Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21688
2026-07-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.20326 en NL26.20327
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Bulgarije. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat uit het AIDA-rapport over Bulgarije van mei 2026 (update 2025) een verslechtering blijkt ten aanzien van de toegankelijkheid van rechtsbijstand voor asielzoekers. Verweerder heeft daarom niet kunnen volstaan met een verwijzing naar eerdere AIDA-rapporten en heeft onvoldoende gemotiveerd waarom ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag niet in stand kan blijven.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2025:1080 Raad van State 14-03-2025
- ECLI:EU:C:2019:218
- ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609
- ECLI:EU:C:2024:195
- ECLI:NL:RVS:2025:5536 Raad van State 17-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.546 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.20326 (beroep) en NL26.20327 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
V-nummer: [nummer]
(gemachtigden: mr. A. Khalaf en mr. A.T. Bosman)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Hoppema).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1996. Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 10 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat hij Bulgarije verantwoordelijk acht voor de aanvraag.
1.1.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat uit het meest recente AIDA-rapport over Bulgarije een verslechtering blijkt ten aanzien van de toegankelijkheid van rechtsbijstand voor asielzoekers. Verweerder heeft daarom niet kunnen volstaan met een verwijzing naar eerdere AIDA-rapporten en heeft onvoldoende gemotiveerd waarom ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag niet in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening, maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van vóór 12 juni 2026 en heeft verweerder dat besluit dus ook genomen met toepassing van de Dublinverordening. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.
4.1.
Op grond van de Dublinverordening neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 8 oktober 2025 een verzoek om internationale bescherming in Bulgarije heeft ingediend. Nederland heeft daarom op 23 februari 2026 een terugnameverzoek bij Bulgarije ingediend. De Bulgaarse autoriteiten zijn op 25 februari 2026 hiermee akkoord gegaan. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Bulgarije komen vast te staan.
Is het aanmeldgehoor Dublin zorgvuldig afgenomen?
5. Eiser voert aan dat hij tijdens het aanmeldgehoor Dublin niet daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over wat hij in Bulgarije heeft meegemaakt. De hoorambtenaar heeft niet expliciet gevraagd of eiser begrijpt wat de Dublinprocedure inhoudt. Dat is in strijd met artikel 5, eerste lid van de Dublinverordening. Aan eiser is ook niet gevraagd of hij familieleden heeft in Nederland. Dat is in strijd met overweging 18 van de considerans en artikel 4 van de Dublinverordening. Verweerder heeft dus niet voldaan aan de bepalingen in de Dublinverordening die zien op de informatieplicht en het persoonlijk onderhoud.
5.1.
De rechtbank volgt eisers stelling niet. Eiser is tijdens het aanmeldgehoor in de gelegenheid gesteld om aan te geven waarom hij niet terug zou willen naar Bulgarije. Op de vraag of eiser al zijn bezwaren kenbaar heeft kunnen maken, heeft eiser bevestigend geantwoord. Ook heeft de hoorambtenaar de brochure over de Dublinprocedure verstrekt. Op de vraag of eiser vragen heeft over deze brochure, heeft eiser ontkennend geantwoord. De hoorambtenaar heeft eiser bovendien verteld dat het belangrijk is om informatie te verstrekken over onder meer de aanwezigheid van gezins- en familieleden in Nederland. Eiser heeft geen informatie hierover verstrekt. Ook anderszins is niet gebleken dat eiser gezins- of familieleden in Nederland heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is het aanmeldgehoor daarom zorgvuldig afgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder navraag moeten doen naar het gespreksverslag van 9 maart 2026?
6. Eiser voert aan dat hij een verslag heeft laten opstellen van het gesprek tussen hem en zijn advocaat, waarin hij uitgebreid heeft verteld over zijn ervaringen in Bulgarije. In de zienswijze heeft hij melding gemaakt van dit gespreksverslag, maar hij heeft het gespreksverslag per abuis niet bij de zienswijze gevoegd. Verweerder had, gelet op zijn actieve onderzoeksplicht, bij eiser navraag moeten doen naar de ontbrekende bijlage. Te meer nu eiser in de zienswijze expliciet had verzocht om bewijswaarde aan zijn aanvullende verklaringen toe te kennen of om eiser opnieuw te horen.
6.1.
De rechtbank volgt eiser in zijn stelling en overweegt hiertoe als volgt. In beginsel is het aan eiser om de aanvullende verklaringen in te brengen. Daarnaast kent de Dublinprocedure korte termijnen en ligt er ook op verweerder een tijdsdruk. Nu verweerder echter pas na een maand na ontvangst van de zienswijze het besluit heeft genomen, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende tijd om navraag te doen naar het ontbrekende gespreksverslag. Verweerder had dus niet mogen volstaan met de opmerking in het bestreden besluit dat de aanvullende verklaringen niet kunnen worden meegenomen, omdat eiser die niet heeft meegezonden. Er is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. De beroepsgrond slaagt.
Kan verweerder ten aanzien van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
7. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat verweerder ten opzichte van Bulgarije in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarvan is sprake als eiser aannemelijk maakt dat er systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.
7.1.
Eiser voert – samengevat – aan dat er in Bulgarije sprake is van systemische tekortkomingen in de opvang- en asielprocedure. Er is voor asielzoekers daarnaast geen toegang tot gratis rechtsbijstand. Ook loopt eiser het risico om in detentie te belanden. De detentieomstandigheden in Bulgarije zijn slecht. Eiser beroept zich in dit kader onder meer op het meest recente AIDA-rapport over Bulgarije van mei 2026 (update 2025) waaruit een verslechtering blijkt. Verder voert hij aan dat hij in Bulgarije zelf heeft ervaren dat de detentieomstandigheden en de asielopvang slecht zijn en dat de toegang tot het rechtssysteem onvoldoende is. Eiser heeft vernederende omstandigheden in detentie meegemaakt en is in detentie mishandeld. In de asielopvang heeft hij 16 dagen verbleven en daar was sprake van overbevolking en onhygiënische omstandigheden. Eiser is in Bulgarije voor een rechter verschenen, maar kreeg geen uitleg over zijn rechtspositie en over welke procedure er werd gevoerd. Hij kon zijn eigen rechtszaak niet volgen, omdat er geen tolk aanwezig was. Eiser is bang dat hij bij terugkeer in dezelfde omstandigheden terecht zal komen. Daarnaast beargumenteert eiser, onder verwijzing naar verschillende arresten, dat de toets aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel te beperkt is en niet in lijn met artikel 3 van het EVRM. Ook daarom is de overdracht van eiser aan Bulgarije in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM.
7.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor Bulgarije nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het meest recente AIDA-rapport is niet betrokken in het bestreden besluit, maar verweerder heeft zich daarover ter zitting op het standpunt gesteld dat dit niet tot een andere conclusie kan leiden. Over het meest recente AIDA-rapport heeft de Afdeling zich nog niet uitgelaten, maar dit rapport schetst volgens verweerder geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Bulgarije dan het rapport van maart 2025 (update 2024), dat de Afdeling wel heeft betrokken in de uitspraak van 17 november 2025. Daarom handhaaft verweerder het bestreden besluit.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat er al geruime tijd zorgen zijn over de situatie in de asielopvang, de omstandigheden in detentiecentra en de toegankelijkheid van rechtsbijstand in Bulgarije. Ten aanzien van de detentie- en opvangomstandigheden in Bulgarije is de rechtbank echter van oordeel dat het AIDA-rapport van mei 2026 geen wezenlijk ander beeld schetst dan het AIDA-rapport van maart 2025 dat door de Afdeling in voornoemde uitspraak is betrokken.
7.4.
De rechtbank is echter, anders dan verweerder, van oordeel dat uit het AIDA-rapport van mei 2026 volgt dat ten aanzien van de toegankelijkheid van rechtsbijstand in Bulgarije wel sprake is van een wezenlijke verslechtering. De rechtbank verwijst in dat verband naar pagina 22 van het AIDA-rapport van mei 2026, onder het kopje ‘Overview of the main changes since the previous report update’. Daarin is het volgende weergegeven:
“As a result, since the establishment of the national asylum authority in 1994, asylum seekers relied entirely on NGOs or private practitioners for those who have sufficient financial means to afford it for their access to the court, namely for drafting and lodging the appeal and subsequent representation during litigation. Therefore, the main support in this respect has historically been provided by the non-governmental organisation Bulgarian Helsinki Committee as UNHCR’s main legal implementing partner since the establishment of the national asylum system in 1994. However, due to UN financial crisis BHC was forced to close its legal reception offices on 1 January 2026, thus leaving asylum seekers without a reliable free of charge legal assistance for access to court and timely submission of appeals before the court against negative decisions refusing or revoking international protection. The only free-of-charge legal assistance that remained readily available in this respect66 is once every two weeks in Sofia, Harmanli and Pastrogor at limited reception time. This assistance, however, will also end on 30 June 2026.”
7.5.
De rechtbank stelt vast dat uit deze passage volgt dat de rechtsbijstand aan asielzoekers die tot voor kort werd verleend, vanaf 1 januari 2026 c.q. 30 juni 2026 is beëindigd. De rechtbank stelt vast dat het terugnameverzoek door Bulgarije is geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening en dat de Bulgaarse autoriteiten ervan uitgaan dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. De rechtbank volgt eiser dan ook in de stelling dat hij na zijn overdracht aan Bulgarije een opvolgende asielaanvraag moet indienen en dat hij dan problemen zal ondervinden vanwege het ontbreken van (gratis) rechtsbijstand. Deze verslechtering is niet door de Afdeling in voornoemde uitspraak van 17 november 2025 betrokken. Het standpunt van verweerder ter zitting dat sinds 2019 al sprake is van de afbouw van de rechtsbescherming in Bulgarije en dat verweerder op grond van het claimakkoord ervan uitgaat dat de Bulgaarse autoriteiten aan eiser rechtsbijstand zullen verlenen, vindt de rechtbank in het licht van voornoemd AIDA-rapport onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank betrekt hierbij ook dat eiser circa vier maanden in Bulgarije heeft verbleven en dat hetgeen eiser heeft verklaard over zijn ervaringen in Bulgarije overeenkomt met de zorgen die in de laatste AIDA-rapporten worden geuit over de voortdurende problemen met betrekking tot rechtsbescherming, de asielopvang en de slechte detentieomstandigheden. Het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat eiser over die omstandigheden kan klagen bij de Bulgaarse autoriteiten, volgt de rechtbank zonder nadere motivering niet, onder verwijzing naar de voornoemde passage uit het AIDA-rapport. Het ontbreken van hulporganisaties die rechtsbijstand verlenen, kan immers ook van invloed zijn op de mogelijkheid voor eiser om over deze omstandigheden te klagen. Gelet op voornoemde passages, heeft verweerder met de enkele verwijzing naar bovengenoemde Afdelingsuitspraak en het AIDA-rapport van mei 2025 onvoldoende gemotiveerd dat er geen wezenlijk andere situatie is voor Dublin-terugkeerders in Bulgarije ten aanzien van de toegankelijkheid van rechtsbijstand.
7.6.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat voornoemde passage uit het AIDA-rapport concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de toegankelijkheid van rechtsbijstand voor asielzoekers (waaronder Dublin-terugkeerders) in Bulgarije structurele tekortkomingen kent, zodat verweerder niet zonder nadere motivering mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. De beroepsgrond slaagt.
Had verweerder eisers asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling moeten nemen?
8. Eiser voert aan dat verweerder in het kader van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening een onzorgvuldige en onvolledige beoordeling van eisers individuele omstandigheden heeft gemaakt. Eiser verwijst in dit kader naar het AIDA-rapport van mei 2026 en stelt dat zijn ervaringen over de detentie- en opvangomstandigheden overeenkomen met wat in dit rapport wordt beschreven.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat, nu de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat verweerder met betrekking tot eiser niet uit mocht gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije, hij ook ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om eisers asielaanvraag aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Nu sprake is van meerdere motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken, verklaart de rechtbank het beroep al hierom gegrond. De overige beroepsgronden van eiser behoeven daarom geen bespreking meer. Verweerder moet een nieuw besluit nemen waarbij hij, als het gaat om het interstatelijk vertrouwensbeginsel, het meest recente AIDA-rapport moet betrekken, en ook moet ingaan op hetgeen eiser heeft aangevoerd in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
10.2.
De rechtbank beslist met deze uitspraak op het beroep en daarom is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
10.3.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten, want zijn beroep is gegrond. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 2.802,-, omdat eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 april 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.I. Doesburg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Verordening (EU) nr. 2024/1351, samen met Rectificatie (EU) 2025/90929.
Op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening.
Zie de uitspraak van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1080.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
Asylum Information Database.
Waaronder het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, M.S.S e.a. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, X tegen Nederland van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195.
ECLI:NL:RVS:2025:5536.
Zie onder meer AIDA rapport, update 2024, p. 86.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.20326 (beroep) en NL26.20327 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
V-nummer: [nummer]
(gemachtigden: mr. A. Khalaf en mr. A.T. Bosman)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Hoppema).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1996. Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 10 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat hij Bulgarije verantwoordelijk acht voor de aanvraag.
1.1.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat uit het meest recente AIDA-rapport over Bulgarije een verslechtering blijkt ten aanzien van de toegankelijkheid van rechtsbijstand voor asielzoekers. Verweerder heeft daarom niet kunnen volstaan met een verwijzing naar eerdere AIDA-rapporten en heeft onvoldoende gemotiveerd waarom ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag niet in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening, maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van vóór 12 juni 2026 en heeft verweerder dat besluit dus ook genomen met toepassing van de Dublinverordening. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.
4.1.
Op grond van de Dublinverordening neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 8 oktober 2025 een verzoek om internationale bescherming in Bulgarije heeft ingediend. Nederland heeft daarom op 23 februari 2026 een terugnameverzoek bij Bulgarije ingediend. De Bulgaarse autoriteiten zijn op 25 februari 2026 hiermee akkoord gegaan. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Bulgarije komen vast te staan.
Is het aanmeldgehoor Dublin zorgvuldig afgenomen?
5. Eiser voert aan dat hij tijdens het aanmeldgehoor Dublin niet daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over wat hij in Bulgarije heeft meegemaakt. De hoorambtenaar heeft niet expliciet gevraagd of eiser begrijpt wat de Dublinprocedure inhoudt. Dat is in strijd met artikel 5, eerste lid van de Dublinverordening. Aan eiser is ook niet gevraagd of hij familieleden heeft in Nederland. Dat is in strijd met overweging 18 van de considerans en artikel 4 van de Dublinverordening. Verweerder heeft dus niet voldaan aan de bepalingen in de Dublinverordening die zien op de informatieplicht en het persoonlijk onderhoud.
5.1.
De rechtbank volgt eisers stelling niet. Eiser is tijdens het aanmeldgehoor in de gelegenheid gesteld om aan te geven waarom hij niet terug zou willen naar Bulgarije. Op de vraag of eiser al zijn bezwaren kenbaar heeft kunnen maken, heeft eiser bevestigend geantwoord. Ook heeft de hoorambtenaar de brochure over de Dublinprocedure verstrekt. Op de vraag of eiser vragen heeft over deze brochure, heeft eiser ontkennend geantwoord. De hoorambtenaar heeft eiser bovendien verteld dat het belangrijk is om informatie te verstrekken over onder meer de aanwezigheid van gezins- en familieleden in Nederland. Eiser heeft geen informatie hierover verstrekt. Ook anderszins is niet gebleken dat eiser gezins- of familieleden in Nederland heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is het aanmeldgehoor daarom zorgvuldig afgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder navraag moeten doen naar het gespreksverslag van 9 maart 2026?
6. Eiser voert aan dat hij een verslag heeft laten opstellen van het gesprek tussen hem en zijn advocaat, waarin hij uitgebreid heeft verteld over zijn ervaringen in Bulgarije. In de zienswijze heeft hij melding gemaakt van dit gespreksverslag, maar hij heeft het gespreksverslag per abuis niet bij de zienswijze gevoegd. Verweerder had, gelet op zijn actieve onderzoeksplicht, bij eiser navraag moeten doen naar de ontbrekende bijlage. Te meer nu eiser in de zienswijze expliciet had verzocht om bewijswaarde aan zijn aanvullende verklaringen toe te kennen of om eiser opnieuw te horen.
6.1.
De rechtbank volgt eiser in zijn stelling en overweegt hiertoe als volgt. In beginsel is het aan eiser om de aanvullende verklaringen in te brengen. Daarnaast kent de Dublinprocedure korte termijnen en ligt er ook op verweerder een tijdsdruk. Nu verweerder echter pas na een maand na ontvangst van de zienswijze het besluit heeft genomen, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende tijd om navraag te doen naar het ontbrekende gespreksverslag. Verweerder had dus niet mogen volstaan met de opmerking in het bestreden besluit dat de aanvullende verklaringen niet kunnen worden meegenomen, omdat eiser die niet heeft meegezonden. Er is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. De beroepsgrond slaagt.
Kan verweerder ten aanzien van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
7. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat verweerder ten opzichte van Bulgarije in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarvan is sprake als eiser aannemelijk maakt dat er systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.
7.1.
Eiser voert – samengevat – aan dat er in Bulgarije sprake is van systemische tekortkomingen in de opvang- en asielprocedure. Er is voor asielzoekers daarnaast geen toegang tot gratis rechtsbijstand. Ook loopt eiser het risico om in detentie te belanden. De detentieomstandigheden in Bulgarije zijn slecht. Eiser beroept zich in dit kader onder meer op het meest recente AIDA-rapport over Bulgarije van mei 2026 (update 2025) waaruit een verslechtering blijkt. Verder voert hij aan dat hij in Bulgarije zelf heeft ervaren dat de detentieomstandigheden en de asielopvang slecht zijn en dat de toegang tot het rechtssysteem onvoldoende is. Eiser heeft vernederende omstandigheden in detentie meegemaakt en is in detentie mishandeld. In de asielopvang heeft hij 16 dagen verbleven en daar was sprake van overbevolking en onhygiënische omstandigheden. Eiser is in Bulgarije voor een rechter verschenen, maar kreeg geen uitleg over zijn rechtspositie en over welke procedure er werd gevoerd. Hij kon zijn eigen rechtszaak niet volgen, omdat er geen tolk aanwezig was. Eiser is bang dat hij bij terugkeer in dezelfde omstandigheden terecht zal komen. Daarnaast beargumenteert eiser, onder verwijzing naar verschillende arresten, dat de toets aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel te beperkt is en niet in lijn met artikel 3 van het EVRM. Ook daarom is de overdracht van eiser aan Bulgarije in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM.
7.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor Bulgarije nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het meest recente AIDA-rapport is niet betrokken in het bestreden besluit, maar verweerder heeft zich daarover ter zitting op het standpunt gesteld dat dit niet tot een andere conclusie kan leiden. Over het meest recente AIDA-rapport heeft de Afdeling zich nog niet uitgelaten, maar dit rapport schetst volgens verweerder geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Bulgarije dan het rapport van maart 2025 (update 2024), dat de Afdeling wel heeft betrokken in de uitspraak van 17 november 2025. Daarom handhaaft verweerder het bestreden besluit.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat er al geruime tijd zorgen zijn over de situatie in de asielopvang, de omstandigheden in detentiecentra en de toegankelijkheid van rechtsbijstand in Bulgarije. Ten aanzien van de detentie- en opvangomstandigheden in Bulgarije is de rechtbank echter van oordeel dat het AIDA-rapport van mei 2026 geen wezenlijk ander beeld schetst dan het AIDA-rapport van maart 2025 dat door de Afdeling in voornoemde uitspraak is betrokken.
7.4.
De rechtbank is echter, anders dan verweerder, van oordeel dat uit het AIDA-rapport van mei 2026 volgt dat ten aanzien van de toegankelijkheid van rechtsbijstand in Bulgarije wel sprake is van een wezenlijke verslechtering. De rechtbank verwijst in dat verband naar pagina 22 van het AIDA-rapport van mei 2026, onder het kopje ‘Overview of the main changes since the previous report update’. Daarin is het volgende weergegeven:
“As a result, since the establishment of the national asylum authority in 1994, asylum seekers relied entirely on NGOs or private practitioners for those who have sufficient financial means to afford it for their access to the court, namely for drafting and lodging the appeal and subsequent representation during litigation. Therefore, the main support in this respect has historically been provided by the non-governmental organisation Bulgarian Helsinki Committee as UNHCR’s main legal implementing partner since the establishment of the national asylum system in 1994. However, due to UN financial crisis BHC was forced to close its legal reception offices on 1 January 2026, thus leaving asylum seekers without a reliable free of charge legal assistance for access to court and timely submission of appeals before the court against negative decisions refusing or revoking international protection. The only free-of-charge legal assistance that remained readily available in this respect66 is once every two weeks in Sofia, Harmanli and Pastrogor at limited reception time. This assistance, however, will also end on 30 June 2026.”
7.5.
De rechtbank stelt vast dat uit deze passage volgt dat de rechtsbijstand aan asielzoekers die tot voor kort werd verleend, vanaf 1 januari 2026 c.q. 30 juni 2026 is beëindigd. De rechtbank stelt vast dat het terugnameverzoek door Bulgarije is geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening en dat de Bulgaarse autoriteiten ervan uitgaan dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. De rechtbank volgt eiser dan ook in de stelling dat hij na zijn overdracht aan Bulgarije een opvolgende asielaanvraag moet indienen en dat hij dan problemen zal ondervinden vanwege het ontbreken van (gratis) rechtsbijstand. Deze verslechtering is niet door de Afdeling in voornoemde uitspraak van 17 november 2025 betrokken. Het standpunt van verweerder ter zitting dat sinds 2019 al sprake is van de afbouw van de rechtsbescherming in Bulgarije en dat verweerder op grond van het claimakkoord ervan uitgaat dat de Bulgaarse autoriteiten aan eiser rechtsbijstand zullen verlenen, vindt de rechtbank in het licht van voornoemd AIDA-rapport onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank betrekt hierbij ook dat eiser circa vier maanden in Bulgarije heeft verbleven en dat hetgeen eiser heeft verklaard over zijn ervaringen in Bulgarije overeenkomt met de zorgen die in de laatste AIDA-rapporten worden geuit over de voortdurende problemen met betrekking tot rechtsbescherming, de asielopvang en de slechte detentieomstandigheden. Het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat eiser over die omstandigheden kan klagen bij de Bulgaarse autoriteiten, volgt de rechtbank zonder nadere motivering niet, onder verwijzing naar de voornoemde passage uit het AIDA-rapport. Het ontbreken van hulporganisaties die rechtsbijstand verlenen, kan immers ook van invloed zijn op de mogelijkheid voor eiser om over deze omstandigheden te klagen. Gelet op voornoemde passages, heeft verweerder met de enkele verwijzing naar bovengenoemde Afdelingsuitspraak en het AIDA-rapport van mei 2025 onvoldoende gemotiveerd dat er geen wezenlijk andere situatie is voor Dublin-terugkeerders in Bulgarije ten aanzien van de toegankelijkheid van rechtsbijstand.
7.6.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat voornoemde passage uit het AIDA-rapport concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de toegankelijkheid van rechtsbijstand voor asielzoekers (waaronder Dublin-terugkeerders) in Bulgarije structurele tekortkomingen kent, zodat verweerder niet zonder nadere motivering mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. De beroepsgrond slaagt.
Had verweerder eisers asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling moeten nemen?
8. Eiser voert aan dat verweerder in het kader van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening een onzorgvuldige en onvolledige beoordeling van eisers individuele omstandigheden heeft gemaakt. Eiser verwijst in dit kader naar het AIDA-rapport van mei 2026 en stelt dat zijn ervaringen over de detentie- en opvangomstandigheden overeenkomen met wat in dit rapport wordt beschreven.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat, nu de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat verweerder met betrekking tot eiser niet uit mocht gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije, hij ook ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om eisers asielaanvraag aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Nu sprake is van meerdere motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken, verklaart de rechtbank het beroep al hierom gegrond. De overige beroepsgronden van eiser behoeven daarom geen bespreking meer. Verweerder moet een nieuw besluit nemen waarbij hij, als het gaat om het interstatelijk vertrouwensbeginsel, het meest recente AIDA-rapport moet betrekken, en ook moet ingaan op hetgeen eiser heeft aangevoerd in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
10.2.
De rechtbank beslist met deze uitspraak op het beroep en daarom is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
10.3.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten, want zijn beroep is gegrond. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 2.802,-, omdat eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 april 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.I. Doesburg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Verordening (EU) nr. 2024/1351, samen met Rectificatie (EU) 2025/90929.
Op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening.
Zie de uitspraak van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1080.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
Asylum Information Database.
Waaronder het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, M.S.S e.a. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, X tegen Nederland van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195.
ECLI:NL:RVS:2025:5536.
Zie onder meer AIDA rapport, update 2024, p. 86.