Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21718
2026-08-05
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
SGR 26/4238
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk; geen blokkering van bijstandsuitkering; geen besluit volgens artikel 79 Pw.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2021:101 Centrale Raad van Beroep 11-01-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.250 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/4238
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),
en
het college van burgemeester en wethouders van Gouda, het college
(gemachtigde: mr. M.H. de Bruin).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Volgens verzoeker is er sprake van een blokkering van zijn bijstand door het college vanaf 1 mei 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen indien het verzoek over een besluit gaat waartegen een bezwaar- of (administratief-)beroepsprocedure loopt.
3. Verzoeker ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). De bijstand wordt omstreeks de 20e dag van elke maand aan verzoeker uitgekeerd en omstreeks de 25e dag door hem ontvangen. Op 28 mei 2026, het moment dat de voorlopige voorzienig is verzocht, was de bijstand over de maand mei 2026 nog niet ontvangen. Op 4 juni 2026 heeft verzoeker de uitkering alsnog ontvangen.
4. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter het college op te dragen de bijstandsuitkering inclusief de vakantietoeslag met ingang van 1 mei 2026 toe te kennen en uit te betalen, tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist. Volgens verzoeker moet het niet tijdig uitbetalen van de bijstandsuitkering worden begrepen als een besluit om de bijstandsuitkering met ingang van 1 mei 2026 te blokkeren. Uit artikel 79 van de Pw volgt dat een blokkering van de uitkering gelijk wordt gesteld aan een besluit.
5. Volgens het college is het niet tijdig uitbetalen van de uitkering het gevolg van administratieve handelingen. Verzoeker heeft op 4 mei 2026 een nieuw bankrekeningnummer aan de consulente doorgegeven. De verwerking van deze wijziging is op 28 mei 2026 voltooid, na telefonisch contact tussen verzoeker en de consulente vanwege het uitblijven van de betaling van zijn bijstand. Het niet tijdig uitbetalen heeft geen gevolgen voor het recht op de uitkering en er is op geen enkele manier sprake van een bewuste feitelijke beslissing om de uitkering niet uit te betalen of te blokkeren. Daarom kan het niet tijdig uitbetalen niet gelijk worden gesteld met een besluit.
6. De voorzieningenrechter overweegt dat een handeling, zoals bedoeld in artikel 79 van de Pw met een besluit wordt gelijkgesteld als er sprake is van een uitvoeringshandeling zoals het feitelijk niet uitbetalen van de bijstand of het feitelijk verminderen van bijstand zonder dat daaraan een beslissing ten grondslag is gelegd dan wel zonder mededeling van de beslissing aan de belanghebbende.
6.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat er geen sprake is van een uitvoeringshandeling zoals het feitelijk niet uitbetalen van de bijstand. Uit het verweerschrift blijkt dat er aan de zijde van het college enkel sprake was van een administratieve handeling aangaande de fiattering van het nieuwe bankrekeningnummer van verzoeker. Het college heeft de betaling van de bijstand gefiatteerd en verzoeker heeft vervolgens de bijstand alsnog ontvangen.
6.2.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van een blokkering van de bijstand en daarmee is er geen sprake van een besluit. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorzienig daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit staat in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:101.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/4238
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),
en
het college van burgemeester en wethouders van Gouda, het college
(gemachtigde: mr. M.H. de Bruin).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Volgens verzoeker is er sprake van een blokkering van zijn bijstand door het college vanaf 1 mei 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen indien het verzoek over een besluit gaat waartegen een bezwaar- of (administratief-)beroepsprocedure loopt.
3. Verzoeker ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). De bijstand wordt omstreeks de 20e dag van elke maand aan verzoeker uitgekeerd en omstreeks de 25e dag door hem ontvangen. Op 28 mei 2026, het moment dat de voorlopige voorzienig is verzocht, was de bijstand over de maand mei 2026 nog niet ontvangen. Op 4 juni 2026 heeft verzoeker de uitkering alsnog ontvangen.
4. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter het college op te dragen de bijstandsuitkering inclusief de vakantietoeslag met ingang van 1 mei 2026 toe te kennen en uit te betalen, tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist. Volgens verzoeker moet het niet tijdig uitbetalen van de bijstandsuitkering worden begrepen als een besluit om de bijstandsuitkering met ingang van 1 mei 2026 te blokkeren. Uit artikel 79 van de Pw volgt dat een blokkering van de uitkering gelijk wordt gesteld aan een besluit.
5. Volgens het college is het niet tijdig uitbetalen van de uitkering het gevolg van administratieve handelingen. Verzoeker heeft op 4 mei 2026 een nieuw bankrekeningnummer aan de consulente doorgegeven. De verwerking van deze wijziging is op 28 mei 2026 voltooid, na telefonisch contact tussen verzoeker en de consulente vanwege het uitblijven van de betaling van zijn bijstand. Het niet tijdig uitbetalen heeft geen gevolgen voor het recht op de uitkering en er is op geen enkele manier sprake van een bewuste feitelijke beslissing om de uitkering niet uit te betalen of te blokkeren. Daarom kan het niet tijdig uitbetalen niet gelijk worden gesteld met een besluit.
6. De voorzieningenrechter overweegt dat een handeling, zoals bedoeld in artikel 79 van de Pw met een besluit wordt gelijkgesteld als er sprake is van een uitvoeringshandeling zoals het feitelijk niet uitbetalen van de bijstand of het feitelijk verminderen van bijstand zonder dat daaraan een beslissing ten grondslag is gelegd dan wel zonder mededeling van de beslissing aan de belanghebbende.
6.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat er geen sprake is van een uitvoeringshandeling zoals het feitelijk niet uitbetalen van de bijstand. Uit het verweerschrift blijkt dat er aan de zijde van het college enkel sprake was van een administratieve handeling aangaande de fiattering van het nieuwe bankrekeningnummer van verzoeker. Het college heeft de betaling van de bijstand gefiatteerd en verzoeker heeft vervolgens de bijstand alsnog ontvangen.
6.2.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van een blokkering van de bijstand en daarmee is er geen sprake van een besluit. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorzienig daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit staat in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:101.