Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21704
2026-06-29
Strafrecht
09-247836-25 en 13-228937-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor het plegen van een poging tot zware mishandeling, diestal met geweld, diefstal en mishandeling. Oplegging van tbs met dwang.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:959 Hoge Raad 22-04-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (62.517 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/247836-25 en 13/228937-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] (Hongarije),
op dit moment gedetineerd in de PI [plaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 5 januari 2026 (pro forma), 1 april 2026 en 15 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.J. Berghout naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummer 09/247836-25 (hierna: dagvaarding I), die is gewijzigd op de terechtzitting van 1 april 2026, en hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummer 13/228937-25 (hierna: dagvaarding II). De tekst is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Kort samengevat is aan de verdachte ten laste gelegd:
de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] in Nieuwveen op 21 september 2025;
de diefstal met geweld en/of de mishandeling van [slachtoffer 2] in Nieuwveen op 21 september 2025;
de diefstal met geweld en/of de mishandeling van [slachtoffer 3] in Schiedam op 21 september 2025 (dagvaarding I);
en de mishandeling van [slachtoffer 4] in Amsterdam op 28 augustus 2025 (dagvaarding II).
3De bewijsbeslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft:
vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 en onder 2 ten laste gelegde bepleit;
partiële vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde bepleit;
zich met betrekking tot het bij dagvaarding II ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit op dagvaarding II met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1300-2025215898, van de politie Eenheid Amsterdam, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 38).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 1 april 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , opgemaakt op 28 augustus 2025 met fotoblad letsel (p. 5-8).
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft ten aanzien van dagvaarding I in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Partiele vrijspraak
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken ten aanzien van het bij dagvaarding I, onder feit 3, ten laste gelegde geweld. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij op 21 september 2025 thuis is wakker geworden met een gezwollen en blauwe rechterzijde van zijn gezicht. Hij heeft daarover verklaard dat hij geen idee heeft hoe dit heeft kunnen gebeuren. De rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen niet vaststellen of het de verdachte is geweest die het letsel bij [slachtoffer 3] heeft toegebracht. Daarom zal de rechtbank de verdachte ten aanzien van het geweld partieel vrijspreken.
3.6.
Bewijsoverwegingen
Poging tot zware mishandeling [slachtoffer 1]
De rechtbank ziet zich voor het bij dagvaarding I, onder 1, ten laste gelegde de vraag gesteld of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring is vereist dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet moet hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . Van voorwaardelijk opzet is sprake indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg – in dit geval zwaar lichamelijk letsel – in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Niet alleen is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . Op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de verdachte een voorwerp gelijkend op een autokrik uit zijn auto heeft gepakt, op [slachtoffer 1] is afgerend en met dit voorwerp op hem heeft ingeslagen. Daarbij heeft de verdachte het hoofd van [slachtoffer 1] geraakt, terwijl [slachtoffer 1] zich afweerde. Hoewel niet is komen vast te staan welk voorwerp de verdachte precies heeft gebruikt, is gelet op de aangifte en de foto’s van het letsel van [slachtoffer 1] duidelijk dat gebruik is gemaakt van een hard (metalen) voorwerp. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een essentieel en kwetsbaar onderdeel van het lichaam is. Het slaan met een hard (metalen) voorwerp op iemands hoofd levert een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel op, zoals permanente beschadiging van de hersenfuncties.
De rechtbank is van oordeel dat deze geweldshandeling naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte deze aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] .
3.7.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van dagvaarding I:
1
hij op 21 september 2025 te Nieuwveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een hard (metalen) voorwerp in de richting van en op het hoofd van genoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2hij op 21 september 2025 te Nieuwveen een auto (Suzuki Wagon met kenteken [kenteken 1] ) en autosleutels, welke aan [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door genoemde [slachtoffer 2] op/tegen het gezicht en hoofd te stompen en/of slaan;
3hij op 21 september 2025 te Schiedam een auto (Nissan met kenteken [kenteken 2] ) en autosleutels, welke geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander, toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Ten aanzien van dagvaarding II:
hij op 28 augustus 2025 te Amsterdam [slachtoffer 4] heeft mishandeld door in/op/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 4] te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
5.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte, gelet op de conclusies van de geraadpleegde deskundige psycholoog en psychiater, volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard. Ondanks dat het feit op dagvaarding II niet in het onderzoek van de psychiater en de psycholoog is meegenomen, heeft de officier van justitie het vermoeden dat ook dit feit heeft plaatsgevonden terwijl bij de verdachte geen sprake was van vrije wilsvorming. De officier van justitie heeft verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en heeft verzocht om de verdachte van alle rechtsvervolging te ontslaan.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Pro Justitia-rapportages
De rechtbank heeft acht geslagen op de bevindingen en conclusies van dr. [naam 4] , BIG-geregistreerd psychiater en ingeschreven in het NRGD, en drs. J. Yntema, BIG-geregistreerd GZ-psycholoog, zoals neergelegd in hun gezamenlijke Pro Justitia-rapport van 30 december 2025.
De deskundigen komen in hun rapportage tot de volgende conclusie. Bij de verdachte is sprake van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis en amfetamines die beide in detentie in gedwongen remissie zijn gegaan.
Ten tijde van de ten laste gelegde feiten had de verdachte last van een achtervolgingswaan en paranoïde gedachtes die bij hem hebben geleid tot zijn vluchtgedrag. De ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis welke werden versterkt of aangewakkerd door het middelengebruik, maken dat er sprake was van een rechtstreekse doorwerking in de hem ten laste gelegde feiten. Zijn gedrag werd ten tijde van het ten laste gelegde voornamelijk vanuit de psychotische beleving gestuurd en zijn keuzemogelijkheden werden hierdoor ingeperkt. Dit maakt dat er gesproken kan worden van een volledige en rechtstreekse doorwerking in de hem ten laste gelegde feiten. Geadviseerd wordt om de verdachte het ten laste gelegde niet toe te rekenen.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de conclusies en adviezen van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken. Zij legt deze conclusies dan ook aan haar oordeel ten grondslag en komt op basis daarvan tot het oordeel dat het bewezenverklaarde niet aan de verdachte kan worden toegerekend omdat hij als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
6De oplegging van een maatregel
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: de tbs-maatregel) met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd (hierna: dwangverpleging) wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het disproportioneel is om een tbs-maatregel op te leggen. In verband met de bepleite vrijspraak voor de feiten op dagvaarding I onder 1 en 2, en de partiële vrijspraak voor feit 3, zou de tbs-maatregel enkel worden opgelegd voor een diefstal. Dat alleen al zou disproportioneel zijn. Daarnaast heeft de verdachte de wens om terug te keren naar Hongarije. Als de tbs-maatregel wordt opgelegd, zou het door de wachttijden voor plaatsing in een tbs-kliniek twee tot drie jaar kunnen duren voordat de verdachte aan zijn behandeling kan beginnen. Pas dan kan de maatregel worden overgedragen aan Hongarije. Tot die tijd zal de verdachte in de Penitentiaire Inrichting moeten wachten. Daar komt bij dat de behandeling van de verdachte voornamelijk gericht is op het gebruik van medicatie. De verdachte is nu medicatietrouw en de psychose is in remissie. Dat heeft een positief effect op de kans op recidive, die door de deskundigen was geschat op matig. Gelet op het voorgaande, het feit dat de verdachte first offender is, hij de wens heeft om terug te keren naar Hongarije en omdat een zorgmachtiging als niet doelmatig en noodzakelijk wordt geacht, is verzocht om geen tbs-maatregel op te leggen. Daarnaast is verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich zonder duidelijke aanleiding schuldig gemaakt aan mishandeling van een medewerker van de gemeente die bezig was met het legen van afvalbakken. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de het slachtoffer.
Een aantal weken later heeft de verdachte op één dag een drietal feiten gepleegd. Het begon met de diefstal van een auto waarmee hij de weg op is gegaan. Deze auto heeft hij later total loss gereden. Dit is een bijzonder vervelend feit. Nadat hij ongeveer een uur met deze auto had gereden, is hij ergens gestopt en heeft hij zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door zonder enige aanleiding het slachtoffer met een hard (metalen) voorwerp op het hoofd te slaan. Dat heeft geleid tot letsel en gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer. Het ging hierbij om een willekeurig slachtoffer, die een rondje aan het hardlopen was. Daarna is de verdachte doorgereden en heeft hij een ander (willekeurig) slachtoffer, die hem nota bene hulp wilde bieden, geslagen en diens auto gestolen. Dit slachtoffer zat langs de kant van de weg te vissen. Zijn auto heeft hij tegen een boom gereden. De verdachte heeft een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de willekeurige slachtoffers en hij heeft voertuigen gestolen als hem dat uitkwam. Hij heeft geen enkel blijk van respect voor de veiligheid van de slachtoffers gehad noch voor hun spullen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 december 2025 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.
Persoon van de verdachte
Omdat de verdachte niet strafbaar is, kan aan hem geen straf worden opgelegd. De rechtbank dient te onderzoeken of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechtbank in zeer sterke mate rekening met de rapportages en adviezen die door de deskundigen zijn opgesteld en gegeven (en hiervoor al werden aangehaald).
De Pro Justitia-rapportages
De psychiater heeft het risico op recidive op klinische gronden op matig ingeschat. De psychotische verschijnselen waren immers de belangrijkste delictfactor en deze verschijnselen zijn met medicatie al deels in remissie gegaan. In detentie waren er zolang de verdachte medicatie gebruikte dan ook geen gedragsproblemen. Om het risico op recidive verder te verlagen en de maatschappelijke veiligheid te waarborgen is het nodig dat de psychose van de verdachte zo volledig mogelijk in remissie gaat en ook blijft. Het is daarom van belang dat de verdachte zijn medicatie blijft gebruiken, mogelijk voor de rest van zijn leven. Verder is het nodig dat het middelengebruik gestaakt blijft, omdat dit psychotische verschijnselen kan versterken.
De psychiater heeft het volgende overwogen over het juridische kader waarin de behandeling zou moeten plaatsvinden. Het is een mogelijkheid om te onderzoeken of een zorgmachtiging kan worden afgegeven in het kader van de schakelbepaling artikel 2.3 van de Wet forensische zorg, zodat de verdachte op basis van deze maatregel klinisch kan worden behandeld. Aangezien de psychose reeds grotendeels in remissie is gegaan, is de verwachting dat de looptijd van de zorgmachtiging afdoende is om de psychose verder in remissie te laten gaan en de verdachte te repatriëren naar Hongarije. Een nadeel van deze maatregel is wel dat er geen controle is op de nazorg en de verdachte mogelijk ook kan beslissen om weer terug te keren naar Duitsland of Nederland, zoals hij ook van plan zei te zijn en dan wederom kan terugvallen als hij dan niet wordt behandeld en er weer een psychose ontstaat. Ook volstaat deze maatregel minder goed als verslavingsproblematiek toch een grotere rol speelt in de problematiek dan werd gedacht. Het opleggen van de tbs-maatregel is ook overwogen. Een tbs-maatregel met voorwaarden is doorgaans niet mogelijk als re-integratie door het ontbreken van een recht op sociale voorzieningen niet mogelijk is in Nederland, aldus de psychiater. Een tbs-maatregel met dwangverpleging kan door middel van de WETS (Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties) worden overgedragen aan Hongarije.
Deze forensische adviezen komen overeen met die van de psycholoog. De psycholoog heeft na de rapportagebespreking met de verdachte nog het volgende geschreven. Ondanks het goede voornemen van de verdachte om zijn medicatie te blijven nemen en mee te werken aan behandeling is de psycholoog van mening dat er bij de verdachte sprake is van een beperkt ziektebesef en -inzicht en dat de kans groot is dat hij in zijn motivatie voor behandeling en het nemen van medicatie blijft wisselen.
Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het advies van de reclassering van 17 maart 2026.
De reclassering schat het risico op recidive en letsel op gemiddeld en het risico op onttrekken aan voorwaarden op hoog. Dit laatste omdat verdachte zijn delictgedrag en ziektebeeld slechts ten dele erkent en geen hulpvraag heeft voor behandeling. Intensieve behandeling is noodzakelijk om recidive te voorkomen en de maatschappelijke veiligheid te waarborgen. Omtrent de tbs-maatregel met voorwaarden wordt negatief geadviseerd. Een klinische behandeling en resocialisatie in Nederland kent ernstige beperkingen en een tbs met voorwaarden kan niet naar Hongarije worden overgedragen. De toekomst voor de verdachte ligt niet in Nederland. Omdat hij geen recht heeft op sociale voorzieningen in Nederland zal hij moeten meewerken aan repatriëring naar Hongarije. Zijn wens om terug te keren naar Hongarije sluit hierbij aan. Het is wenselijk dat (klinische) behandeling en repatriëring geschieden binnen de tbs-maatregel met dwangverpleging. Alleen dan kan de benodigde klinische behandeling goed overlopen in een langdurig ambulant resocialisatietraject in Hongarije, zo blijkt uit de referenteninformatie van CTP Veldzicht.
Zorgmachtiging?
Op verzoek van de rechtbank is op 22 mei 2025 een zorgplan ten aanzien van de verdachte opgesteld. De geneesheer-directeur van Fivoor te Den Haag, [naam 1] , heeft in diens bevindingen van 9 juni 2026 het volgende aangegeven. Het zorgplan voldoet niet aan de uitgangspunten van de Wvggz. De geneesheer-directeur is van mening dat het niet noodzakelijk is om ten aanzien van de verdachte een zorgmachtiging te verlenen. De zorgmachtiging wordt als niet doelmatig gezien. De redenen hiervoor worden uiteengezet in zowel het bijgevoegde zorgplan als de medische verklaring.
Uit de medische verklaring van psychiater [naam 2] blijkt dat er geen noodzaak is om een zorgmachtiging te verlenen gezien het voorgenomen besluit van de verdachte om terug te keren naar Hongarije en het steunsysteem (familie) van de verdachte die welwillend is hem op te vangen door naar Nederland af te reizen en met hem terug te reizen naar Nederland. Een zorgmachtiging geldt niet in het land van herkomst. Tevens is sprake van een taalbarrière en daarom is het gunstiger voor de verdachte om in het land van herkomst behandeld te worden.
Uit het zorgplan van [naam 3] blijkt dat het ook niet doelmatig is om een zorgmachtiging te verlenen. Afgaande op de beschikbare informatie, is de verdachte nu psychiatrisch stabiel en lijkt een klinische opname na detentie daarom nu niet per sé nodig om verder te stabiliseren. Daar hoeft een zorgmachtiging dan ook niet voor te worden ingezet. Wanneer de verdachte vrij zou komen en daadwerkelijk terug zou gaan naar Hongarije of Duitsland, zoals hij aangeeft te willen, heeft een zorgmachtiging geen meerwaarde, omdat die immers enkel "binnen de Nederlandse grenzen" werkt. Wanneer de verdachte vrij zou komen en níet terug zou keren naar Hongarije of Duitsland, maar in Nederland zou blijven, dan biedt een zorgmachtiging vermoedelijk alleen "schijnveiligheid". Zonder enige sociaal maatschappelijke stabiliteit of voorzieningen om die stabiliteit te bereiken, is een zorgmachtiging meer een "lege schil", waarbij de ervaring in de GGZ leert dat iemand die niet van de voorzieningen gebruik kan maken, geen steunsysteem als familie hier heeft, én geen vaste verblijfs- of woonplek heeft, veelal uit beeld verdwijnt.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een zorgmachtiging in deze zaak geen passende optie, zodat de rechtbank deze ook niet ambtshalve zal afgeven.
Tbs met voorwaarden?
Zowel de onder 5.3 genoemde psycholoog en psychiater adviseren negatief over het opleggen van een tbs met voorwaarden. Re-integratie in Nederland is door het ontbreken van het recht op sociale voorzieningen immers niet mogelijk. Ook de reclassering adviseert negatief. De verdachte zal zich dan immers moeten kunnen conformeren aan een vrijwillige behandeling. Los van de beperkingen van een klinische behandeling in Nederland, de onmogelijkheid van het re-integreren in Nederland en de problemen bij het overdragen van een tbs met voorwaarden naar Hongarije, verwacht de reclassering ook problemen bij het conformeren aan de tbs met voorwaarden. De verdachte ziet zijn problematiek maar beperkt in en kan zich niet voorstellen wat nodig is om problemen te voorkomen. De noodzaak van een behandeling gericht op het voorkomen van recidive ziet hij niet.
Gelet op deze adviezen acht de rechtbank het opleggen van een tbs met voorwaarden eveneens geen passende optie.
Tbs met dwangverpleging
Op de zitting van 15 juni 2025 zijn de psychiater, dr. [naam 4] , en de reclasseringsmedewerker, dhr. [naam 5] , gehoord. De psychiater bleef bij zijn advies tot het opleggen van een tbs met dwangverpleging en heeft inzicht gegeven in de proportionaliteitsafweging die hij heeft gemaakt voor het juridische kader van de behandeling van de verdachte. Concluderend stelt hij het volgende. De psychose is de belangrijkste delictfactor en daarvoor is het absoluut noodzakelijk dat de verdachte medicijnen (een antipsychoticum) gebruikt en blijft gebruiken. Het risico dat de verdachte stopt met zijn medicatie, met alle gevolgen van dien, is te groot om geen behandeling middels een tbs met dwangverpleging te adviseren. Ook de reclasseringsmedewerker bleef bij het eerder gegeven advies; het is wenselijk dat (klinische) behandeling en repatriëring zal geschieden binnen de maatregel van tbs met dwangverpleging. Alleen dan kan de benodigde klinische behandeling goed overlopen in een langdurig ambulant resocialisatietraject in Hongarije.
De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapportages van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van de onderzoeken worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing.
De rechtbank neemt voornoemde conclusies uit de rapporten en hetgeen ook overigens op de terechtzitting naar voren is gebracht over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat het opleggen van een zorgmachtiging of een tbs met voorwaarden geen optie is en dat de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van een tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege eist. De rechtbank hecht daarbij vooral waarde aan het hoge recidiverisico in het geval dat de verdachte zou stoppen met medicatie. De deskundigen achten de tbs-maatregel met dwangverpleging proportioneel en de rechtbank sluit zich daarbij aan.
De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten voor het opleggen van de tbs-maatregel is voldaan. De bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling en de diefstal met geweld zijn misdrijven waarvoor op grond van art. 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is, terwijl tijdens het begaan van dit feit bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid van personen eist, dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege moet worden opgelegd.
Duur van de maatregel
Op grond van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, mag de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren niet te boven gaan, tenzij de tbs-maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (hierna: een geweldsmisdrijf). De beslissing over de vraag of de tbs-maatregel gemaximeerd is, is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht (Kamerstukken II 1992/93, 22 909, nr. 6, p. 5) gebaseerd op het oordeel over de aard van het feit. De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling en diefstal met geweld onder de omstandigheden waaronder die heeft plaatsgevonden kan worden aangemerkt als een geweldsmisdrijf. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de voorwaarde voor het opleggen van een ongemaximeerde tbs-maatregel. De rechtbank zal dan ook aan de verdachte een ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen.
7De vorderingen van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregelen
7.1.1.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.303,65, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.303,65 aan materiële schade (verlies van arbeidsvermogen) en € 1.000,- aan immateriële schade.
7.1.2.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.111,71, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.000,- aan immateriële schade en € 3.111,71 aan materiële schade, bestaande uit:
- € 1.200,- ( autovoertuig);
- € 29,10 ( aanvraag auto schorsing);
- € 72,- ( medische kosten tandprothese);
- € 1.247,11 ( verlies van arbeidsvermogen);
- € 15,99 ( nieuw telefoonhoesje);
- € 329,- ( nieuwe telefoon);
- € 87,44 ( nieuwe vishengels);
- € 126,57 ( nieuw rijbewijs);
- € 4,50 ( nieuwe vispas).
7.1.3.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 900,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade (auto total loss).
7.1.4.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 978,83, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 28,83 aan materiële schade (medische kosten) en € 950,- aan immateriële schade.
7.1.5.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 802,12, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 77,12 aan materiële schade (vergoeding bril en medische kosten) en € 725,- aan immateriële schade.
7.2.
Het standpunt van de officier van justitie
7.2.1.
De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , met vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.2.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoonposten niet voor toekenning in aanmerking komen en heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.766,72.
7.2.3.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij wegens het ontbreken van onderbouwing.
7.2.4.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bril niet voor toekenning in aanmerking komt en heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 735,76.
7.3.
Het standpunt van de verdediging
Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, dan wel dat de vorderingen dienen te worden afgewezen, indien geen straf of maatregel wordt opgelegd. De subsidiaire standpunten zijn hieronder per vordering weergegeven.
7.3.1.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
In verband met de bepleitte vrijspraak voor dit feit heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering dan wel dat de vordering moet worden afgewezen.
Verder heeft de verdediging opgemerkt dat de verklaring van Team Beach Break, de werkgever van de heer [slachtoffer 1] , is opgesteld voor de verzekering. Niet is duidelijk of de verzekering een bedrag heeft uitgekeerd. Wat de immateriële schade betreft, is een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2024 aangehaald. Die zaak is volgens de verdediging echter niet met deze zaak te vergelijken. In die zaak is komen vast te staan dat meermaals bovenhands en met kracht met een houten balk is geslagen. In deze zaak kan niet worden vastgesteld hoe is geslagen en wat de grootte is geweest van de sleutel waarmee is geslagen. [slachtoffer 1] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering dan wel dat de vordering moet worden afgewezen.
7.3.2.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
In verband met de bepleitte vrijspraak voor dit feit heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel dat de vordering moet worden afgewezen voor zover deze ziet op het schorsen van de auto, de schade aan de auto, de medische kosten tandprothese en de immateriële schadevergoeding.
Daarnaast heeft de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het tenlastegelegde en de gevorderde vergoeding voor de kosten van het telefoonhoesje, de telefoon, de vishengels, het rijbewijs en de vispas. De benadeelde partij moet voor dit deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering dan wel dat de vordering moet worden afgewezen.
7.3.3.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel dat de vordering moet worden afgewezen aangezien de vordering niet is onderbouwd met stukken.
7.3.4.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De verdediging heeft voor het geweldscomponent van dit feit vrijspraak bepleit. Daardoor is er geen rechtstreeks verband vast te stellen tussen de gevorderde bedragen en het strafbare feit. Daarnaast heeft de verdediging opgemerkt dat de uitspraak van het gerechtshof van 23 juli 2020, waar een beroep op is gedaan, een andere en niet-vergelijkbare casus betreft. In die zaak is de benadeelde door twee personen aangevallen bij zijn auto. De verdediging heeft zich op grond van het voorgaande op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering dan wel dat de vordering moet worden afgewezen.
7.3.5.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
Ten aanzien van de materiële deel van de vordering heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het tenlastegelegde en de gevorderde vergoeding voor de bril en de medische kosten. De benadeelde partij moet voor dit deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering dan wel dat de vordering moet worden afgewezen.
Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze moet worden gematigd tot een bedrag van € 350,-.
7.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat een benadeelde partij in het strafproces vergoeding kan vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden, indien voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256).
7.4.1.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit. De vordering is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een verklaring van zijn werkgever en loonstroken. Namens de benadeelde partij is ter zitting verklaard dat [slachtoffer 1] geen compensatie van de verzekering heeft ontvangen voor het verlies van zijn arbeidsvermogen.
De rechtbank zal de gevorderde materiële schade toewijzen, ter hoogte van het gevorderde bedrag.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij had immers een hoofdwond. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 750,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.053,65, bestaande uit € 1.303,65 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 21 september 2025 tot de dag van volledige betaling, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Omdat de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.053,65, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 1] .
7.4.2.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Materiële schade
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten nieuwe telefoon, nieuw telefoonhoesje, nieuw rijbewijs en nieuwe vispas, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien dit geen rechtstreekse schade is van het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde feit.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde feit. Ten aanzien van de post verlies van arbeidsvermogen is de vordering namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een verklaring van zijn werkgever en loonstroken. Ten aanzien van de posten autovoertuig en aanvraag auto schorsing is de vordering namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een expertiserapport van B. van den Honert en een factuur van het RDW. Ten aanzien van de post medische kosten tandprothese is de vordering namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een factuur van de zorgverzekering en een verklaring van de tandprotheticus over de betreffende behandeling.
De rechtbank zal de vordering voor zover die ziet op de posten autovoertuig, aanvraag auto schorsing, verlies van arbeidsvermogen en medische kosten tandprothese toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij had rechts een dikke wang, een snee boven zijn linker wenkbrauw en zijn lip was stuk. Ook zijn boven gebit was stuk. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 750,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.298,21, bestaande uit € 2.548,21 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 21 september 2025 tot de dag van volledige betaling, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Omdat de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.298,21, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 2] .
7.4.3.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de vordering niet is onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
7.4.4.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte zal worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde geweld.
7.4.5.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit. Door de mishandeling liep hij letsel op aan zijn gezicht. Hiervoor is hij naar de huisarts gegaan. De huisarts heeft wondgel voorgeschreven. De kosten hiervoor waren € 10,76. Namens de benadeelde partij is dit deel van de vordering voldoende onderbouwd met een brief van de huisarts en een factuur van de apotheek. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de bril, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien dit geen rechtstreekse schade is van het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 500,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 510,76, bestaande uit € 10,76 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Omdat de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding II bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 510,76, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 4] .
8Het inbeslaggenomen voorwerp
8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over het beslag.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over het beslag.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten 1 STK gereedschap (Omschrijving: wiel/steeksleutel PL1500-2025320078-G3390077).
9De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 300, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
dagvaarding I
ten aanzien van feit 1:
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken
ten aanzien van feit 3:
diefstal;
dagvaarding II
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor niet strafbaar;
ontslaat de verdachte ter zake van alle rechtsvervolging;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;
beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.053,65 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.053,65, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 1] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.298,21 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.298,21, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 2] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 32 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 4]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 510,67 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 4] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 510,76, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 augustus 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 4] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
het inbeslaggenomen goed
gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK gereedschap (Omschrijving: wiel/steeksleutel PL1500-2025320078-G3390077).
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M.A. de Koning, voorzitter,
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechter,
mr. Y.H.M. de Groot, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.M.R. Berendsen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2026.
Bijlage I
ten aanzien van dagvaarding met parketnummer 09/247836-25 (dagvaarding I):
1
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Nieuwveen, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een krik en/of steeksleutel, althans een hard (metalen) voorwerp meerdere malen althans eenmaal in de richting van en/of op/tegen het hoofd van genoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Nieuwveen, in elk geval in Nederland een auto (Suzuki Wagon met kenteken [kenteken 1] ) en/of autosleutels en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door genoemde [slachtoffer 2] meerdere malen althans eenmaal op/tegen het gezicht en/of hoofd te stompen en/of slaan;
en/of
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Nieuwveen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] te slaan en/of te stompen;
3
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Schiedam, in elk geval in Nederland een auto (Nissan met kenteken [kenteken 2] ) en/of autosleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door genoemde [slachtoffer 3] meerdere malen althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of gezicht te stompen en/of slaan;
en/of
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Schiedam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 3] te slaan en/of te stompen;
ten aanzien van dagvaarding met parketnummer 13/228937-25 (dagvaarding II):
hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 4] te slaan.
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/247836-25 en 13/228937-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] (Hongarije),
op dit moment gedetineerd in de PI [plaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 5 januari 2026 (pro forma), 1 april 2026 en 15 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.J. Berghout naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummer 09/247836-25 (hierna: dagvaarding I), die is gewijzigd op de terechtzitting van 1 april 2026, en hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummer 13/228937-25 (hierna: dagvaarding II). De tekst is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Kort samengevat is aan de verdachte ten laste gelegd:
de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] in Nieuwveen op 21 september 2025;
de diefstal met geweld en/of de mishandeling van [slachtoffer 2] in Nieuwveen op 21 september 2025;
de diefstal met geweld en/of de mishandeling van [slachtoffer 3] in Schiedam op 21 september 2025 (dagvaarding I);
en de mishandeling van [slachtoffer 4] in Amsterdam op 28 augustus 2025 (dagvaarding II).
3De bewijsbeslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft:
vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 en onder 2 ten laste gelegde bepleit;
partiële vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde bepleit;
zich met betrekking tot het bij dagvaarding II ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit op dagvaarding II met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1300-2025215898, van de politie Eenheid Amsterdam, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 38).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 1 april 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , opgemaakt op 28 augustus 2025 met fotoblad letsel (p. 5-8).
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft ten aanzien van dagvaarding I in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Partiele vrijspraak
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken ten aanzien van het bij dagvaarding I, onder feit 3, ten laste gelegde geweld. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij op 21 september 2025 thuis is wakker geworden met een gezwollen en blauwe rechterzijde van zijn gezicht. Hij heeft daarover verklaard dat hij geen idee heeft hoe dit heeft kunnen gebeuren. De rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen niet vaststellen of het de verdachte is geweest die het letsel bij [slachtoffer 3] heeft toegebracht. Daarom zal de rechtbank de verdachte ten aanzien van het geweld partieel vrijspreken.
3.6.
Bewijsoverwegingen
Poging tot zware mishandeling [slachtoffer 1]
De rechtbank ziet zich voor het bij dagvaarding I, onder 1, ten laste gelegde de vraag gesteld of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring is vereist dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet moet hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . Van voorwaardelijk opzet is sprake indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg – in dit geval zwaar lichamelijk letsel – in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Niet alleen is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . Op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de verdachte een voorwerp gelijkend op een autokrik uit zijn auto heeft gepakt, op [slachtoffer 1] is afgerend en met dit voorwerp op hem heeft ingeslagen. Daarbij heeft de verdachte het hoofd van [slachtoffer 1] geraakt, terwijl [slachtoffer 1] zich afweerde. Hoewel niet is komen vast te staan welk voorwerp de verdachte precies heeft gebruikt, is gelet op de aangifte en de foto’s van het letsel van [slachtoffer 1] duidelijk dat gebruik is gemaakt van een hard (metalen) voorwerp. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een essentieel en kwetsbaar onderdeel van het lichaam is. Het slaan met een hard (metalen) voorwerp op iemands hoofd levert een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel op, zoals permanente beschadiging van de hersenfuncties.
De rechtbank is van oordeel dat deze geweldshandeling naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte deze aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] .
3.7.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van dagvaarding I:
1
hij op 21 september 2025 te Nieuwveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een hard (metalen) voorwerp in de richting van en op het hoofd van genoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2hij op 21 september 2025 te Nieuwveen een auto (Suzuki Wagon met kenteken [kenteken 1] ) en autosleutels, welke aan [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door genoemde [slachtoffer 2] op/tegen het gezicht en hoofd te stompen en/of slaan;
3hij op 21 september 2025 te Schiedam een auto (Nissan met kenteken [kenteken 2] ) en autosleutels, welke geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander, toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Ten aanzien van dagvaarding II:
hij op 28 augustus 2025 te Amsterdam [slachtoffer 4] heeft mishandeld door in/op/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 4] te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
5.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte, gelet op de conclusies van de geraadpleegde deskundige psycholoog en psychiater, volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard. Ondanks dat het feit op dagvaarding II niet in het onderzoek van de psychiater en de psycholoog is meegenomen, heeft de officier van justitie het vermoeden dat ook dit feit heeft plaatsgevonden terwijl bij de verdachte geen sprake was van vrije wilsvorming. De officier van justitie heeft verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en heeft verzocht om de verdachte van alle rechtsvervolging te ontslaan.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Pro Justitia-rapportages
De rechtbank heeft acht geslagen op de bevindingen en conclusies van dr. [naam 4] , BIG-geregistreerd psychiater en ingeschreven in het NRGD, en drs. J. Yntema, BIG-geregistreerd GZ-psycholoog, zoals neergelegd in hun gezamenlijke Pro Justitia-rapport van 30 december 2025.
De deskundigen komen in hun rapportage tot de volgende conclusie. Bij de verdachte is sprake van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis en amfetamines die beide in detentie in gedwongen remissie zijn gegaan.
Ten tijde van de ten laste gelegde feiten had de verdachte last van een achtervolgingswaan en paranoïde gedachtes die bij hem hebben geleid tot zijn vluchtgedrag. De ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis welke werden versterkt of aangewakkerd door het middelengebruik, maken dat er sprake was van een rechtstreekse doorwerking in de hem ten laste gelegde feiten. Zijn gedrag werd ten tijde van het ten laste gelegde voornamelijk vanuit de psychotische beleving gestuurd en zijn keuzemogelijkheden werden hierdoor ingeperkt. Dit maakt dat er gesproken kan worden van een volledige en rechtstreekse doorwerking in de hem ten laste gelegde feiten. Geadviseerd wordt om de verdachte het ten laste gelegde niet toe te rekenen.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de conclusies en adviezen van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken. Zij legt deze conclusies dan ook aan haar oordeel ten grondslag en komt op basis daarvan tot het oordeel dat het bewezenverklaarde niet aan de verdachte kan worden toegerekend omdat hij als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
6De oplegging van een maatregel
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: de tbs-maatregel) met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd (hierna: dwangverpleging) wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het disproportioneel is om een tbs-maatregel op te leggen. In verband met de bepleite vrijspraak voor de feiten op dagvaarding I onder 1 en 2, en de partiële vrijspraak voor feit 3, zou de tbs-maatregel enkel worden opgelegd voor een diefstal. Dat alleen al zou disproportioneel zijn. Daarnaast heeft de verdachte de wens om terug te keren naar Hongarije. Als de tbs-maatregel wordt opgelegd, zou het door de wachttijden voor plaatsing in een tbs-kliniek twee tot drie jaar kunnen duren voordat de verdachte aan zijn behandeling kan beginnen. Pas dan kan de maatregel worden overgedragen aan Hongarije. Tot die tijd zal de verdachte in de Penitentiaire Inrichting moeten wachten. Daar komt bij dat de behandeling van de verdachte voornamelijk gericht is op het gebruik van medicatie. De verdachte is nu medicatietrouw en de psychose is in remissie. Dat heeft een positief effect op de kans op recidive, die door de deskundigen was geschat op matig. Gelet op het voorgaande, het feit dat de verdachte first offender is, hij de wens heeft om terug te keren naar Hongarije en omdat een zorgmachtiging als niet doelmatig en noodzakelijk wordt geacht, is verzocht om geen tbs-maatregel op te leggen. Daarnaast is verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich zonder duidelijke aanleiding schuldig gemaakt aan mishandeling van een medewerker van de gemeente die bezig was met het legen van afvalbakken. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de het slachtoffer.
Een aantal weken later heeft de verdachte op één dag een drietal feiten gepleegd. Het begon met de diefstal van een auto waarmee hij de weg op is gegaan. Deze auto heeft hij later total loss gereden. Dit is een bijzonder vervelend feit. Nadat hij ongeveer een uur met deze auto had gereden, is hij ergens gestopt en heeft hij zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door zonder enige aanleiding het slachtoffer met een hard (metalen) voorwerp op het hoofd te slaan. Dat heeft geleid tot letsel en gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer. Het ging hierbij om een willekeurig slachtoffer, die een rondje aan het hardlopen was. Daarna is de verdachte doorgereden en heeft hij een ander (willekeurig) slachtoffer, die hem nota bene hulp wilde bieden, geslagen en diens auto gestolen. Dit slachtoffer zat langs de kant van de weg te vissen. Zijn auto heeft hij tegen een boom gereden. De verdachte heeft een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de willekeurige slachtoffers en hij heeft voertuigen gestolen als hem dat uitkwam. Hij heeft geen enkel blijk van respect voor de veiligheid van de slachtoffers gehad noch voor hun spullen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 december 2025 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.
Persoon van de verdachte
Omdat de verdachte niet strafbaar is, kan aan hem geen straf worden opgelegd. De rechtbank dient te onderzoeken of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechtbank in zeer sterke mate rekening met de rapportages en adviezen die door de deskundigen zijn opgesteld en gegeven (en hiervoor al werden aangehaald).
De Pro Justitia-rapportages
De psychiater heeft het risico op recidive op klinische gronden op matig ingeschat. De psychotische verschijnselen waren immers de belangrijkste delictfactor en deze verschijnselen zijn met medicatie al deels in remissie gegaan. In detentie waren er zolang de verdachte medicatie gebruikte dan ook geen gedragsproblemen. Om het risico op recidive verder te verlagen en de maatschappelijke veiligheid te waarborgen is het nodig dat de psychose van de verdachte zo volledig mogelijk in remissie gaat en ook blijft. Het is daarom van belang dat de verdachte zijn medicatie blijft gebruiken, mogelijk voor de rest van zijn leven. Verder is het nodig dat het middelengebruik gestaakt blijft, omdat dit psychotische verschijnselen kan versterken.
De psychiater heeft het volgende overwogen over het juridische kader waarin de behandeling zou moeten plaatsvinden. Het is een mogelijkheid om te onderzoeken of een zorgmachtiging kan worden afgegeven in het kader van de schakelbepaling artikel 2.3 van de Wet forensische zorg, zodat de verdachte op basis van deze maatregel klinisch kan worden behandeld. Aangezien de psychose reeds grotendeels in remissie is gegaan, is de verwachting dat de looptijd van de zorgmachtiging afdoende is om de psychose verder in remissie te laten gaan en de verdachte te repatriëren naar Hongarije. Een nadeel van deze maatregel is wel dat er geen controle is op de nazorg en de verdachte mogelijk ook kan beslissen om weer terug te keren naar Duitsland of Nederland, zoals hij ook van plan zei te zijn en dan wederom kan terugvallen als hij dan niet wordt behandeld en er weer een psychose ontstaat. Ook volstaat deze maatregel minder goed als verslavingsproblematiek toch een grotere rol speelt in de problematiek dan werd gedacht. Het opleggen van de tbs-maatregel is ook overwogen. Een tbs-maatregel met voorwaarden is doorgaans niet mogelijk als re-integratie door het ontbreken van een recht op sociale voorzieningen niet mogelijk is in Nederland, aldus de psychiater. Een tbs-maatregel met dwangverpleging kan door middel van de WETS (Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties) worden overgedragen aan Hongarije.
Deze forensische adviezen komen overeen met die van de psycholoog. De psycholoog heeft na de rapportagebespreking met de verdachte nog het volgende geschreven. Ondanks het goede voornemen van de verdachte om zijn medicatie te blijven nemen en mee te werken aan behandeling is de psycholoog van mening dat er bij de verdachte sprake is van een beperkt ziektebesef en -inzicht en dat de kans groot is dat hij in zijn motivatie voor behandeling en het nemen van medicatie blijft wisselen.
Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het advies van de reclassering van 17 maart 2026.
De reclassering schat het risico op recidive en letsel op gemiddeld en het risico op onttrekken aan voorwaarden op hoog. Dit laatste omdat verdachte zijn delictgedrag en ziektebeeld slechts ten dele erkent en geen hulpvraag heeft voor behandeling. Intensieve behandeling is noodzakelijk om recidive te voorkomen en de maatschappelijke veiligheid te waarborgen. Omtrent de tbs-maatregel met voorwaarden wordt negatief geadviseerd. Een klinische behandeling en resocialisatie in Nederland kent ernstige beperkingen en een tbs met voorwaarden kan niet naar Hongarije worden overgedragen. De toekomst voor de verdachte ligt niet in Nederland. Omdat hij geen recht heeft op sociale voorzieningen in Nederland zal hij moeten meewerken aan repatriëring naar Hongarije. Zijn wens om terug te keren naar Hongarije sluit hierbij aan. Het is wenselijk dat (klinische) behandeling en repatriëring geschieden binnen de tbs-maatregel met dwangverpleging. Alleen dan kan de benodigde klinische behandeling goed overlopen in een langdurig ambulant resocialisatietraject in Hongarije, zo blijkt uit de referenteninformatie van CTP Veldzicht.
Zorgmachtiging?
Op verzoek van de rechtbank is op 22 mei 2025 een zorgplan ten aanzien van de verdachte opgesteld. De geneesheer-directeur van Fivoor te Den Haag, [naam 1] , heeft in diens bevindingen van 9 juni 2026 het volgende aangegeven. Het zorgplan voldoet niet aan de uitgangspunten van de Wvggz. De geneesheer-directeur is van mening dat het niet noodzakelijk is om ten aanzien van de verdachte een zorgmachtiging te verlenen. De zorgmachtiging wordt als niet doelmatig gezien. De redenen hiervoor worden uiteengezet in zowel het bijgevoegde zorgplan als de medische verklaring.
Uit de medische verklaring van psychiater [naam 2] blijkt dat er geen noodzaak is om een zorgmachtiging te verlenen gezien het voorgenomen besluit van de verdachte om terug te keren naar Hongarije en het steunsysteem (familie) van de verdachte die welwillend is hem op te vangen door naar Nederland af te reizen en met hem terug te reizen naar Nederland. Een zorgmachtiging geldt niet in het land van herkomst. Tevens is sprake van een taalbarrière en daarom is het gunstiger voor de verdachte om in het land van herkomst behandeld te worden.
Uit het zorgplan van [naam 3] blijkt dat het ook niet doelmatig is om een zorgmachtiging te verlenen. Afgaande op de beschikbare informatie, is de verdachte nu psychiatrisch stabiel en lijkt een klinische opname na detentie daarom nu niet per sé nodig om verder te stabiliseren. Daar hoeft een zorgmachtiging dan ook niet voor te worden ingezet. Wanneer de verdachte vrij zou komen en daadwerkelijk terug zou gaan naar Hongarije of Duitsland, zoals hij aangeeft te willen, heeft een zorgmachtiging geen meerwaarde, omdat die immers enkel "binnen de Nederlandse grenzen" werkt. Wanneer de verdachte vrij zou komen en níet terug zou keren naar Hongarije of Duitsland, maar in Nederland zou blijven, dan biedt een zorgmachtiging vermoedelijk alleen "schijnveiligheid". Zonder enige sociaal maatschappelijke stabiliteit of voorzieningen om die stabiliteit te bereiken, is een zorgmachtiging meer een "lege schil", waarbij de ervaring in de GGZ leert dat iemand die niet van de voorzieningen gebruik kan maken, geen steunsysteem als familie hier heeft, én geen vaste verblijfs- of woonplek heeft, veelal uit beeld verdwijnt.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een zorgmachtiging in deze zaak geen passende optie, zodat de rechtbank deze ook niet ambtshalve zal afgeven.
Tbs met voorwaarden?
Zowel de onder 5.3 genoemde psycholoog en psychiater adviseren negatief over het opleggen van een tbs met voorwaarden. Re-integratie in Nederland is door het ontbreken van het recht op sociale voorzieningen immers niet mogelijk. Ook de reclassering adviseert negatief. De verdachte zal zich dan immers moeten kunnen conformeren aan een vrijwillige behandeling. Los van de beperkingen van een klinische behandeling in Nederland, de onmogelijkheid van het re-integreren in Nederland en de problemen bij het overdragen van een tbs met voorwaarden naar Hongarije, verwacht de reclassering ook problemen bij het conformeren aan de tbs met voorwaarden. De verdachte ziet zijn problematiek maar beperkt in en kan zich niet voorstellen wat nodig is om problemen te voorkomen. De noodzaak van een behandeling gericht op het voorkomen van recidive ziet hij niet.
Gelet op deze adviezen acht de rechtbank het opleggen van een tbs met voorwaarden eveneens geen passende optie.
Tbs met dwangverpleging
Op de zitting van 15 juni 2025 zijn de psychiater, dr. [naam 4] , en de reclasseringsmedewerker, dhr. [naam 5] , gehoord. De psychiater bleef bij zijn advies tot het opleggen van een tbs met dwangverpleging en heeft inzicht gegeven in de proportionaliteitsafweging die hij heeft gemaakt voor het juridische kader van de behandeling van de verdachte. Concluderend stelt hij het volgende. De psychose is de belangrijkste delictfactor en daarvoor is het absoluut noodzakelijk dat de verdachte medicijnen (een antipsychoticum) gebruikt en blijft gebruiken. Het risico dat de verdachte stopt met zijn medicatie, met alle gevolgen van dien, is te groot om geen behandeling middels een tbs met dwangverpleging te adviseren. Ook de reclasseringsmedewerker bleef bij het eerder gegeven advies; het is wenselijk dat (klinische) behandeling en repatriëring zal geschieden binnen de maatregel van tbs met dwangverpleging. Alleen dan kan de benodigde klinische behandeling goed overlopen in een langdurig ambulant resocialisatietraject in Hongarije.
De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapportages van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van de onderzoeken worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing.
De rechtbank neemt voornoemde conclusies uit de rapporten en hetgeen ook overigens op de terechtzitting naar voren is gebracht over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat het opleggen van een zorgmachtiging of een tbs met voorwaarden geen optie is en dat de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van een tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege eist. De rechtbank hecht daarbij vooral waarde aan het hoge recidiverisico in het geval dat de verdachte zou stoppen met medicatie. De deskundigen achten de tbs-maatregel met dwangverpleging proportioneel en de rechtbank sluit zich daarbij aan.
De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten voor het opleggen van de tbs-maatregel is voldaan. De bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling en de diefstal met geweld zijn misdrijven waarvoor op grond van art. 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is, terwijl tijdens het begaan van dit feit bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid van personen eist, dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege moet worden opgelegd.
Duur van de maatregel
Op grond van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, mag de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren niet te boven gaan, tenzij de tbs-maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (hierna: een geweldsmisdrijf). De beslissing over de vraag of de tbs-maatregel gemaximeerd is, is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht (Kamerstukken II 1992/93, 22 909, nr. 6, p. 5) gebaseerd op het oordeel over de aard van het feit. De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling en diefstal met geweld onder de omstandigheden waaronder die heeft plaatsgevonden kan worden aangemerkt als een geweldsmisdrijf. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de voorwaarde voor het opleggen van een ongemaximeerde tbs-maatregel. De rechtbank zal dan ook aan de verdachte een ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen.
7De vorderingen van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregelen
7.1.1.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.303,65, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.303,65 aan materiële schade (verlies van arbeidsvermogen) en € 1.000,- aan immateriële schade.
7.1.2.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.111,71, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.000,- aan immateriële schade en € 3.111,71 aan materiële schade, bestaande uit:
- € 1.200,- ( autovoertuig);
- € 29,10 ( aanvraag auto schorsing);
- € 72,- ( medische kosten tandprothese);
- € 1.247,11 ( verlies van arbeidsvermogen);
- € 15,99 ( nieuw telefoonhoesje);
- € 329,- ( nieuwe telefoon);
- € 87,44 ( nieuwe vishengels);
- € 126,57 ( nieuw rijbewijs);
- € 4,50 ( nieuwe vispas).
7.1.3.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 900,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade (auto total loss).
7.1.4.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 978,83, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 28,83 aan materiële schade (medische kosten) en € 950,- aan immateriële schade.
7.1.5.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 802,12, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 77,12 aan materiële schade (vergoeding bril en medische kosten) en € 725,- aan immateriële schade.
7.2.
Het standpunt van de officier van justitie
7.2.1.
De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , met vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.2.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoonposten niet voor toekenning in aanmerking komen en heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.766,72.
7.2.3.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij wegens het ontbreken van onderbouwing.
7.2.4.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bril niet voor toekenning in aanmerking komt en heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 735,76.
7.3.
Het standpunt van de verdediging
Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, dan wel dat de vorderingen dienen te worden afgewezen, indien geen straf of maatregel wordt opgelegd. De subsidiaire standpunten zijn hieronder per vordering weergegeven.
7.3.1.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
In verband met de bepleitte vrijspraak voor dit feit heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering dan wel dat de vordering moet worden afgewezen.
Verder heeft de verdediging opgemerkt dat de verklaring van Team Beach Break, de werkgever van de heer [slachtoffer 1] , is opgesteld voor de verzekering. Niet is duidelijk of de verzekering een bedrag heeft uitgekeerd. Wat de immateriële schade betreft, is een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2024 aangehaald. Die zaak is volgens de verdediging echter niet met deze zaak te vergelijken. In die zaak is komen vast te staan dat meermaals bovenhands en met kracht met een houten balk is geslagen. In deze zaak kan niet worden vastgesteld hoe is geslagen en wat de grootte is geweest van de sleutel waarmee is geslagen. [slachtoffer 1] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering dan wel dat de vordering moet worden afgewezen.
7.3.2.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
In verband met de bepleitte vrijspraak voor dit feit heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel dat de vordering moet worden afgewezen voor zover deze ziet op het schorsen van de auto, de schade aan de auto, de medische kosten tandprothese en de immateriële schadevergoeding.
Daarnaast heeft de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het tenlastegelegde en de gevorderde vergoeding voor de kosten van het telefoonhoesje, de telefoon, de vishengels, het rijbewijs en de vispas. De benadeelde partij moet voor dit deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering dan wel dat de vordering moet worden afgewezen.
7.3.3.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel dat de vordering moet worden afgewezen aangezien de vordering niet is onderbouwd met stukken.
7.3.4.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De verdediging heeft voor het geweldscomponent van dit feit vrijspraak bepleit. Daardoor is er geen rechtstreeks verband vast te stellen tussen de gevorderde bedragen en het strafbare feit. Daarnaast heeft de verdediging opgemerkt dat de uitspraak van het gerechtshof van 23 juli 2020, waar een beroep op is gedaan, een andere en niet-vergelijkbare casus betreft. In die zaak is de benadeelde door twee personen aangevallen bij zijn auto. De verdediging heeft zich op grond van het voorgaande op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering dan wel dat de vordering moet worden afgewezen.
7.3.5.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
Ten aanzien van de materiële deel van de vordering heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het tenlastegelegde en de gevorderde vergoeding voor de bril en de medische kosten. De benadeelde partij moet voor dit deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering dan wel dat de vordering moet worden afgewezen.
Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze moet worden gematigd tot een bedrag van € 350,-.
7.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat een benadeelde partij in het strafproces vergoeding kan vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden, indien voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256).
7.4.1.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit. De vordering is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een verklaring van zijn werkgever en loonstroken. Namens de benadeelde partij is ter zitting verklaard dat [slachtoffer 1] geen compensatie van de verzekering heeft ontvangen voor het verlies van zijn arbeidsvermogen.
De rechtbank zal de gevorderde materiële schade toewijzen, ter hoogte van het gevorderde bedrag.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij had immers een hoofdwond. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 750,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.053,65, bestaande uit € 1.303,65 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 21 september 2025 tot de dag van volledige betaling, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Omdat de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.053,65, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 1] .
7.4.2.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Materiële schade
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten nieuwe telefoon, nieuw telefoonhoesje, nieuw rijbewijs en nieuwe vispas, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien dit geen rechtstreekse schade is van het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde feit.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde feit. Ten aanzien van de post verlies van arbeidsvermogen is de vordering namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een verklaring van zijn werkgever en loonstroken. Ten aanzien van de posten autovoertuig en aanvraag auto schorsing is de vordering namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een expertiserapport van B. van den Honert en een factuur van het RDW. Ten aanzien van de post medische kosten tandprothese is de vordering namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een factuur van de zorgverzekering en een verklaring van de tandprotheticus over de betreffende behandeling.
De rechtbank zal de vordering voor zover die ziet op de posten autovoertuig, aanvraag auto schorsing, verlies van arbeidsvermogen en medische kosten tandprothese toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij had rechts een dikke wang, een snee boven zijn linker wenkbrauw en zijn lip was stuk. Ook zijn boven gebit was stuk. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 750,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.298,21, bestaande uit € 2.548,21 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 21 september 2025 tot de dag van volledige betaling, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Omdat de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.298,21, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 2] .
7.4.3.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de vordering niet is onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
7.4.4.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte zal worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde geweld.
7.4.5.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit. Door de mishandeling liep hij letsel op aan zijn gezicht. Hiervoor is hij naar de huisarts gegaan. De huisarts heeft wondgel voorgeschreven. De kosten hiervoor waren € 10,76. Namens de benadeelde partij is dit deel van de vordering voldoende onderbouwd met een brief van de huisarts en een factuur van de apotheek. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de bril, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien dit geen rechtstreekse schade is van het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 500,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 510,76, bestaande uit € 10,76 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Omdat de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding II bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 510,76, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 4] .
8Het inbeslaggenomen voorwerp
8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over het beslag.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over het beslag.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten 1 STK gereedschap (Omschrijving: wiel/steeksleutel PL1500-2025320078-G3390077).
9De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 300, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
dagvaarding I
ten aanzien van feit 1:
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken
ten aanzien van feit 3:
diefstal;
dagvaarding II
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor niet strafbaar;
ontslaat de verdachte ter zake van alle rechtsvervolging;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;
beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.053,65 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.053,65, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 1] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.298,21 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.298,21, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 2] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 32 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 4]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 510,67 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 4] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 510,76, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 augustus 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 4] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
het inbeslaggenomen goed
gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK gereedschap (Omschrijving: wiel/steeksleutel PL1500-2025320078-G3390077).
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M.A. de Koning, voorzitter,
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechter,
mr. Y.H.M. de Groot, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.M.R. Berendsen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2026.
Bijlage I
ten aanzien van dagvaarding met parketnummer 09/247836-25 (dagvaarding I):
1
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Nieuwveen, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een krik en/of steeksleutel, althans een hard (metalen) voorwerp meerdere malen althans eenmaal in de richting van en/of op/tegen het hoofd van genoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Nieuwveen, in elk geval in Nederland een auto (Suzuki Wagon met kenteken [kenteken 1] ) en/of autosleutels en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door genoemde [slachtoffer 2] meerdere malen althans eenmaal op/tegen het gezicht en/of hoofd te stompen en/of slaan;
en/of
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Nieuwveen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] te slaan en/of te stompen;
3
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Schiedam, in elk geval in Nederland een auto (Nissan met kenteken [kenteken 2] ) en/of autosleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door genoemde [slachtoffer 3] meerdere malen althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of gezicht te stompen en/of slaan;
en/of
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Schiedam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 3] te slaan en/of te stompen;
ten aanzien van dagvaarding met parketnummer 13/228937-25 (dagvaarding II):
hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 4] te slaan.