een groot risico voor haar, aldus het advies. Tijdens het gesprek met de casemanager heeft de dochter verklaard dat ze haar school mist. Er is verzoekster hulp geboden bij terugkeer naar [land], maar die heeft zij geweigerd.
4. Bij het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar het Wmo-advies, het verzoek om te worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang afgewezen op de grond dat de situatie van verzoekster vermijdbaar was en het gevolg is van de keuzes die zij zelf heeft gemaakt. Verzoekster is zelfredzaam op meerdere leefgebieden en er zijn geen beperkingen die Wmo-ondersteuning noodzakelijk maken, aldus het college. Volgens het college zijn er geen specifieke redenen die rechtvaardigden dat verzoekster en haar kind zich in [plaats] moeten vestigen, en zijn er voorliggende opties die verzoekster in haar land van herkomst kan onderzoeken. Daarnaast is maatschappelijk opvang volgens het college niet in het belang van de dochter.
5. Verzoekster verzoekt om verlenging van de maatschappelijk opvang. Anders dan het college stelt was de situatie volgens haar niet vermijdbaar. Verzoekster heeft geen inkomen en geen baan maar wel schulden. Het netwerk is uitgeput. Daarnaast hebben zowel verzoekster als haar dochter psychische klachten. Verder voert verzoekster aan dat regiobinding niet als eis mag worden gesteld op grond van de Wmo. De weigering komt in strijd met fundamentele rechten van de Unieburgers waaronder het recht op een menswaardig bestaan. Verder miskent het college volgens verzoekster dat zij en haar dochter slachtoffers zijn van geweld tegen vrouwen en kindermishandeling. Tot slot voert verzoekster aan dat de belangen van verzoekster en haar dochter niet goed zijn meegewogen door het college en dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht.
6. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling van het verzoek.
6.1.
Artikel 1.1.1 van de Wmo definieert opvang als onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
6.2.
Artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo bepaalt dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
6.3.
Uit de juistgenoemde bepalingen volgt dat verzoekster alleen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft als gevolg van het feit dat zij niet in staat is zich te handhaven in de samenleving.Die situatie doet zich hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor. Het is weliswaar onbetwist dat verzoekster op dit moment geen eigen woning heeft, geen werk en geen inkomsten, maar het is niet aannemelijk dat dat het gevolg is van het feit dat ze niet in staat is in die behoeften te voorzien. Verzoekster heeft immers de Spaanse nationaliteit en kan op grond daarvan in beginsel in Nederland wonen en werken. Verzoekster heeft – naar eigen zeggen – sinds mei 2025 onderdak kunnen regelen en heeft tot december 2025 inkomen uit [land] gehad. Verder is gebleken dat verzoekster in [land] een opleiding in de zorg heeft afgerond en heeft gewerkt. Tijdens het gesprek dat ten grondslag ligt aan het Wmo-advies heeft verzoekster verklaard dat haar familie haar kan helpen met het vinden van werk, en ter zitting is verder verklaard dat zij inmiddels ook in Nederland werk zoekt. Verzoekster is – eveneens naar eigen zeggen – al sinds mei 2025 in Nederland en heeft dus ruim 7 maanden de tijd gehad om haar verblijf in Nederland vorm te geven, maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Zo had verzoekster bijvoorbeeld door zich eerder te registreren in Nederland, werk en onderdak kunnen zoeken. Hoewel verzoekster de Nederlandse taal niet spreekt heeft zij wel hulp gehad van haar familie, die deels in [plaats] en omgeving woont, en zij heeft verklaard dat die hulp, los van verblijf bij hen in huis, ook nu nog beschikbaar is. Weliswaar heeft verzoekster aangevoerd dat zij en haar dochter slachtoffer zijn geweest van huiselijk geweld in [land], maar er is geen objectieve onderbouwing gegeven waaruit blijkt dat zij zich door dit huiselijk geweld niet in de samenleving kan handhaven. Het feit dat verzoekster thans geen onderdak kan vinden is niet het gevolg van problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. Bij verzoekster is sprake van een huisvestingsprobleem door een tekort aan (betaalbare) woonruimte in de door haar gewenste woonregio. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) eerder heeft overwogen, is de Wmo niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden.Wat de gestelde psychische problemen betreft heeft verzoekster verklaard dat het niet goed met haar gaat omdat ze haar kinderen erg mist, dat ze stress ervaart vanwege de onzekerheid over haar toekomst, en dat ze weinig eetlust heeft, maar dat is – hoe invoelbaar ook – tegen de hiervoor geschetste achtergrond onvoldoende om aan te nemen dat ze als gevolg van haar psychische gesteldheid niet in staat zou zijn zichzelf te redden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht en op basis van voldoende onderzoek op het standpunt gesteld dat verzoekster zelfredzaam is, en dat om die reden een Wmo-voorziening niet aangewezen is.
6.4.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college ook voldoende rekening gehouden met de belangen van verzoekster en haar dochter. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat verzoekster, zoals hiervoor overwogen, in principe in staat is zelf aan haar gezinsleven vorm te geven, waardoor ook de belangen van haar dochter zijn gewaarborgd. Daarnaast heeft het college terecht meegewogen dat in de opvang slechts een beperkt aantal plaatsen beschikbaar is. Dit betekent dat het verstrekken van opvang aan verzoekster tot gevolg heeft dat andere personen, die niet in staat zijn zichzelf in de samenleving te handhaven, geen gebruik kunnen maken van deze opvang. Ten slotte heeft het college bij zijn belangenafweging mogen betrekken dat in de maatschappelijke opvang continuïteit voor de dochter van verzoekster ontbreekt en dat zij hier, anders dan voor haar komst naar Nederland, niet direct toegang heeft tot vertrouwd onderwijs, vrienden en een ondersteunend netwerk. Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van zowel verzoekster als haar dochter.
7. De voorzieningenrechter zal het verzoek gelet op het voorgaande afwijzen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1797.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931.
Bestuursrechtzaaknummer: SGR 26/1266
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van verzoekster om, samen met haar minderjarige dochter [minderjarige], toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2026. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is de dochter van verzoekster verschenen. Als tolk is verschenen F. El Haji. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Daarvan is in het geval van verzoekster sprake. Op dit moment verblijft verzoekster samen met haar minderjarige dochter (geboren op [geboortedatum] 2013) op een opvanglocatie van het college. Omdat zij die opvang op grond van het bestreden besluit moeten verlaten heeft verzoekster spoedeisend belang.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1.
Verzoekster heeft zich op 7 januari 2026 bij het Daklozenloket gemeld voor het aanvragen van maatschappelijk opvang op grond van de Wmo. Het college heeft op dezelfde dag verzoekster en haar dochter tijdelijk opgevangen in een hotel. Op 9 januari 2026 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen verzoekster en het college. Op grond van dat gesprek en een gesprek met de dochter is een Wmo-advies uitgebracht.
3.2.
Uit het Wmo-advies van 6 februari 2026 blijkt dat de situatie van verzoekster en haar dochter is besproken aan de hand van de thema’s financiën, werk en opleiding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke en lichamelijke gezondheid, algemene dagelijkse levensverrichtingen, sociaal netwerk, justitie, sociaal emotionele ondersteuning, opvang voor de dochter en scholing. In het advies staat dat verzoekster en haar dochter de Spaanse nationaliteit hebben. Verzoekster heeft verklaard dat zij in [land] de opleiding zorg heeft afgerond, werkte in de thuiszorg en een inkomen had van ongeveer € 1.200,- per maand. Verzoekster is in april 2025 gestopt met werken, kreeg tot augustus 2025 salaris uitbetaald en aansluitend tot december 2025 een ziektewetuitkering. Het gespaarde geld van verzoekster is inmiddels op en zij krijgt geen financiële ondersteuning van haar ex-partners. Verder heeft verzoekster verklaard dat zij in mei 2025, alleen, naar Nederland is gekomen, omdat er sprake was van huiselijk geweld door haar toenmalige partner. In [land] heeft verzoekster nooit aangifte gedaan of hulp gezocht. In [land] heeft zij geen netwerk op één vriendin na, bij wie verzoekster haar oudste vier kinderen onder wie [minderjarige] had achtergelaten. Verzoekster is zonder plan naar Nederland gekomen en kon op wisselende adressen in haar netwerk verblijven. In januari 2026 is haar dochter naar Nederland gekomen met als gevolg dat verzoekster niet meer in haar netwerk terecht kan. Zowel verzoekster als haar dochter ervaren naar eigen zeggen stress vanwege de onzekerheid over de toekomst, slapen slecht en piekeren. Verzoekster heeft zich op 7 januari 2026 geregistreerd in Nederland.
Volgens het advies kan verzoekster haar hulpvraag oplossen vanuit haar eigen kracht. Verzoekster heeft de afgelopen 7 jaar in [land] gewoond, had daar een baan en kon voorzien in haar levensbehoeften. Verzoekster is zonder voorbereiding naar Nederland gekomen en heeft zich niet op hoogte gesteld van de huidige maatschappelijke ontwikkelingen en krapte op de woningmarkt in Nederland. Er is sprake van een huisvestingsprobleem, aldus het advies. Verzoekster heeft zelf de keus gemaakt om [land] achter zich te laten, terwijl ze daar om hulp had kunnen vragen. Verzoekster is zelfredzaam en heeft geen hulpvragen die vanuit de Wmo gecompenseerd kunnen worden. Verder heeft zij geen binding met [plaats]. Over het belang van de dochter zegt het advies dat zij in [land] naar school ging, daar een vaste structuur had, vriendinnen, een vast onderdak en een veilige en stabiele plek. Sinds de dochter in Nederland is gaat ze niet naar school. Het ontbreken van onderwijs en sociale contacten vormt een groot risico voor haar, aldus het advies. Tijdens het gesprek met de casemanager heeft de dochter verklaard dat ze haar school mist. Er is verzoekster hulp geboden bij terugkeer naar [land], maar die heeft zij geweigerd.
4. Bij het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar het Wmo-advies, het verzoek om te worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang afgewezen op de grond dat de situatie van verzoekster vermijdbaar was en het gevolg is van de keuzes die zij zelf heeft gemaakt. Verzoekster is zelfredzaam op meerdere leefgebieden en er zijn geen beperkingen die Wmo-ondersteuning noodzakelijk maken, aldus het college. Volgens het college zijn er geen specifieke redenen die rechtvaardigden dat verzoekster en haar kind zich in [plaats] moeten vestigen, en zijn er voorliggende opties die verzoekster in haar land van herkomst kan onderzoeken. Daarnaast is maatschappelijk opvang volgens het college niet in het belang van de dochter.
5. Verzoekster verzoekt om verlenging van de maatschappelijk opvang. Anders dan het college stelt was de situatie volgens haar niet vermijdbaar. Verzoekster heeft geen inkomen en geen baan maar wel schulden. Het netwerk is uitgeput. Daarnaast hebben zowel verzoekster als haar dochter psychische klachten. Verder voert verzoekster aan dat regiobinding niet als eis mag worden gesteld op grond van de Wmo. De weigering komt in strijd met fundamentele rechten van de Unieburgers waaronder het recht op een menswaardig bestaan. Verder miskent het college volgens verzoekster dat zij en haar dochter slachtoffers zijn van geweld tegen vrouwen en kindermishandeling. Tot slot voert verzoekster aan dat de belangen van verzoekster en haar dochter niet goed zijn meegewogen door het college en dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht.
6. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling van het verzoek.
6.1.
Artikel 1.1.1 van de Wmo definieert opvang als onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
6.2.
Artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo bepaalt dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
6.3.
Uit de juistgenoemde bepalingen volgt dat verzoekster alleen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft als gevolg van het feit dat zij niet in staat is zich te handhaven in de samenleving.Die situatie doet zich hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor. Het is weliswaar onbetwist dat verzoekster op dit moment geen eigen woning heeft, geen werk en geen inkomsten, maar het is niet aannemelijk dat dat het gevolg is van het feit dat ze niet in staat is in die behoeften te voorzien. Verzoekster heeft immers de Spaanse nationaliteit en kan op grond daarvan in beginsel in Nederland wonen en werken. Verzoekster heeft – naar eigen zeggen – sinds mei 2025 onderdak kunnen regelen en heeft tot december 2025 inkomen uit [land] gehad. Verder is gebleken dat verzoekster in [land] een opleiding in de zorg heeft afgerond en heeft gewerkt. Tijdens het gesprek dat ten grondslag ligt aan het Wmo-advies heeft verzoekster verklaard dat haar familie haar kan helpen met het vinden van werk, en ter zitting is verder verklaard dat zij inmiddels ook in Nederland werk zoekt. Verzoekster is – eveneens naar eigen zeggen – al sinds mei 2025 in Nederland en heeft dus ruim 7 maanden de tijd gehad om haar verblijf in Nederland vorm te geven, maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Zo had verzoekster bijvoorbeeld door zich eerder te registreren in Nederland, werk en onderdak kunnen zoeken. Hoewel verzoekster de Nederlandse taal niet spreekt heeft zij wel hulp gehad van haar familie, die deels in [plaats] en omgeving woont, en zij heeft verklaard dat die hulp, los van verblijf bij hen in huis, ook nu nog beschikbaar is. Weliswaar heeft verzoekster aangevoerd dat zij en haar dochter slachtoffer zijn geweest van huiselijk geweld in [land], maar er is geen objectieve onderbouwing gegeven waaruit blijkt dat zij zich door dit huiselijk geweld niet in de samenleving kan handhaven. Het feit dat verzoekster thans geen onderdak kan vinden is niet het gevolg van problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. Bij verzoekster is sprake van een huisvestingsprobleem door een tekort aan (betaalbare) woonruimte in de door haar gewenste woonregio. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) eerder heeft overwogen, is de Wmo niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden.Wat de gestelde psychische problemen betreft heeft verzoekster verklaard dat het niet goed met haar gaat omdat ze haar kinderen erg mist, dat ze stress ervaart vanwege de onzekerheid over haar toekomst, en dat ze weinig eetlust heeft, maar dat is – hoe invoelbaar ook – tegen de hiervoor geschetste achtergrond onvoldoende om aan te nemen dat ze als gevolg van haar psychische gesteldheid niet in staat zou zijn zichzelf te redden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht en op basis van voldoende onderzoek op het standpunt gesteld dat verzoekster zelfredzaam is, en dat om die reden een Wmo-voorziening niet aangewezen is.
6.4.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college ook voldoende rekening gehouden met de belangen van verzoekster en haar dochter. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat verzoekster, zoals hiervoor overwogen, in principe in staat is zelf aan haar gezinsleven vorm te geven, waardoor ook de belangen van haar dochter zijn gewaarborgd. Daarnaast heeft het college terecht meegewogen dat in de opvang slechts een beperkt aantal plaatsen beschikbaar is. Dit betekent dat het verstrekken van opvang aan verzoekster tot gevolg heeft dat andere personen, die niet in staat zijn zichzelf in de samenleving te handhaven, geen gebruik kunnen maken van deze opvang. Ten slotte heeft het college bij zijn belangenafweging mogen betrekken dat in de maatschappelijke opvang continuïteit voor de dochter van verzoekster ontbreekt en dat zij hier, anders dan voor haar komst naar Nederland, niet direct toegang heeft tot vertrouwd onderwijs, vrienden en een ondersteunend netwerk. Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van zowel verzoekster als haar dochter.
7. De voorzieningenrechter zal het verzoek gelet op het voorgaande afwijzen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1797.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931.