Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21711

2026-07-03 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.44856
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-03
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.44856
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing van opvolgende asielaanvraag. Het beroep is gegrond. De minister moet opnieuw op de aanvraag beslissen. De minister heeft niet voldaan aan de vergewisplicht met betrekking tot het onderzoek van Bureau Documenten. Daarnaast heeft de minister ten onrechte de conclusies uit het door eiseres overgelegde iMMO-rapport buiten beschouwing gelaten. De rechtbank ziet geen aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten van het iMMO-rapport.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.182 tekens)
uitspraak














RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.44856

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres, (gemachtigde: mr. I.M. Hidding),


en


de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. P. Loijenga).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw1. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft namelijk niet voldaan aan de vergewisplicht met betrekking tot het onderzoek van Bureau Documenten. Daarnaast heeft de minister ten onrechte de conclusies uit het door eiseres overgelegde iMMO-rapport buiten beschouwing gelaten. De rechtbank ziet geen aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten van het iMMO-rapport. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop


2. Eiseres heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Burundese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond2.


2.1.
Eiseres heeft op 17 september 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Eiseres heeft op 11 oktober 2025 een onvertaalde reactie van de Burundese ambassade op het weerwoord van Bureau Documenten van 12 september 2025 overgelegd.





1. Vreemdelingenwet 2000.
2 Op grond van artikel 31 van de Vw gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.




2.3.
De minister heeft op 15 april 2026 het tweede weerwoord van Bureau Documenten van 26 november 2025 overgelegd.



2.4.
Eiseres heeft op 14 april 2026 de reactie van het iMMO naar aanleiding van de vragen van de gemachtigde, de reactie van het iMMO op de uitspraak van de Afdeling3 van 2 april 20254 en een factuur van het iMMO voor het opstellen van de reactie overgelegd.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep5, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, F. Karekezi als tolk, de gemachtigde van de minister en mevrouw [naam] als vertegenwoordiger van het iMMO.




Beoordeling door de rechtbank



Inleiding


3. Eiseres heeft eerder op 17 oktober 2005 een asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag is bij besluit van 22 september 2006 afgewezen. Op 7 januari 20086 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Assen, het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard. Daarbij is het besluit van 22 september 2006 vernietigd en is de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Bij besluit van 18 maart 2008 is de aanvraag van 17 oktober 2005 wederom afgewezen. Op 1 juni 20107 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het daartegen door eiseres ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 20108 kennelijk ongegrond verklaard. Op 20 juni 2018 heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 26 juni 2018 is deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 20 september 20189 is het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep van eiseres is bij uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 201810 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Wat is het asielrelaas van eiseres?
4. Eiseres heeft aan haar vorige asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij problemen heeft gehad met militairen. In 2003 en 2005 zijn de militairen haar ouderlijk huis binnengevallen. Daarbij hebben zij eiseres met een mes op haar hoofd geslagen en haar ouders vermoord. Eiseres is meegenomen door de militairen en ontsnapt, waarna zij is gevlucht. Aan de huidige asielaanvraag heeft eiseres nieuwe documenten ten grondslag gelegd. Eiseres wenst met deze documenten de problemen met de militairen aan te tonen die in de voorgaande procedures ongeloofwaardig zijn geacht.

4.1.
Eiseres heeft daarnaast een iMMO-rapport overgelegd, wat dient als indicatie om tijdens de gehoren en besluitvorming rekening te houden met haar beperkte begripsniveau. Deze documenten tonen volgens eiseres ook haar psychische en lichamelijke problematiek





3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4 ECLI:NL:RVS:2025:1472.
5 Geregistreerd onder zaaknummer NL25.44857, hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
6 Geregistreerd onder zaaknummer AWB 06/51312.
7 Geregistreerd onder zaaknummer AWB 08/13672.
8 Geregistreerd onder zaaknummer 201006262/1/V1.
9 Geregistreerd onder zaaknummer NL18.12422.
10 Geregistreerd onder zaaknummer 201807882/1/VI.



aan, wat invloed kan hebben gehad op haar vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren tijdens de gehoren in de vorige procedures.




Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?


5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
- de problemen met de militairen.



De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres in de vorige procedures al geloofwaardig zijn bevonden en dit relevante element dus niet ter discussie staat. De problemen met de militairen zijn echter in de vorige procedures ongeloofwaardig geacht, wat in rechte vast is komen te staan. De door eiseres in deze procedure overgelegde documenten en het iMMO-rapport doen hieraan volgens de minister niet af. De overgelegde documenten zijn namelijk vals bevonden en frauduleus verkregen. Het iMMO-rapport maakt het oordeel ook niet anders, omdat in het rapport onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat de conclusie van het iMMO is gebaseerd op een specifiek op eiseres toegespitste beoordeling van haar vermogen om te verklaren zoals is vereist volgens de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025. Ook geeft de inhoud van het iMMO-rapport volgens de minister geen aanleiding om het eerdere ongeloofwaardig bevonden asielmotief alsnog geloofwaardig te vinden, aangezien de conclusies van het iMMO ruimte laten voor andere oorzaken van de littekens en fysieke klachten van eiseres. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.

Documenten: Heeft het onderzoek zorgvuldig plaatsgevonden en heeft de minister voldaan aan zijn vergewisplicht?





Wat is het betoog van eiseres?




6.1

Eiseres stelt dat de Burundese ambassade kennis heeft genomen van de door haar overgelegde documenten. De ambassade heeft deze documenten als authentiek aangemerkt. Eiseres stelt dat de Burundese autoriteiten kennis hebben van hun eigen documenten, omdat het ministerie anders geen documenten zou kunnen legaliseren bij gebrek aan referentiemateriaal. Dit vloeit logisch voort uit het legalisatiesysteem. Nu het voor de hand ligt dat ook de Burundese autoriteiten over referentiemateriaal beschikken, omdat zij logischerwijs voorbeelden nodig hebben om documenten te kunnen beoordelen en de ambassade aangeeft dat de documenten onderzocht zijn, had de minister volgens eiseres bij Bureau Documenten expliciet navraag moeten doen over welk referentiemateriaal, en de hoeveelheid daarvan, Bureau Documenten beschikt. Door dit na te laten, heeft de minister ten onrechte niet voldaan aan de vergewisplicht. De verwijzing van de minister naar het ambtsbericht11 gaat volgens eiseres niet op, omdat dit ambtsbericht ruim acht jaar oud is en het de periode bestrijkt van april 2015 tot eind 2016.

Wat is het standpunt van de minister?




6.2
De minister stelt zich op het standpunt dat aan de overgelegde documenten niet de waarde kan worden gehecht zoals eiseres dit wenst. Uit het onderzoek van Bureau Documenten is gebleken dat de documenten vals, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt of hoogstwaarschijnlijk niet echt zijn. Dat de Burundese






11 Algemeen ambtsbericht Burundi maart 2017.




ambassade de documenten heeft gezien en onderzocht, doet daar niets aan af. Bureau Documenten heeft in haar onderzoek en weerwoord uitvoerig gemotiveerd hoe zij tot deze conclusies is gekomen. Dat de Burundese autoriteiten over meer referentiemateriaal beschikken, dat Bureau Documenten minder actuele informatie heeft dan de Burundese autoriteiten en dat Bureau Documenten de technieken verkeerd heeft beoordeeld, zijn slechts vermoedens van eiseres. Bureau Documenten is daarnaast lid van de Kwaliteitskring Documenten en Betaalmiddelen. Borging van kwaliteit en expertise staat dan ook voorop. Dat aan een uitgegeven document van de Burundese autoriteiten zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan het onderzoek van Bureau Documenten, wordt dan ook niet gevolgd. Zeker niet nu het ambtsbericht12 spreekt over corruptie van overheidsfunctionarissen. Ondanks aanwezigheid van een legalisatie op een document kan dit document door Bureau Documenten dus wel degelijk als negatief worden beoordeeld.

Wat is het oordeel van de rechtbank?




6.3
De rechtbank zal hierna beoordelen of de minister, de verklaring van onderzoek van 29 oktober 2024 en de reacties van 12 september 2025 en 26 november 2025 van Bureau Documenten, aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen.


6.3.1
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een advies van Bureau Documenten een deskundigenadvies aan de minister is ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden.13 Ook volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat de minister in beginsel ervan mag uitgaan dat het advies/de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dat de redenering daarin begrijpelijk is en dat de getrokken conclusies daarop aansluiten.14 Dat laat echter onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de minister als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb15 meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. In die situaties kan hij niet volstaan met een verwijzing naar de conclusies van de verklaring van onderzoek.


6.3.2
In de verklaring van onderzoek van 29 oktober 2024 concludeert Bureau Documenten ten aanzien van de ziekenhuisverklaring met betrekking tot overlijden dat de verschijningsvorm, opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal en daarom hoogstwaarschijnlijk niet echt is. Ten aanzien van het uittreksel overlijdensakte van 8 september 2005 (nr. 96) geeft Bureau Documenten aan dat de verschijningsvorm, opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal en het document is voorzien van een legalisatie van Burundese Notariaat die afwijkt van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal en daarom is het document volgens Bureau Documenten vals. Nu het document wel gelegaliseerd is door de Burundese ambassade in Den Haag welke overeenkomt met het beschikbare referentiemateriaal is volgens Bureau Documenten sprake van een frauduleus verkregen legalisatie. Hetzelfde geldt voor het andere uittreksel overlijdensakte (nr. 95). Met betrekking tot de kopie uittreksel huwelijksakte stelt Bureau Documenten dat de opmaak en afgifte van het aan de kopie ten grondslag liggende document afwijkt van het beschikbare referentiemateriaal, het document





12 Algemeen ambtsbericht Burundi maart 2017.
13 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4543, onder 4.1.
14 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2765, onder 2.1.
15 Algemene wet bestuursrecht.



is daarom volgens Bureau Documenten niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Nu het document door het Burundese Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Burundese ambassade te Den Haag is gelegaliseerd, zouden de legalisaties frauduleus zijn verkregen.



De Burundese ambassade te Den Haag geeft in een brief van 12 december 2024 aan dat de ambassade minutieus onderzoek heeft gedaan naar de documenten in samenwerking met de bevoegde autoriteiten in Burundi en verklaart dat de overgelegde documenten zijn afgegeven door de bevoegde autoriteiten in Burundi.



In een verklaring van 12 september 2025 handhaaft Bureau Documenten het standpunt ten aanzien van de ziekenhuisverklaring, uittreksel overlijdensakte (nr. 96) en de huwelijksakte. Ten aanzien van het document met nr. 95 geeft Bureau Documenten nu aan dat het document, omdat de verschijningsvorm, opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Nu dit document wel is gelegaliseerd door het Burundese Notariaat, welke afwijkt van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal, is de legalisatie vals. De legalisatie van de Burundese ambassade te Den Haag komt overeen met het beschikbare vergelijkingsmateriaal maar omdat de verschijningsvorm, opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal is deze legalisatie met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus verkregen. Bureau documenten geeft verder aan dat de ambassade de documenten niet in origineel heeft gezien en onderzocht omdat de documenten in bewaring bij Bureau Documenten zijn gebleven en dat dit betekent dat de ambassade nimmer de technieken heeft kunnen vaststellen. Ook stelt Bureau Documenten dat de verklaring van de ambassade niets zegt over de notariële legalisaties van overlijdensakte-uittreksels. De Burundese ambassade maakt geen onderdeel uit van de legalisatieketen. Ook heeft de ambassade de originele huwelijksakte alleen gezien toen dit gelegaliseerd werd en niet ten tijde van het schrijven van 12 december 2024 wat betekent dat de ambassade de technieken onjuist beoordeeld heeft.
In een brief van 26 september 2025 herhaalt de Burundese ambassade dat de overlijdensakte-uittreksels en de huwelijksakte authentiek zijn. Wat betreft de onderzoeksprocedure om de authenticiteit van Burundese documenten te bepalen, geeft de ambassade aan dat de ambassade van Burundi in Den Haag de enige instantie is die de staat Burundi in Nederland vertegenwoordigt. Daarom beschikt zij over interne communicatiemiddelen met andere staatsinstanties die niet aan derden kunnen worden vrijgegeven.



6.3.3
De rechtbank stelt vast dat voor alle documenten geldt dat Bureau Documenten de conclusies dat de legalisaties (met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) frauduleus zijn verkregen baseert op de eigen conclusies dat de documenten vals dan wel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt zijn omdat deze qua verschijningsvorm, opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. De Burundese ambassade heeft aangegeven minutieus onderzoek te hebben gedaan naar de documenten in samenwerking met de autoriteiten die bevoegd zijn tot opmaak en afgifte van de documenten en verklaart dat de documenten authentiek zijn. Niet valt in te zien dat de Burundese autoriteiten over minder vergelijkingsmateriaal zouden beschikken dan Bureau Documenten heeft het onderzoek van de ambassade plaatsgevonden in samenwerking van de bevoegde autoriteiten. In de reactie gaat Bureau Documenten hier niet op in. Bureau Documenten stelt slechts dat de ambassade niet de juiste technieken heeft gebruikt omdat de



ambassade niet beschikte over de originele documenten. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat uit deze reactie niet duidelijk wordt op welke technieken Bureau Documenten doelt en waarom daarvoor gebruik van originele documenten noodzakelijk is. Daarnaast valt niet in te zien waarom andere technieken, waaronder verificatie bij de tot afgifte bevoegde instanties, niet zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de documenten wel authentiek zijn. Daar komt bij dat zoals eiseres er terecht op heeft gewezen dat haar de mogelijkheid is ontnomen om de originele stukken naar de Burundese ambassade te sturen voor nader onderzoek. De documenten liggen namelijk nog steeds bij Bureau Documenten en eiseres kan deze zelf niet opvragen, omdat Bureau Documenten deze enkel aan de minister of aan deskundigen verstuurt. Het is de rechtbank daarnaast gebleken dat eiseres de minister heeft verzocht haar te laten weten welke stappen er moeten worden ondernomen om de originele documenten door Bureau Documenten naar de ambassade te laten sturen.16 Hier heeft de minister niet op gereageerd. Tijdens de zitting heeft de minister desgevraagd aangegeven dit verzoek niet te hebben gezien, maar dat het wel mogelijk is om de originele documenten op te laten sturen als er een contra-expert is. Maar de ambassade krijgt alleen kopieën van de documenten, omdat deze niet als contra-expert wordt aangemerkt. Volgens de minister zet Bureau Documenten dan ook haar vraagtekens bij het minutieuze onderzoek van de ambassade omdat zij de originele documenten niet hebben gezien. De rechtbank is van oordeel dat niet valt in te zien en de minister heeft dit ook onvoldoende gemotiveerd waarom de ambassade in samenwerking met de bevoegde instanties niet als deskundig ten aanzien van de authenticiteit van documenten kan worden aangemerkt. De stelling van de minister ter zitting dat originele documenten niet naar de ambassade kunnen worden gestuurd, volgt de rechtbank ook niet. Uit een uitspraak van de Afdeling van 5 november 202517 volgt namelijk dat in die zaak wel degelijk originele documenten naar de Burundese ambassade zijn gestuurd voor onderzoek. Nu er voldoende aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de door Bureau Documenten getrokken conclusies en deze niet inzichtelijk en concludent zijn, had de minister deze verklaringen van Bureau Documenten niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Deze beroepsgrond slaagt.

Heeft de minister het iMMO-rapport (voldoende) bij het besluit betrokken?





Wat is het betoog van eiseres?





7.1
Eiseres betwist niet dat de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 bindend is. Het iMMO stelt echter in zijn reactie van 26 mei 2025 dat de werkwijze van het iMMO in lijn met de uitspraak van de Afdeling is aangepast. Eiseres benadrukt dat het iMMO in ieder geval deskundig mag worden geacht met betrekking tot de vraag of er sprake is van psychische (medische) problematiek en ook met betrekking tot de vraag of die problematiek aanwezig was tijdens het gehoor. De Afdeling concludeerde in haar uitspraak dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in de rapportage onvoldoende inzichtelijk had gemaakt dat de conclusie gebaseerd was op een op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. Eiseres stelt dat zij het iMMO heeft verzocht om in haar specifieke geval duidelijk te maken of er sprake is geweest van een toegespitste beoordeling. Het iMMO heeft in een brief van 14 april 2026 daar een bevestigende reactie op gegeven. Eiseres voert daarnaast aan dat de minister onzorgvuldig is omgegaan met de inhoud van het iMMO-rapport. De minister verwijst enkel naar de uitspraak van de Afdeling en dit is onvoldoende.





16 Zie pagina 2 van de zienswijze d.d. 15 september 2025.
17 ECLI:NL:RVS:2025:5321





Wat is het standpunt van de minister?




7.2

De minister stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 bindend is. Het iMMO doet met zijn kwalificaties geen uitspraak over de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Het rapport is daarbij afgewogen tegen de eerder ongeloofwaardig geachte verklaringen en de in de huidige procedure overgelegde documenten. Dit brengt geen verandering in het oordeel van de minister over de ongeloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen met de militairen. De verwijzing van eiseres naar de reactie van het iMMO op de uitspraak van de Afdeling gaat ook niet op, omdat dit de uitspraak van de Afdeling niet anders maakt. Daarnaast is volgens de minister in het geval van eiseres onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de conclusie in het rapport is gebaseerd op een specifiek op eiseres toegespitste beoordeling van haar vermogen om te verklaren. Het iMMO-rapport had nader inzicht moeten verschaffen op basis van welke bevindingen het iMMO tot de conclusie is gekomen en over hoe en in welke mate de psychische en medische problematiek van eiseres de werking van haar geheugen of delen hiervan heeft beïnvloed tijdens het asielgehoor. Dit is niet gedaan.

Wat is het oordeel van de rechtbank?




7.3

Het iMMO heeft in de brief van 14 april 2026 namelijk uitgebreid een reactie gegeven op de werkwijze van het iMMO in het geval van eiseres. Er ligt daarnaast een zeer uitgebreid rapport met daarin onder meer een beschrijving van op welke wijze er onderzoek is verricht en hoe met eiseres is gesproken. In het rapport is uitgelegd op basis van welke bevindingen het iMMO tot de conclusie is gekomen en welke invloed de psychische en medische problematiek van eiseres van invloed is op de gehoren. De rechtbank is daarom van oordeel dat er in dit geval wel degelijk sprake is van een op eiseres toegespitste beoordeling van haar vermogen om te verklaren. Op de zitting heeft de minister ook geen verduidelijking kunnen geven over waarom er volgens de minister geen sprake is van een op eiseres toegespitste beoordeling. De minister verwijst desgevraagd enkel naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 maar die verwijzing gaat gelet op wat hiervoor is overwogen in dit geval niet op. Deze beroepsgrond slaagt.

Moet de minister de kosten van het iMMO-rapport vergoeden?


Wat is het betoog van eiseres?




8.1
Eiseres voert aan dat de minister al veel eerder een medisch onderzoek aan had moeten bieden. Dit is echter nooit gebeurd. De minister heeft daardoor nooit onderkend dat sprake was van psychische problematiek. Hierdoor was het voor haar noodzakelijk om zelf een onderzoek aan te vragen. Eiseres meent dat de minister deze kosten dan ook zou moeten betalen.



Wat is het standpunt van de minister?




8.2
De minister stelt zich op het standpunt dat er geen reden bestaat voor vergoeding van de kosten van het onderzoek door het iMMO. In de opvolgende aanvraag heeft eiseres namelijk de problemen met de militairen niet alsnog geloofwaardig weten te maken.



Wat is het oordeel van de rechtbank?




8.3
In IB 2025/4 staat dat, als een iMMO-rapport wordt ontvangen in een opvolgende aanvraag, doorgaans niet zal worden overgegaan tot vergoeding van de kosten, ook niet als het rapport een aandeel heeft in de uiteindelijke inwilliging van een aanvraag. Dit zal anders zijn als:




de vreemdeling al in de eerste procedure om een iMMO-rapport heeft gevraagd, maar dit nog niet beschikbaar was ten tijde van het besluit of de behandeling van de zaak in beroep, en de minister en/of de rechtbank niet bereid was/waren de besluitvorming of het beroep aan te houden in afwachting van dit rapport; of


de vreemdeling feiten en omstandigheden naar voren brengt, op grond waarvan redelijkerwijs niet van hem kon worden verwacht dit rapport eerder in te dienen. Hierbij is er sprake van maatwerk. Bij maatwerk worden de merites van de individuele zaak onderzocht. Hiervoor kunnen (per definitie) geen criteria worden genoemd. In de beoordeling van de vraag of een iMMO-rapport voor vergoeding in aanmerking komt, wordt bezien wat de reden is waarom de vreemdeling het onderzoeksrapport naar eigen zeggen niet in de eerste procedure heeft overgelegd. Indien deze situaties zich voordoen zal alsnog tot vergoeding van de kosten worden overgegaan.




8.4
De rechtbank is van oordeel dat eiseres in beroep geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat niet redelijkerwijs van haar kon worden verwacht het iMMO-rapport al in een eerdere procedure in te dienen. De minister hoeft daarom niet tot vergoeding over te gaan van de kosten van het iMMO-rapport.




Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is, gelet op wat onder 6.3 tot en met 6.3.3 en onder 7.3 is overwogen, gegrond. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd.18 De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op de aard van de gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten.



6.1.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.19 De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.



6.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.



















18 Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.
19 Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.





Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van 16 september 2025;


draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;


veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.







Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Tijssen, griffier.









zaaknummer: NL25.44856


10












Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:



































Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.