Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21701

2026-07-17 Bestuursrecht SGR 25/3026
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/3026
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

verzoek tot overbrenging uit Afghanistan - ontvankelijkheid van het beroep - eiser heeft zijn gestelde werkzaamheden voor GLPS niet aannemelijk gemaakt - beroep ongegrond.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.348 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/3026


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen



[eiser], uit Afghanistan, eiser
(gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind),


en




de minister van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. B.S. Jaasma).




Inleiding


1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek tot overbrenging uit Afghanistan.



1.1.
Eiser heeft verweerder verzocht om overbrenging vanuit Afghanistan naar Nederland, op grond van de zogenoemde Tolkenregeling.



1.2.
Verweerder heeft dit verzoek met het primaire besluit van 16 februari 2024 afgewezen.



1.3.
Met het bestreden besluit van 19 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.



1.4.
Eiser heeft op 1 mei 2025 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de gronden van het beroep aangevuld.



1.5.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep in de zaken SGR 25/3024, SGR 25/5975 en SGR 25/6133. De gemachtigde van eiser heeft daags tevoren gemeld dat hij niet ter zitting zal verschijnen en dat zijn cliënt ook niet telefonisch zal deelnemen. Verweerder heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. A.J.M. Zwiep, ambtenaar werkzaam bij het ministerie van Defensie.








Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser heeft verweerder per e-mails van 21 november en 7 december 2023 verzocht om overbrenging vanuit Afghanistan naar Nederland. Eiser stelt dat hij van 2009 tot met 2011 werkzaam is geweest voor ‘Global Peace Logistics Services’ (hierna: GPLS) en dat hij als logistiek medewerker verantwoordelijk was voor transporten van goederen tussen Kabul en Kandahar ten behoeve van de Nederlandse militaire missie in Afghanistan. Eiser stelt vanwege deze werkzaamheden onder de definitie van ‘lokale medewerker’ en ook de overige toepassingsvoorwaarden van de Tolkenregeling te vallen. Eiser stelt gevaar te lopen in Afghanistan vanwege zijn eerdere werkzaamheden ten behoeve van de Nederlandse militaire missie en wenst overgebracht te worden naar Nederland.



Wat heeft verweerder besloten?



3. Verweerder is bij de afwijzing van het verzoek gebleven, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de Tolkenregeling. Volgens verweerder is onvoldoende vast komen te staan dat eiser werkzaam is geweest ten behoeve van de Nederlandse militaire missie. Ten overvloede overweegt verweerder dat eiser ook niet kan worden aangemerkt als lokale medewerker in de zin van de Tolkenregeling. En ook al zou eiser kunnen worden aangemerkt als lokale medewerker, dan heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij door Nederlandse militairen of politiefunctionarissen in Afghanistan in positie werd gebracht waarin hij extra zichtbaar was en om die redenen vereenzelvigd wordt met de voormalige Nederlandse missie in Afghanistan. Ten slotte is ook niet gebleken van een actuele bedreiging als causaal gevolg van werkzaamheden ten behoeve van de Nederlandse missie.



Wat vinden eiser en verweerder in beroep?



4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van het verzoek en voert daartoe ten eerste aan dat verweerder in het bestreden besluit heeft nagelaten om het verzoek van eiser ruimhartig te beoordelen.


4.1.
Eiser vindt dat het criterium van extra zichtbaarheid en vereenzelviging van personen met de Nederlandse missie onredelijk streng wordt uitgelegd. Uit de Tolkenregeling volgt namelijk niet dat de aanvrager fysiek naast Nederlandse militairen aanwezig moet zijn geweest, maar dat deze als ondersteunend aan de Nederlandse missie herkend wordt.



4.2.
Verweerder miskent in zijn motivering van het bestreden besluit ook dat eiser door de goederentransporten van Kabul naar Kandahar actief door Nederlandse militairen of politiefunctionarissen in positie is gebracht, waardoor hij extra zichtbaar was in de regio bij de lokale bevolking en de Taliban en vereenzelvigd kon worden met de Nederlandse missie in Afghanistan. De transporten vonden plaats in risicogebieden en werden nauwlettend door de Taliban in de gaten gehouden. Iedereen die werkzaam was bij GPLS werd door de lokale bevolking als bondgenoot van de Nederlandse strijdkrachten beschouwd. De functie van eiser is vergelijkbaar met die van tolken en andere beveiligingsmedewerkers die wel voor overbrenging in aanmerking zijn gekomen.


4.3.
Tot slot heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van een actuele, directe en persoonlijke bedreiging van eiser vanwege zijn werk voor GLPS. Eiser heeft verklaard dat hij ondergedoken leeft en via een vriendin van zijn vrouw heeft gehoord dat de Taliban aan zijn deur is geweest en dat hij als landverrader wordt gezien. De Taliban heeft daarbij recent toegang gekregen tot lijsten met namen van personen die voor westerse troepen hebben gewerkt en daarmee is negatieve aandacht van de Taliban voor eiser aannemelijk. Verweerder heeft de lastige bewijspositie van eiser miskend en legt de bewijslast onredelijk hoog. Eiser is niet in staat om schriftelijk bewijs van bedreigingen en aanvallen te vergaren. Bovendien vervolgt en bestraft de Taliban ook zonder dergelijk bewijs en past de Taliban geweld en intimidatie toe, zonder officiële waarschuwingen vooraf.

5. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ontvankelijk is. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder het verzoek van eiser tot overbrenging naar Nederland op goede gronden heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.



Ontvankelijkheid beroep



7. Eiser heeft naar voren gebracht dat beroep is ingesteld na het verstrijken van de beroepstermijn, omdat het besluit van 19 december 2024 pas door (de gemachtigde van) eiser is ontvangen op 1 mei 2025. De rechtbank is van oordeel dat eiser het vermoeden van tijdige ontvangst van het bestreden besluit heeft ontzenuwd. In het procesdossier is namelijk de track and trace van de verzending via PostNL aanwezig. Daaruit blijkt dat het bestreden besluit na verzending per aangetekende post aan de gemachtigde van eiser retour afzender is gegaan naar verweerder, die deze blijkens de track and trace op 21 januari 2025 retour heeft gekregen. Op 1 mei 2025 heeft verweerder vervolgens per e-mail contact opgenomen met de gemachtigde van eiser, waarbij het bestreden besluit wordt toegezonden en de ambtenaar van verweerder ook erkent dat de retourzending van dit poststuk pas kort daarvoor bekend is geworden bij haar. Gelet op deze gang van zaken en het ontbreken van een afhaalbericht van PostNL in het procesdossier, is aannemelijk dat eiser het bestreden besluit niet tijdig heeft ontvangen. De gemachtigde van eiser heeft het beroep vervolgens ingesteld op dezelfde dag dat verweerder het bestreden besluit per e-mail heeft toegezonden. De rechtbank acht de overschrijding van de beroepstermijn in dit geval verschoonbaar in de zin van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is ontvankelijk.



Tolkenregeling



8. Eiser doet een beroep op de Tolkenregeling. Die regeling komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en (het toenmalige) Veiligheid en Justitie. Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de betrokken bestuursorganen daarmee de publieke taak aan zich hebben getrokken om zich in te spannen voor de groep waarop die regeling ziet. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die over toepassing van de Tolkenregeling worden genomen volgens deze jurisprudentie wel als appellabele besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Omdat er geen specifieke wettelijke grondslag bestaat voor dit overheidshandelen, gaat het bij de Tolkenregeling om zogeheten buitenwettelijk begunstigend beleid. Bij het opstellen van zulk beleid heeft het kabinet veel beleids- en beoordelingsruimte. De rechtbank toetst de toepassing van dergelijk beleid dan ook terughoudend.



8.1.
Het antwoord op de vraag wie een geslaagd beroep op de Tolkenregeling kan doen, moet worden gezocht in een combinatie van de verschillende Kamerstukken. Volgens het kerndocument geldt de Tolkenregeling voor lokale medewerkers die voor een substantiële periode ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht, en als gevolg daarvan aannemelijk kunnen maken dat zij persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. Uit recente uitspraken van de Afdeling volgt dat er twee groepen zijn die onder de Tolkenregeling vallen, namelijk personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht en daardoor persoonlijk gevaar lopen (de eerste groep) en anderen die werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan of ten behoeve van een Nederlandse functionaris in het kader van een internationale missie of politiemissie in Afghanistan en daardoor gevaar lopen (de tweede groep).



8.2.
Het is aan een verzoeker om aannemelijk te maken dat hij zulke werkzaamheden heeft verricht en als gevolg daarvan gevaar loopt. Uit voornoemde jurisprudentie volgt dat het bij ‘hoog profiel werkzaamheden’ gaat om werkzaamheden waarbij Nederland een persoon op individuele basis in een specifieke positie heeft geplaatst waarin hij extra zichtbaar was en werd vereenzelvigd met de Nederlandse missie. Hierbij moet worden gedacht aan tolken, genderspecialisten, persoonlijk bewakers of persoonlijke chauffeurs. Bij personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht, neemt het bevoegde bestuursorgaan eerder aan dat zij als gevolg daarvan gevaar lopen. Andere personen moeten aannemelijk maken dat zij werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan, dat zij gevaar lopen en dat dit gevaar het gevolg is van die werkzaamheden.



Kan eiser een geslaagd beroep doen op de Tolkenregeling?



9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij van 2009 tot en met 2011 werkzaamheden voor GLPS heeft uitgevoerd, te weten goederentransporten tussen Kabul en Kandahar, ten behoeve van de Nederlandse missie in Afghanistan. In dit kader heeft verweerder aan eiser mogen tegenwerpen dat hij geen bewijsstukken heeft kunnen overleggen van zijn werkzaamheden. De enkele verklaring van eiser dat hij voor de Nederlandse (en de Australische) troepen werkzaam is geweest, is onvoldoende. Verweerder heeft er daarbij ook op gewezen dat de omschrijving die eiser heeft gegeven van het kamp summier is en, voor wat betreft zijn opmerking dat alle kampen op elkaar leken, onjuist is. De verklaring van [naam], waarin hij werkzaamheden van eiser omschrijft, heeft verweerder eveneens onvoldoende kunnen achten, omdat eiser zelf tijdens de hoorzitting in bezwaar verklaard heeft dat hij nooit eerder met hem heeft samengewerkt. Verweerder heeft er tot slot op mogen wijzen dat de naam van eiser niet is teruggevonden in het missiearchief.

10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de Nederlandse militaire missie. Reeds daarom komt eiser niet voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling in aanmerking en mocht het verzoek van eiser worden afgewezen. De overige beroepsgronden behoeven geen nadere bespreking.





Conclusies en gevolgen


11. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft het verzoek van eiser op goede gronden afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.

















griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep


Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak staat hierboven met een stempel vermeld.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Werkafspraken tolken 2014, zie deze link naar het betreffende document: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2023/09/18/werkafspraken-tolken-2014


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1869.


Werkafspraken tolken 2014, zie deze link naar het betreffende document: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2023/09/18/werkafspraken-tolken-2014


Zie de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1869 en ECLI:NL:RVS:2026:1945.


ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.2.3 en 5.4.


ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.2.4.


ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.2.4 en 5.2.5.