Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21717
2026-07-03
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.37720
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen afwijzing van asielaanvraag. Het beroep is gegrond. De minister moet opnieuw op de aanvraag beslissen. De minister heeft de problemen vanwege het behoren tot de Ahmadiyya geloofsgemeenschap ten onrechte slechts deels geloofwaardig bevonden. Daarnaast heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van groepsvervolging ten aanzien van Ahmadi’s afkomstig uit Pakistan en waarom eiseres haar persoonlijke vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft daarbij onvoldoende onderzoek gedaan naar de vrees van eiseres voor vervolging vanwege haar geloof bij terugkeer naar Pakistan.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2015:2667 Raad van State 10-08-2015
- ECLI:NL:RVS:2015:2667 Raad van State 10-08-2015
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12624 Rechtbank Den Haag 06-05-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.342 tekens)
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.37720
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer], eiseres, (gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. O. Sari).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw1. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft de problemen vanwege het behoren tot de Ahmadiyya geloofsgemeenschap namelijk ten onrechte slechts deels geloofwaardig bevonden. Daarnaast heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van groepsvervolging ten aanzien van Ahmadi’s afkomstig uit Pakistan en waarom eiseres haar persoonlijke vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft daarbij onvoldoende onderzoek gedaan naar de vrees van eiseres voor vervolging vanwege haar geloof bij terugkeer naar Pakistan. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 20 augustus 2025 heeft eiseres de gronden van beroep ingediend. Deze gronden zijn aangevuld op 10 mei 2026. Op 11 mei 2026 heeft eiseres een aantal foto’s overgelegd met betrekking tot de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap in Nederland.
1 Vreemdelingenwet 2000.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, V. Sharma als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het asielrelaas van eiseres?
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is Ahmadi moslim. Vanwege de problemen die Ahmadi’s in Pakistan hebben, is zij vertrokken. Eiseres had een melkzaak aan huis en deed tablig2 onder vrouwelijke klanten. Tijdens anti-Ahmadi protesten zijn er stenen naar haar woning gegooid en is ‘kafir’3 op de deur geschreven. Bij een waterfilter is eiseres met de dood bedreigd. Ook zijn er persoonlijke oproepen via een luidspreker gedaan, waarin werd opgeroepen om geen melk meer bij eiseres en haar man te kopen. Daarnaast werd zij via deze luidspreker bedreigd. Uit angst is eiseres gevlucht. Bij terugkeer naar Pakistan vreest eiseres voor de dood en het niet kunnen uiten van haar geloof.
Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
- de problemen vanwege het behoren tot de Ahmadiyya geloofsgemeenschap.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. De problemen vanwege het behoren tot de Ahmadiyya geloofsgemeenschap zijn volgens de minister deels geloofwaardig. De minister vindt het geloofwaardig dat eiseres behoort tot de Ahmadiyya geloofsgemeenschap. Ook is geloofwaardig dat er in de woonomgeving van eiseres protesten hebben plaatsgevonden tegen Ahmadi’s, waarbij de woning van eiseres is bekogeld met stenen en het woord ‘kafir’ op de deur is geschreven. De overige gestelde problemen, de persoonlijke oproepen via een luidspreker tegen de melkverkoop en de doodsbedreigingen bij het halen van water, vindt de minister niet geloofwaardig. De verklaringen van eiseres daarover vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Daarnaast heeft eiseres de asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft zij daar geen goede verklaring voor. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister de problemen vanwege het behoren tot de Ahmadiyya geloofsgemeenschap deels ongeloofwaardig mogen vinden?
Wat is het standpunt van de minister?
5. De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres geen concrete inhoud kan geven van de luidsprekeroproep. Verder stroken dergelijke oproepen via een luidspreker volgens de minister niet met openbare informatie. Het is namelijk niet logisch dat een zichtbare Ahmadi zoals eiseres niet een keer fysiek is aangevallen of is geconfronteerd met persoonlijk geweld. Zeker niet nadat er tegen haar een publieke oproep zou hebben plaatsgevonden en het gebruikelijk was dat er na afloop van het gebed protesten vormden met toepassing van geweld. Gelet op het referentiekader had volgens de minister van eiseres
2 Het verspreiden van het geloof.
3 ‘ Ongelovige’.
verwacht mogen worden dat zij helder en eenduidig kan verklaren over haar werkzaamheden en de luidsprekeroproep. Ook meent de minister dat het niet is logisch dat eiseres na de gestelde incidenten nog drie maanden in hetzelfde dorp en achter dezelfde Madrassa is blijven wonen.
Wat is het betoog van eiseres?
5.1.
Eiseres voert aan dat zij de door haar gestelde problemen wel aannemelijk heeft gemaakt. Zij heeft hierover voldoende verklaard en daarnaast worden veel van de gestelde problemen ondersteund door algemene informatie over Pakistan. Eiseres heeft verder tijdens de zitting aangevoerd dat de minister haar ten onrechte tegenwerpt dat zij geen concrete inhoud kan geven van de luidsprekeroproep, omdat ook rekening moet worden gehouden met de persoon en de omstandigheden waaronder de oproep plaatsvond. Zij is namelijk snel angstig en verward. Er kan volgens eiseres niet van een eenvoudige melkverkoopster worden verwacht dat zij in detail kan verklaren over wat er in de luidsprekeroproep is gezegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres ten onrechte tegenwerpt dat zij de concrete bewoording van de luidsprekeroproep niet kan weergeven, omdat het in de eerste plaats van belang is dat de verklaringen van eiseres hierover in samenhang moeten worden gezien met de andere incidenten die wel geloofwaardig zijn bevonden. De minister heeft dit echter niet (kenbaar) betrokken in het bestreden besluit. Ook heeft de minister hierbij geen rekening gehouden met de omstandigheid dat eiseres zeer angstig was toen de oproep werd gedaan. Dat eiseres de letterlijke tekst van de oproep had moeten kunnen weergeven, volgt de rechtbank onder die omstandigheden dan ook niet. Daar komt bij dat niet valt uit te sluiten dat eiseres zoals zij zelf aangeeft wel flarden heeft gehoord van wat door de luidspreker werd gezegd. Gelet op het vorenstaande, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de persoonlijke oproepen via de luidspreker tegen de melkverkoop door eiseres niet geloofwaardig zijn bevonden. Ook de tegenwerping dat de oproepen via de luidspreker niet stroken met openbare informatie, volgt de rechtbank niet. De minister baseert dit op de stelling dat eiseres niet een keer fysiek is aangevallen of rechtstreeks is geconfronteerd met persoonlijk geweld. Deze stelling is feitelijk onjuist nu de bekogeling en besmeuring van de woning wel geloofwaardig zijn geacht.
5.2.
In de zienswijze is eiseres ingegaan op de gestelde tegenstrijdigheid in de verklaringen over haar werkzaamheden. In het bestreden besluit is de minister hier niet op ingegaan. Dit is een gebrek in het besluit. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de gegeven verklaring onvoldoende zou zijn en ook onvoldoende gemotiveerd waarom ondanks de uitgebreide verklaringen van eiseres over haar werkzaamheden, niet gevolgd wordt dat zij een melkzaak runde en haar woning bekend stond als de woning van de Ahmadi melkverkopers. Ook in dit verband had de minister dit moeten beoordelen in samenhang met de wel geloofwaardig bevonden incidenten, namelijk het bekogelen van de woning en het besmeuren van de deur met het woord ‘kafir’.
Is er sprake van groepsvervolging van Ahmadi’s die uit Pakistan afkomstig zijn?
Wat is het betoog van eiseres?
6. Eiseres voert aan dat ten aanzien van Ahmadi’s in Pakistan van groepsvervolging zou moeten worden uitgegaan. Het dagelijks leven voor Ahmadi’s in Pakistan is namelijk onhoudbaar. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres gewezen op diverse
rapporten4. Eiseres verwijst hierbij ook naar het ambtsbericht5. Uit dit ambtsbericht blijkt bijvoorbeeld dat de situatie van Ahmadi’s de laatste twee jaar is verslechterd. Zij bleven namelijk doelwit van valse blasfemie beschuldigingen. Ook zou de Pakistan Electronic Crimes Act gebruikt worden om Ahmadi’s als groep te vervolgen. Het heeft volgens het ambtsbericht ook geen zin om naar een ander deel van Pakistan te verhuizen. Overal komen de Ahmadi’s dezelfde vijandigheid en discriminatie tegen. Het ambtsbericht benoemt daarnaast dat de risico’s voor Ahmadi’s nog groter zijn dan voor anderen. Zij worden namelijk op basis van hun geloof al als afvalligen gezien. Ahmadi’s voelen zich daarom zeer onveilig in Pakistan.
Wat is het standpunt van de minister?
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van groepsvervolging. Uit de door eiseres overgelegde informatie blijkt weliswaar dat er een zeker risico bestaat voor Ahmadi’s en dat een aantal geloofshandelingen worden verboden, maar daaruit blijkt niet dat de situatie voor Ahmadi’s in Pakistan onhoudbaar is en dat er sprake is van vervolging puur vanwege het zijn van Ahmadi. Eiseres valt als Ahmadi op grond van het landenbeleid weliswaar onder een risicoprofiel, maar ook bij een risicoprofiel blijft het individualiseringsvereiste gelden.6 Volgens de minister heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk, vanwege haar geloof, een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Pakistan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s in Pakistan. Uit de door eiseres ingebrachte informatie is namelijk gebleken dat de risico’s voor Ahmadi’s groter zijn dan voor anderen, enkel al op basis van het geloof.7 Zoals eiseres heeft aangevoerd, blijkt uit deze informatie onder meer dat de situatie van Ahmadi’s de laatste twee jaar is verslechterd, Ahmadi’s vals worden beschuldigd van blasfemie, nergens in Pakistan veilig zijn en het zelfs geen zin heeft om naar een ander deel van Pakistan te verhuizen omdat zij overal dezelfde vijandigheid zullen tegenkomen.8 Deze informatie wordt ondersteund door het geloofwaardige deel van het relaas van eiseres, te weten de bekogeling van de woning met stenen en het feit dat er ‘kafir’ op haar deur is geschreven. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden voldaan aan het individualiseringsvereiste dat uit het beleid volgt. Maar de verslechtering van de situatie voor Ahmadi’s die blijkt uit de door eiseres ingebrachte bronnen vergt van de minister een nadere motivering waarom er geen sprake zou zijn van groepsvervolging. Het standpunt van de minister tijdens de zitting dat de informatie is bekeken maar het individualiseringsvereiste gehandhaafd blijft, maakt het oordeel niet anders. De minister heeft hiermee namelijk nog steeds niet aan de hand van de ingebrachte informatie gemotiveerd waarom er geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s in Pakistan.
Tot slot heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom, gelet op de wel geloofwaardig geachte elementen, niet zou zijn voldaan aan het individualiseringsvereiste.
Deze beroepsgrond slaagt.
4 Bijvoorbeeld het USDOS-rapport over religieuze vrijheid d.d. 30 juni 2024 en het Human Rights Watch-rapport d.d. 16 januari 2025.
5 Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024.
6 Zoals genoemd in paragraaf C2/2.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
7 Zie pagina 69 van het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024.
8 Zie de pagina’s 67 en 68 van het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024.
Heeft de minister mogen concluderen dat eiseres niet persoonlijk aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM9?
Wat is het betoog van eiseres?
7. Eiseres voert aan dat, als het individualiseringsvereiste wel kan worden tegengeworpen, zij voldoende heeft ingebracht om aan te nemen dat zij aan het vereiste voldoet. Eiseres dient zich namelijk terughoudend op te stellen in het belijden van haar geloof uit angst om te worden vervolgd. In Pakistan heeft zij namelijk haar geloof in het geheim beleden, omdat zij hiertoe genoodzaakt was door de wetgeving in Pakistan. In Nederland kan zij haar geloof openlijk uiten, hoeft zij haar religieuze identiteit niet verborgen te houden en kan zij haar geloof belijden zoals zij dat wil. Dat is wat zij ook graag in Pakistan wil doen. Eiseres wenst in Pakistan onder meer openlijk over haar religieuze identiteit te praten, openlijk tablig te doen, vaker naar de moskee te gaan en grote bijeenkomsten bij te wonen zonder het risico te lopen om opgepakt te worden. Daarnaast voert eiseres aan dat zij al eerder slachtoffer is geworden van discriminatie en van ernstige schendingen van haar recht op godsdienstvrijheid. Eiseres stelt dat zij de bescherming van de Pakistaanse autoriteiten daartegen niet kan inroepen.
Wat is het standpunt van de minister?
7.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres niet heeft voldaan aan het individualiseringsvereiste, omdat niet elke aantasting van het recht op godsdienstvrijheid een daad van vervolging oplevert. Uit de verklaringen is namelijk niet gebleken dat eiseres in Nederland een zodanig verhoogde en onmisbare geloofsbeleving heeft ontwikkeld, dat het niet kunnen uitvoeren van die handelingen bij terugkeer tot vervolging leidt. Tijdens de zitting is namens de minister benadrukt dat het belijden van het geloof in Nederland niet wezenlijk verschilt van wat zij al in Pakistan deed. Daarnaast blijkt volgens de minister uit de verklaringen van eiseres niet dat de discriminatie die zij heeft ervaren haar zodanig in haar bestaansmogelijkheden heeft beperkt dat het voor haar onmogelijk was om in de maatschappij te kunnen functioneren Bovendien is uit de verklaringen van eiseres gebleken dat de protesten tegen Ahmadi’s niet de directe aanleiding zijn geweest voor het vertrek van eiseres.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres haar persoonlijke vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit de verklaringen van eiseres is namelijk gebleken dat zij in Pakistan in haar religieuze vrijheid werd beperkt. Eiseres heeft namelijk verklaard dat zij zich in Pakistan geen moslim mag noemen, geen koran mag lezen en niet mag bidden. Ook mag zij de kleding van haar geloof niet dragen en niemand op de islamitische manier begroeten. Daarnaast deed eiseres aan tablig, maar zij moest dit in het geheim uitvoeren uit angst om te worden opgepakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres haar verklaringen met betrekking tot het kunnen uiten van haar geloof voldoende op zichzelf betrokken, met name die over het uitvoeren van de tablig. Ook heeft eiseres verklaard over de discriminatie en bedreigingen die zij heeft ondervonden van haar geloof. Zo zijn er leuzen naar haar geroepen en zij is uitgescholden. Ook zijn er tijdens een protest stenen naar haar woning gegooid en werd ‘kafir’ op de deur geschreven. Dit heeft de minister ook geloofwaardig bevonden.
9 Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.2.
Daar komt bij dat uit jurisprudentie van de Afdeling10 blijkt dat de minister moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja op welke wijze, eiseres na terugkeer naar Pakistan uiting wil geven aan haar geloof.11 Bij deze beoordeling is van belang dat de minister van eiseres niet mag verlangen dat zij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend opstelt bij de uitoefening van haar geloof in Pakistan. Uit het dossier blijkt echter niet dat de minister hier voldoende onderzoek naar heeft gedaan en rekening heeft gehouden met de terughoudendheid van eiseres in het uiten van haar geloof. Uit het nader gehoor is bijvoorbeeld gebleken dat wel aan eiseres is gevraagd hoe zij haar geloof bij terugkeer in Pakistan zou willen uiten en hoe het voor haar heeft gevoeld om haar geloof in Pakistan niet te kunnen uiten12, maar de minister heeft naar aanleiding van haar antwoorden niet doorgevraagd. Het standpunt van de minister dat de geloofsactiviteiten van eiseres in Pakistan niet wezenlijk anders zijn dan in Nederland en er geen sprake is van een zodanige inperking van de geloofsvrijheid dat er kan worden gesproken van vervolging, wordt niet gevolgd. Uit de verklaringen van eiseres volgt namelijk dat, zoals hiervoor onder 7.1. is overwogen, zij werd beperkt in haar religieuze vrijheid en zich terughoudend op moest stellen. Daarbij komt dat de rechtbank met eiseres van oordeel is dat er een wezenlijk verschil is in hoe de gemeenschap zich moet gedragen in Pakistan en hoe eiseres zich in Nederland kan en heeft gedragen. Het standpunt van de minister dat niet valt in te zien waarom eiseres bij terugkeer wel zou worden vervolgd of een reëel risico op ernstige schade zou lopen terwijl dit de afgelopen 52 jaar ook niet het geval is geweest, volgt de rechtbank ook niet. Uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling13 blijkt namelijk dat uit de enkele omstandigheid dat de vreemdeling voor vertrek geen problemen zou hebben ondervonden bij zijn geloofsactiviteiten, niet kan worden afgeleid dat hij of zij bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging. Deze beroepsgrond slaagt.
7.3.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister zich tijdens de zitting ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het enkele feit dat eiseres niet zo spoedig mogelijk haar asielaanvraag heeft ingediend, voldoende is om de asielaanvraag af te wijzen. Uit artikel 4, vijfde lid van de Kwalificatierichtlijn14 volgt namelijk niet dat de minister steeds zonder meer tot de conclusie kan komen dat een asielmotief ongeloofwaardig is, als aan één of meerdere van de cumulatieve voorwaarden15 niet wordt voldaan. De minister moet bij de beoordeling van de geloofwaardigheid steeds alle omstandigheden in samenhang beoordelen.16 Eiseres heeft bovendien een logische reden gegeven voor het feit dat zij zich pas twee maanden na haar aankomst in Nederland heeft gemeld voor asiel. In de zienswijze heeft eiseres namelijk aangevoerd dat zij in die periode rechtmatig verblijf had op basis van haar visum, waardoor vertrek uit Nederland nog niet aan de orde was. Er speelden daarnaast omstandigheden binnen haar gezin die op dat moment prioriteit hadden, waardoor zij zich nog niet had gemeld voor asiel. Deze beroepsgrond slaagt.
10 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
11 Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667.
12 Zie pagina 13 en 14 van het rapport van het nader gehoor.
13 Zie wederom de uitspraak van de Afdeling van10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667.
14 Richtlijn 2011/95/EU.
15 Zoals opgenomen in artikel 31, zesde lid, van de Vw.
16 Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 6 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12624, r.o. 14.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd17. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op de aard van de gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
17 Strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 11 augustus 2025;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.37720
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer], eiseres, (gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. O. Sari).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw1. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft de problemen vanwege het behoren tot de Ahmadiyya geloofsgemeenschap namelijk ten onrechte slechts deels geloofwaardig bevonden. Daarnaast heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van groepsvervolging ten aanzien van Ahmadi’s afkomstig uit Pakistan en waarom eiseres haar persoonlijke vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft daarbij onvoldoende onderzoek gedaan naar de vrees van eiseres voor vervolging vanwege haar geloof bij terugkeer naar Pakistan. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 20 augustus 2025 heeft eiseres de gronden van beroep ingediend. Deze gronden zijn aangevuld op 10 mei 2026. Op 11 mei 2026 heeft eiseres een aantal foto’s overgelegd met betrekking tot de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap in Nederland.
1 Vreemdelingenwet 2000.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, V. Sharma als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het asielrelaas van eiseres?
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is Ahmadi moslim. Vanwege de problemen die Ahmadi’s in Pakistan hebben, is zij vertrokken. Eiseres had een melkzaak aan huis en deed tablig2 onder vrouwelijke klanten. Tijdens anti-Ahmadi protesten zijn er stenen naar haar woning gegooid en is ‘kafir’3 op de deur geschreven. Bij een waterfilter is eiseres met de dood bedreigd. Ook zijn er persoonlijke oproepen via een luidspreker gedaan, waarin werd opgeroepen om geen melk meer bij eiseres en haar man te kopen. Daarnaast werd zij via deze luidspreker bedreigd. Uit angst is eiseres gevlucht. Bij terugkeer naar Pakistan vreest eiseres voor de dood en het niet kunnen uiten van haar geloof.
Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
- de problemen vanwege het behoren tot de Ahmadiyya geloofsgemeenschap.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. De problemen vanwege het behoren tot de Ahmadiyya geloofsgemeenschap zijn volgens de minister deels geloofwaardig. De minister vindt het geloofwaardig dat eiseres behoort tot de Ahmadiyya geloofsgemeenschap. Ook is geloofwaardig dat er in de woonomgeving van eiseres protesten hebben plaatsgevonden tegen Ahmadi’s, waarbij de woning van eiseres is bekogeld met stenen en het woord ‘kafir’ op de deur is geschreven. De overige gestelde problemen, de persoonlijke oproepen via een luidspreker tegen de melkverkoop en de doodsbedreigingen bij het halen van water, vindt de minister niet geloofwaardig. De verklaringen van eiseres daarover vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Daarnaast heeft eiseres de asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft zij daar geen goede verklaring voor. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister de problemen vanwege het behoren tot de Ahmadiyya geloofsgemeenschap deels ongeloofwaardig mogen vinden?
Wat is het standpunt van de minister?
5. De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres geen concrete inhoud kan geven van de luidsprekeroproep. Verder stroken dergelijke oproepen via een luidspreker volgens de minister niet met openbare informatie. Het is namelijk niet logisch dat een zichtbare Ahmadi zoals eiseres niet een keer fysiek is aangevallen of is geconfronteerd met persoonlijk geweld. Zeker niet nadat er tegen haar een publieke oproep zou hebben plaatsgevonden en het gebruikelijk was dat er na afloop van het gebed protesten vormden met toepassing van geweld. Gelet op het referentiekader had volgens de minister van eiseres
2 Het verspreiden van het geloof.
3 ‘ Ongelovige’.
verwacht mogen worden dat zij helder en eenduidig kan verklaren over haar werkzaamheden en de luidsprekeroproep. Ook meent de minister dat het niet is logisch dat eiseres na de gestelde incidenten nog drie maanden in hetzelfde dorp en achter dezelfde Madrassa is blijven wonen.
Wat is het betoog van eiseres?
5.1.
Eiseres voert aan dat zij de door haar gestelde problemen wel aannemelijk heeft gemaakt. Zij heeft hierover voldoende verklaard en daarnaast worden veel van de gestelde problemen ondersteund door algemene informatie over Pakistan. Eiseres heeft verder tijdens de zitting aangevoerd dat de minister haar ten onrechte tegenwerpt dat zij geen concrete inhoud kan geven van de luidsprekeroproep, omdat ook rekening moet worden gehouden met de persoon en de omstandigheden waaronder de oproep plaatsvond. Zij is namelijk snel angstig en verward. Er kan volgens eiseres niet van een eenvoudige melkverkoopster worden verwacht dat zij in detail kan verklaren over wat er in de luidsprekeroproep is gezegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres ten onrechte tegenwerpt dat zij de concrete bewoording van de luidsprekeroproep niet kan weergeven, omdat het in de eerste plaats van belang is dat de verklaringen van eiseres hierover in samenhang moeten worden gezien met de andere incidenten die wel geloofwaardig zijn bevonden. De minister heeft dit echter niet (kenbaar) betrokken in het bestreden besluit. Ook heeft de minister hierbij geen rekening gehouden met de omstandigheid dat eiseres zeer angstig was toen de oproep werd gedaan. Dat eiseres de letterlijke tekst van de oproep had moeten kunnen weergeven, volgt de rechtbank onder die omstandigheden dan ook niet. Daar komt bij dat niet valt uit te sluiten dat eiseres zoals zij zelf aangeeft wel flarden heeft gehoord van wat door de luidspreker werd gezegd. Gelet op het vorenstaande, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de persoonlijke oproepen via de luidspreker tegen de melkverkoop door eiseres niet geloofwaardig zijn bevonden. Ook de tegenwerping dat de oproepen via de luidspreker niet stroken met openbare informatie, volgt de rechtbank niet. De minister baseert dit op de stelling dat eiseres niet een keer fysiek is aangevallen of rechtstreeks is geconfronteerd met persoonlijk geweld. Deze stelling is feitelijk onjuist nu de bekogeling en besmeuring van de woning wel geloofwaardig zijn geacht.
5.2.
In de zienswijze is eiseres ingegaan op de gestelde tegenstrijdigheid in de verklaringen over haar werkzaamheden. In het bestreden besluit is de minister hier niet op ingegaan. Dit is een gebrek in het besluit. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de gegeven verklaring onvoldoende zou zijn en ook onvoldoende gemotiveerd waarom ondanks de uitgebreide verklaringen van eiseres over haar werkzaamheden, niet gevolgd wordt dat zij een melkzaak runde en haar woning bekend stond als de woning van de Ahmadi melkverkopers. Ook in dit verband had de minister dit moeten beoordelen in samenhang met de wel geloofwaardig bevonden incidenten, namelijk het bekogelen van de woning en het besmeuren van de deur met het woord ‘kafir’.
Is er sprake van groepsvervolging van Ahmadi’s die uit Pakistan afkomstig zijn?
Wat is het betoog van eiseres?
6. Eiseres voert aan dat ten aanzien van Ahmadi’s in Pakistan van groepsvervolging zou moeten worden uitgegaan. Het dagelijks leven voor Ahmadi’s in Pakistan is namelijk onhoudbaar. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres gewezen op diverse
rapporten4. Eiseres verwijst hierbij ook naar het ambtsbericht5. Uit dit ambtsbericht blijkt bijvoorbeeld dat de situatie van Ahmadi’s de laatste twee jaar is verslechterd. Zij bleven namelijk doelwit van valse blasfemie beschuldigingen. Ook zou de Pakistan Electronic Crimes Act gebruikt worden om Ahmadi’s als groep te vervolgen. Het heeft volgens het ambtsbericht ook geen zin om naar een ander deel van Pakistan te verhuizen. Overal komen de Ahmadi’s dezelfde vijandigheid en discriminatie tegen. Het ambtsbericht benoemt daarnaast dat de risico’s voor Ahmadi’s nog groter zijn dan voor anderen. Zij worden namelijk op basis van hun geloof al als afvalligen gezien. Ahmadi’s voelen zich daarom zeer onveilig in Pakistan.
Wat is het standpunt van de minister?
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van groepsvervolging. Uit de door eiseres overgelegde informatie blijkt weliswaar dat er een zeker risico bestaat voor Ahmadi’s en dat een aantal geloofshandelingen worden verboden, maar daaruit blijkt niet dat de situatie voor Ahmadi’s in Pakistan onhoudbaar is en dat er sprake is van vervolging puur vanwege het zijn van Ahmadi. Eiseres valt als Ahmadi op grond van het landenbeleid weliswaar onder een risicoprofiel, maar ook bij een risicoprofiel blijft het individualiseringsvereiste gelden.6 Volgens de minister heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk, vanwege haar geloof, een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Pakistan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s in Pakistan. Uit de door eiseres ingebrachte informatie is namelijk gebleken dat de risico’s voor Ahmadi’s groter zijn dan voor anderen, enkel al op basis van het geloof.7 Zoals eiseres heeft aangevoerd, blijkt uit deze informatie onder meer dat de situatie van Ahmadi’s de laatste twee jaar is verslechterd, Ahmadi’s vals worden beschuldigd van blasfemie, nergens in Pakistan veilig zijn en het zelfs geen zin heeft om naar een ander deel van Pakistan te verhuizen omdat zij overal dezelfde vijandigheid zullen tegenkomen.8 Deze informatie wordt ondersteund door het geloofwaardige deel van het relaas van eiseres, te weten de bekogeling van de woning met stenen en het feit dat er ‘kafir’ op haar deur is geschreven. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden voldaan aan het individualiseringsvereiste dat uit het beleid volgt. Maar de verslechtering van de situatie voor Ahmadi’s die blijkt uit de door eiseres ingebrachte bronnen vergt van de minister een nadere motivering waarom er geen sprake zou zijn van groepsvervolging. Het standpunt van de minister tijdens de zitting dat de informatie is bekeken maar het individualiseringsvereiste gehandhaafd blijft, maakt het oordeel niet anders. De minister heeft hiermee namelijk nog steeds niet aan de hand van de ingebrachte informatie gemotiveerd waarom er geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s in Pakistan.
Tot slot heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom, gelet op de wel geloofwaardig geachte elementen, niet zou zijn voldaan aan het individualiseringsvereiste.
Deze beroepsgrond slaagt.
4 Bijvoorbeeld het USDOS-rapport over religieuze vrijheid d.d. 30 juni 2024 en het Human Rights Watch-rapport d.d. 16 januari 2025.
5 Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024.
6 Zoals genoemd in paragraaf C2/2.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
7 Zie pagina 69 van het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024.
8 Zie de pagina’s 67 en 68 van het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024.
Heeft de minister mogen concluderen dat eiseres niet persoonlijk aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM9?
Wat is het betoog van eiseres?
7. Eiseres voert aan dat, als het individualiseringsvereiste wel kan worden tegengeworpen, zij voldoende heeft ingebracht om aan te nemen dat zij aan het vereiste voldoet. Eiseres dient zich namelijk terughoudend op te stellen in het belijden van haar geloof uit angst om te worden vervolgd. In Pakistan heeft zij namelijk haar geloof in het geheim beleden, omdat zij hiertoe genoodzaakt was door de wetgeving in Pakistan. In Nederland kan zij haar geloof openlijk uiten, hoeft zij haar religieuze identiteit niet verborgen te houden en kan zij haar geloof belijden zoals zij dat wil. Dat is wat zij ook graag in Pakistan wil doen. Eiseres wenst in Pakistan onder meer openlijk over haar religieuze identiteit te praten, openlijk tablig te doen, vaker naar de moskee te gaan en grote bijeenkomsten bij te wonen zonder het risico te lopen om opgepakt te worden. Daarnaast voert eiseres aan dat zij al eerder slachtoffer is geworden van discriminatie en van ernstige schendingen van haar recht op godsdienstvrijheid. Eiseres stelt dat zij de bescherming van de Pakistaanse autoriteiten daartegen niet kan inroepen.
Wat is het standpunt van de minister?
7.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres niet heeft voldaan aan het individualiseringsvereiste, omdat niet elke aantasting van het recht op godsdienstvrijheid een daad van vervolging oplevert. Uit de verklaringen is namelijk niet gebleken dat eiseres in Nederland een zodanig verhoogde en onmisbare geloofsbeleving heeft ontwikkeld, dat het niet kunnen uitvoeren van die handelingen bij terugkeer tot vervolging leidt. Tijdens de zitting is namens de minister benadrukt dat het belijden van het geloof in Nederland niet wezenlijk verschilt van wat zij al in Pakistan deed. Daarnaast blijkt volgens de minister uit de verklaringen van eiseres niet dat de discriminatie die zij heeft ervaren haar zodanig in haar bestaansmogelijkheden heeft beperkt dat het voor haar onmogelijk was om in de maatschappij te kunnen functioneren Bovendien is uit de verklaringen van eiseres gebleken dat de protesten tegen Ahmadi’s niet de directe aanleiding zijn geweest voor het vertrek van eiseres.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres haar persoonlijke vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit de verklaringen van eiseres is namelijk gebleken dat zij in Pakistan in haar religieuze vrijheid werd beperkt. Eiseres heeft namelijk verklaard dat zij zich in Pakistan geen moslim mag noemen, geen koran mag lezen en niet mag bidden. Ook mag zij de kleding van haar geloof niet dragen en niemand op de islamitische manier begroeten. Daarnaast deed eiseres aan tablig, maar zij moest dit in het geheim uitvoeren uit angst om te worden opgepakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres haar verklaringen met betrekking tot het kunnen uiten van haar geloof voldoende op zichzelf betrokken, met name die over het uitvoeren van de tablig. Ook heeft eiseres verklaard over de discriminatie en bedreigingen die zij heeft ondervonden van haar geloof. Zo zijn er leuzen naar haar geroepen en zij is uitgescholden. Ook zijn er tijdens een protest stenen naar haar woning gegooid en werd ‘kafir’ op de deur geschreven. Dit heeft de minister ook geloofwaardig bevonden.
9 Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.2.
Daar komt bij dat uit jurisprudentie van de Afdeling10 blijkt dat de minister moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja op welke wijze, eiseres na terugkeer naar Pakistan uiting wil geven aan haar geloof.11 Bij deze beoordeling is van belang dat de minister van eiseres niet mag verlangen dat zij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend opstelt bij de uitoefening van haar geloof in Pakistan. Uit het dossier blijkt echter niet dat de minister hier voldoende onderzoek naar heeft gedaan en rekening heeft gehouden met de terughoudendheid van eiseres in het uiten van haar geloof. Uit het nader gehoor is bijvoorbeeld gebleken dat wel aan eiseres is gevraagd hoe zij haar geloof bij terugkeer in Pakistan zou willen uiten en hoe het voor haar heeft gevoeld om haar geloof in Pakistan niet te kunnen uiten12, maar de minister heeft naar aanleiding van haar antwoorden niet doorgevraagd. Het standpunt van de minister dat de geloofsactiviteiten van eiseres in Pakistan niet wezenlijk anders zijn dan in Nederland en er geen sprake is van een zodanige inperking van de geloofsvrijheid dat er kan worden gesproken van vervolging, wordt niet gevolgd. Uit de verklaringen van eiseres volgt namelijk dat, zoals hiervoor onder 7.1. is overwogen, zij werd beperkt in haar religieuze vrijheid en zich terughoudend op moest stellen. Daarbij komt dat de rechtbank met eiseres van oordeel is dat er een wezenlijk verschil is in hoe de gemeenschap zich moet gedragen in Pakistan en hoe eiseres zich in Nederland kan en heeft gedragen. Het standpunt van de minister dat niet valt in te zien waarom eiseres bij terugkeer wel zou worden vervolgd of een reëel risico op ernstige schade zou lopen terwijl dit de afgelopen 52 jaar ook niet het geval is geweest, volgt de rechtbank ook niet. Uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling13 blijkt namelijk dat uit de enkele omstandigheid dat de vreemdeling voor vertrek geen problemen zou hebben ondervonden bij zijn geloofsactiviteiten, niet kan worden afgeleid dat hij of zij bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging. Deze beroepsgrond slaagt.
7.3.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister zich tijdens de zitting ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het enkele feit dat eiseres niet zo spoedig mogelijk haar asielaanvraag heeft ingediend, voldoende is om de asielaanvraag af te wijzen. Uit artikel 4, vijfde lid van de Kwalificatierichtlijn14 volgt namelijk niet dat de minister steeds zonder meer tot de conclusie kan komen dat een asielmotief ongeloofwaardig is, als aan één of meerdere van de cumulatieve voorwaarden15 niet wordt voldaan. De minister moet bij de beoordeling van de geloofwaardigheid steeds alle omstandigheden in samenhang beoordelen.16 Eiseres heeft bovendien een logische reden gegeven voor het feit dat zij zich pas twee maanden na haar aankomst in Nederland heeft gemeld voor asiel. In de zienswijze heeft eiseres namelijk aangevoerd dat zij in die periode rechtmatig verblijf had op basis van haar visum, waardoor vertrek uit Nederland nog niet aan de orde was. Er speelden daarnaast omstandigheden binnen haar gezin die op dat moment prioriteit hadden, waardoor zij zich nog niet had gemeld voor asiel. Deze beroepsgrond slaagt.
10 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
11 Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667.
12 Zie pagina 13 en 14 van het rapport van het nader gehoor.
13 Zie wederom de uitspraak van de Afdeling van10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667.
14 Richtlijn 2011/95/EU.
15 Zoals opgenomen in artikel 31, zesde lid, van de Vw.
16 Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 6 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12624, r.o. 14.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd17. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op de aard van de gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
17 Strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 11 augustus 2025;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.