Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21713
Inhoudsindicatie
Beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring asielaanvraag. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres internationale bescherming in Frankrijk geniet en zij daardoor een zodanige band met Frankrijk heeft dat het redelijk is dat zij daarnaar terugkeert. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Frankrijk in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De minister heeft in dit verband kunnen overwegen dat eiseres onvoldoende inspanningen heeft verricht om haar rechten te effectueren, terwijl dit wel van haar verlangd mag worden. Daarnaast gaat het beroep van eiseres op het arrest C.K. niet op. Beroep ongegrond.
Citeert (7)
- ECLI:EU:C:2017:127
- ECLI:EU:C:2019:219
- ECLI:NL:RVS:2019:442 Raad van State 12-02-2019
- ECLI:NL:RVS:2024:1810 Raad van State 01-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2020:1203 Raad van State 13-05-2020
- ECLI:NL:RVS:2019:996 Raad van State 03-05-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:2385 Raad van State 15-07-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.214 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44283
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres,
(gemachtigde: mr. A. de Haan),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw1. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres internationale bescherming in Frankrijk geniet en zij daardoor een zodanige band met Frankrijk heeft dat het redelijk is dat zij daarnaar terugkeert. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Frankrijk in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM2 en artikel 4 van het Handvest3. De minister heeft in dit verband kunnen overwegen dat eiseres onvoldoende inspanningen heeft verricht om haar rechten te effectueren, terwijl dit wel van haar verlangd mag worden. Daarnaast gaat het beroep van eiseres op het arrest C.K.4 niet op. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
1. Vreemdelingenwet 2000.
2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3 Handvest van de grondenrechten van de Europese Unie.
4 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. e.a. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep5, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Pilon-Owliaee als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?
3. De minister concludeert in het bestreden besluit dat de asielaanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard6, omdat eiseres sinds 6 maart 2025 in Frankrijk internationale bescherming geniet. Dit blijkt uit de gegevens in het Eurodac-systeem. Ook heeft eiseres dit zelf bevestigd.7 Nu eiseres in het bezit is van internationale bescherming, is er volgens verweerder sprake van een zodanige band met Frankrijk, die sterker is dan de band met Nederland, dat het redelijk is om naar Frankrijk terug te keren. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Frankrijk in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiseres heeft volgens de minister onvoldoende inspanningen verricht, die redelijkerwijs van haar verwacht mogen worden, om haar rechten te effectueren of de bescherming van de Franse autoriteiten in te roepen tegen de door haar gestelde problemen.
Wat is het betoog van eiseres?
4. Eiseres voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres enkel vanwege het feit dat zij een verblijfsvergunning heeft in Frankrijk een sterkere band heeft met Frankrijk dan met Nederland. Eiseres heeft veel meegemaakt in Frankrijk en heeft daarvoor geen hulp gekregen. Dit maakt de band met Frankrijk juist zwakker. Eiseres stelt verder dat ten aanzien van Frankrijk niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat zij bij terugkeer naar Frankrijk een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.
4.1.
In dit verband voert eiseres aan dat zij vanwege haar psychische problematiek bijzonder kwetsbaar is, zoals bedoeld in het arrest Ibrahim8. Het is duidelijk dat eiseres psychisch in een zodanig deplorabele staat verkeert dat zij bij een volgende tegenslag weer suïcidale gedachten krijgt. In haar patiëntendossier is namelijk te lezen dat zij Nederland binnenkwam met stress, hartkloppingen, paniekaanvallen en suïcidale gedachten. De suïcidale gedachten leefden weer op toen eiseres het negatieve voornemen had ontvangen. Daarom kan van haar niet worden verwacht dat zij in Frankrijk in staat is haar rechten te effectueren. Eiseres meent daarnaast dat de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij zich tot de Franse autoriteiten had moeten wenden om haar beklag te doen. Zij heeft namelijk al om hulp gevraagd, maar heeft deze niet gekregen. Dit blijkt volgens eiseres ook uit de door haar overgelegde verklaring van de Iraanse vrouwenorganisatie in Frankrijk.
5 Geregistreerd onder zaaknummer NL25.44284, hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
6 Op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vw.
7 Zie pagina 3 van het gehoor bescherming EU.
8 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219.
4.2.
Tijdens de zitting is namens eiseres verder nog aangevoerd dat het arrest C.K. naar analogie op statushouders moet worden toegepast. Eiseres stelt namelijk dat terugkeer naar Frankrijk op zichzelf al zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand. Dit is in strijd met artikel 4 van het Handvest.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Internationale bescherming en de band met Frankrijk
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eiseres internationale bescherming geniet in Frankrijk. Wel is in geschil of daardoor de band met Frankrijk sterker is dan met Nederland en of het redelijk is dat eiseres naar Frankrijk terugkeert.
5.1.
Nu Frankrijk aan eiseres internationale bescherming heeft verleend en zij deze internationale beschermingsstatus nog steeds geniet, heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres een zodanige band heeft met Frankrijk, dat het voor haar redelijk is daarnaar terug te keren. Dit volgt ook uit vaste rechtspraak9 van de Afdeling10. De door eiseres aangevoerde omstandigheden maken het oordeel niet anders, gelet op wat de rechtbank hierna zal oordelen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De minister mag er in beginsel op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat de behandeling van statushouders in Frankrijk in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit volgt ook uit vaste rechtspraak van de Afdeling11. Uit het eerdergenoemde arrest Ibrahim volgt echter dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. De medische situatie van statushouders kan hen bijzonder kwetsbaar maken. Hun lichamelijke of psychische problemen kunnen een negatieve invloed hebben op de mate waarin zij zich zelfstandig staande kunnen houden in de maatschappij en hun rechten kunnen effectueren. Uit het arrest Ibrahim volgt verder dat de situatie zeer schrijnend moet zijn, wil artikel 3 EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest zich tegen terugsturen van statushouders verzetten.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat Frankrijk zich niet aan zijn verdragsverplichtingen houdt. Eiseres heeft op basis van haar verblijfsrecht gelijke rechten als Franse staatsburgers op het gebied van werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen. Uit de verklaringen van eiseres en de door haar overgelegde stukken blijkt niet dat zij niet dezelfde rechten heeft als Franse staatsburgers. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de verklaringen van eiseres blijkt dat zij wel opvang, medische hulp en hulp van de politie heeft ontvangen in Frankrijk. Voor zover de hulp ontoereikend zou zijn, ligt het op de weg van eiseres om hierover te klagen bij de (hogere) autoriteiten in Frankrijk. Dat zij hiertoe niet in staat zou zijn volgt de rechtbank niet en overweegt daartoe als volgt.
9 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:442.
10 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
11 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1810.
6.2.
Eiseres heeft verklaard dat zij in een brief aan een Franse instantie heeft gevraagd waarom zij geen gebruik heeft kunnen maken van sociale voorzieningen en waarom zij geen financiële hulp heeft gekregen en dat zij op deze brief geen antwoord heeft gekregen. Eiseres heeft echter na verzending van de brief zelf geen contact meer opgenomen met deze instantie en is zij naar Nederland vertrokken. Ten aanzien van de opvangvoorzieningen overweegt de rechtbank dat ter zitting is aangegeven dat eiseres geen problemen had met de eerste opvanglocatie maar dat zij problemen had met hulpverleners op de tweede opvanglocatie. Verder heeft eiseres aangegeven dat zij een Iraanse vrouwenorganisatie heeft benaderd om een klacht in te dienen over haar hulpverleners in de opvang. Zij heeft wel een gesprek gehad met de betreffende hulpverleners, maar zij heeft daarna geen verdere stappen ondernomen. Het standpunt van eiseres tijdens de zitting dat zij geen lid is van deze vrouwenorganisatie en dat de organisatie contact met haar zou hebben opgenomen om haar te helpen, maakt het oordeel niet anders. Dit is namelijk tegenstrijdig met de verklaring van eiseres tijdens haar gehoor dat zij zelf de Iraanse vrouwenorganisatie om hulp heeft gevraagd.12 Ook is uit de verklaringen van eiseres gebleken dat zij zelf aangifte heeft gedaan van de bedreigingen tegen haar. Volgens eiseres wilde de Franse politie hier verder geen opvolging aan geven. De rechtbank overweegt dat eiseres wel is verplaatst naar een andere opvanglocatie in verband met haar veiligheid. Als de politie in haar ogen te weinig actie heeft ondernomen, lag het op haar weg om hierover te klagen bij de Franse hogere autoriteiten dan wel de daartoe geëigende instanties. Dit heeft zij niet gedaan. Verder blijkt uit de verklaringen van eiseres dat zij in Frankrijk de beschikking had tot medische behandeling. Eiseres heeft namelijk in Frankrijk medicatie gekregen maar heeft deze niet ingenomen. Eiseres stelt dat zij therapie nodig heeft en die niet heeft gekregen, echter eisers is niet een medische deskundige en de arts die dat wel is heeft gemeend dat op dat moment therapie nog niet aan de orde was en haar medicatie voorgeschreven. Zoals gezegd heeft eiseres de medicatie niet ingenomen en is zij ook niet teruggegaan naar de arts om haar zorgen te bespreken. Tijdens de zitting heeft eiseres bovendien een brief van de GGZ Drenthe overgelegd waaruit blijkt dat zij in Nederland ook eerst medicatie heeft gekregen en in de toekomst zal worden behandeld voor PTSS. Dat eiseres in Frankrijk dus niet de benodigde medische hulp krijgt volgt de rechtbank dan ook niet. Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook dat eiseres ondanks haar medische gezondheidssituatie wel degelijk in staat is om haar rechten als statushouder te effectueren. Uit de overgelegde medische stukken volgt niet dat zij hiertoe niet in staat is.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Beroep op het arrest C.K.
7. De rechtbank overweegt dat eiseres in deze procedure geen geslaagd beroep kan doen op het arrest C.K. Zoals uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt, hoeft de minister bij het niet-ontvankelijk verklaren van een asielaanvraag geen beoordeling te maken als bedoeld in dat arrest, omdat een beroep op dat arrest niet kan leiden tot verlening van een asielvergunning.13 De minister hoeft in zo’n geval dus niet te beoordelen of het risico bestaat dat de overdracht of uitzetting van de betrokken vreemdeling aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor diens gezondheid zal hebben en welke voorzorgsmaatregelen nodig zijn om die gevolgen te voorkomen.
12 Zie pagina 5 van het rapport van het gehoor bescherming EU.
13 Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 13 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1203 en van 3 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:996.
8. Dit betekent echter niet, zoals de Afdeling ook overweegt in de uitspraak van 15 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2385), dat de medische situatie van statushouders bij de niet-ontvankelijkverklaring van hun asielaanvraag niet relevant is, wanneer zij, net als eiseres in feite, betogen dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, terechtkomen in leefomstandigheden die in strijd zijn met de artikel 3 van het EVRM en 4 van het Handvest. Uit de punten 86, 88 en 93 van het arrest Ibrahim volgt namelijk dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun wil en keuzes om, terecht zullen komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in de punten 89 tot en met 91 van dat arrest. Van een dergelijke toestand is in het geval van eiseres, gelet op wat hiervoor onder rechtsoverwegingen 6. tot en met 6.3 is overwogen, geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.