Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21675
2026-07-28
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/4502/12277385
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:231 lid 2 BW.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.879 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG
Kantonrechter, zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12277385 / RL EXPL 26-13042
CB/c
Vonnis in kort geding van 28 juli 2026
in de zaak van:
de stichting Stichting Hof Wonen,
gevestigd te Den Haag,
eisende partij,
hierna te noemen: Hof Wonen,
gemachtigde: mr. I.M.M. Versloot (Huisvestingsadvocaten),
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A. Aïssal (Tetteroo, Claassen & Aïssal Advocaten).
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 juli 2026 met vijftien producties (nrs. 1 tot en met 15);
- de brief van de gemachtigde van Hof Wonen van 10 juli 2026 met twee aanvullende producties (nrs. 16 en 17);
- de conclusie van antwoord van 13 juli 2026 met negen producties (nrs. 1 tot en met 9);
- de akte aan de zijde van [gedaagde] van 13 juli 2026 met drie aanvullende producties (nrs. 10 tot en met 12);
- de e-mail van de gemachtigde van Hof Wonen van 15 juli 2026.
1.2
De mondelinge behandeling is gehouden op 14 juli 2026. Daarbij zijn namens Hof Wonen de heer [naam 1] en de gemachtigde van Hof Wonen verschenen. [gedaagde] is in persoon verschenen, samen met haar gemachtigde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Hof Wonen een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Van hetgeen verder is besproken heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt die zich in het griffiedossier bevinden.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1
Sinds 31 maart 2008 verhuurt Hof Wonen aan [gedaagde] de woning aan de [adres] in [plaats] (Hierna: het gehuurde). De huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd en op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van Vestia, een rechtsvoorganger van Hof Wonen, van toepassing.
2.2
Op 23 mei 2024, 13 oktober 2024, 27 maart 2025 en 19 februari 2026 hebben zich explosies voorgedaan in, aan of in de onmiddellijke nabijheid van het gehuurde.
2.3
Per 19 februari 2026 geeft de Burgemeester van [plaats] een spoedsluiting van het gehuurde van twee weken aangezegd in verband met de explosie op die dag. De sluiting is vervolgens nog met twee weken verlengd.
2.4
Bij brief van 2 maart 2026 heeft Hof Wonen de huurovereenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk ontbonden en [gedaagde] verzocht het gehuurde na de sluiting op te leveren.
2.5
In de nacht van 23 op 24 april 2026 heeft opnieuw een explosie plaatsgevonden.
3Het geschil
3.1
Hof Wonen vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: (1.) [gedaagde] ter veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de woning aan de [adres] te [plaats] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze niet het eigendom van Hof Wonen zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Hof Wonen te stellen; (2.) [gedaagde] ter veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen het salaris en de verschotten van de gemachtigde van Hof Wonen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot de dag van volledige betaling.
3.2
Hof Wonen legt aan haar vordering ten grondslag dat zij naar aanleiding van de sluiting van het gehuurde door de Burgemeester van [plaats] de huurovereenkomst met [gedaagde] op goede gronden kon ontbinden en dat [gedaagde] als gevolg daarvan het gehuurde moet verlaten.
3.3
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Hof Wonen. [gedaagde] voert daartoe aan dat de explosies alles te maken hebben met haar meerderjarige zoon [naam 2] , die zich op 6 maart 2026 uit het adres van het gehuurde heeft uitgeschreven en er overigens alles aan doet om herhaling van de explosies te voorkomen. Daarnaast zijn ook minder verstrekkende middelen denkbaar om herhaling van de explosies te voorkomen.
3.4
De kantonrechter zal de stellingen en verweren van partijen, voor zover relevant, hierna bespreken.
4De beoordeling
4.1
Voor de beoordeling van het voorliggende geschil stelt de kantonrechter voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.2
De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. Hof Wonen wijst erop dat leefbaarheid van de woningen in de woonwijken, waarin zij woningen verhuurt en dat die veiligheid, gelet op de explosies in of bij het gehuurde hebben plaatsgevonden in het geding is. Naar aanleiding van sluiting van het gehuurde door de Burgemeester heeft Hof Wonen de huurovereenkomst met [gedaagde] ontbonden, maar [gedaagde] heeft aan het daaropvolgende verzoek om het gehuurde te verlaten geen gevolg gegeven. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
4.3
De vordering van Hof Wonen is primair gestoeld op artikel 7:231 lid 2 BW, dat bepaalt dat de verhuurder een huurovereenkomst (zonder tussenkomst van de rechter) kan ontbinden op de grond dat door gedragingen in of in de onmiddellijke nabijheid van het gehuurde de openbare orde ernstig is verstoord of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring en het gehuurde deswege op grond van artikel 174a van de Gemeentewet.
4.4
Uit het als productie 2 bij de dagvaarding gevoegde besluit van de Burgemeester van [plaats] van 28 februari 2026 blijkt dat de sluiting van het gehuurde is gedaan op basis van artikel 174a van de Gemeentewet, waarmee een die voorwaarde van artikel 7:231 lid 2 BW is voldaan. Uit het besluit van de Burgemeester volgt ook dat deze onderzoek heeft gedaan of sprake was van ernstige verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor, althans dat deze zijn besluit baseert op de aanname dat daarvan sprake is.
4.5
Onweersproken heeft Hof Wonen gesteld dat [gedaagde] bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2026 heeft gemaakt, maar dat zij noch haar gemachtigde op de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie op 1 juli 2026 is verschenen. Daarmee heeft zij tenminste een mogelijkheid onbenut gelaten om de juistheid van het besluit van de Burgemeester te (laten) toetsen.
4.6
Het besluit van de Burgemeester is genomen naar aanleiding van de explosie op 19 februari 2026. Dat de vrees voor herhaling niet ongegrond was blijkt uit het feit dat op 23/24 april, nadat de sluiting was opgeheven, weer een explosie bij het gehuurde heeft plaatsgevonden.
4.7
[gedaagde] heeft er, bij wijze van verweer, op gewezen dat de explosies in verband staan met haar (meerderjarige) zoon [naam 2] , die tot 6 maart 2026 stond ingeschreven op het adres van het gehuurde, maar zich op die datum op een ander adres heeft ingeschreven. Dat de zoon zich op een ander adres heeft ingeschreven heeft er blijkbaar niet toe geleid dat het gevaar voor herhaling van de ordeverstoring, dat voor de Burgemeester de aanleiding was om het gehuurde te sluiten, zich niet openbaarde. Omdat [gedaagde] in dat verband geen andere argumenten naar voren heeft gebracht, moet het ervoor worden gehouden dat het risico van herhaling nog steeds bestaat.
4.8
Een (buitengerechtelijke) ontbinding van een huurovereenkomst heeft een ander karakter dan een ontbinding van een huurovereenkomst door de rechter op grond van artikel 7:231 lid 1 BW. In dat geval dient de rechter af te wegen of in voldoende is gebleken dat de huurder in de nakoming van zijn of haar verplichten zodanig is tekortgeschoten dat een en ander de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Dat is veelal een vraagstuk van of er voldoende bewijs is dat de huurder (ernstig) in de nakoming van zijn of haar verplichtingen tekort is geschoten.
4.9
In het kader van de beoordeling van de vraag of een verhuurder een huurovereenkomst kan ontbinden op de voet van artikel 7:231 lid 2 BW is het bewijs daarvoor gelegen in de vraag of de Burgemeester met gebruikmaking van artikel 164a Gemeentewet het gehuurde heeft gesloten. Zoals eerder overwogen is het bewijs daarvan in deze procedure geleverd. Dat betekent dat Hof Wonen in beginsel de huurovereenkomst buitengerechtelijk kon ontbinden.
4.10
De enige vraag die in het kader van deze kort geding procedure nog openligt is de vraag in hoeverre, in een nog te voeren bodemprocedure, stand houdt dat de Burgemeester het gehuurde op goede gronden heeft gesloten. Daarover heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 4.7 reeds overwogen dat de vrees voor herhaling zich, ondanks dat de zoon van [gedaagde] per 6 maart 2026 is verhuisd, zich op 23/24 april 2026 opnieuw heeft geopenbaard en dat het niet onredelijk aan te nemen is dat nogmaals explosies zullen plaatsvinden. In dat licht acht de kantonrechter het aannemelijk dat, ook indien alsnog toetsing van het besluit van de Burgemeester zal plaatsvinden, dat besluit stand zal houden.
4.11
Voor zover [gedaagde] nog heeft betoogd dat de vrees voor herhaling ook via andere middelen, bijvoorbeeld door verscherpte politiesurveillance of cameratoezicht, kan worden beperkt gaat de kantonrechter daaraan voorbij, omdat die argumenten niet relevant zijn voor de beoordeling of het besluit van de Burgemeester stand zal houden. Aangenomen mag worden dat de Burgemeester bij zijn besluit dergelijke alternatieve middelen al in zijn overwegingen heeft meegenomen.
4.12
Al met al komt de kantonrechter tot het oordeel dat Hof Wonen op 2 maart 2026 gerechtigd was de huurovereenkomst met [gedaagde] te ontbinden. Dat maakt dat zij thans zonder recht of titel het gehuurde bewoont en dat zij daarom het gehuurde zal moeten verlaten. Tussen partijen heeft nog overleg plaatsgevonden op welke termijn de ontruiming zou moeten plaatsvinden, maar partijen hebben daarover geen overeenstemming kunnen bereiken. Omdat tijdens de mondelinge behandeling van de zijde van Hof Wonen is verklaard dat de wetenschap dat [gedaagde] het gehuurde dient te verlaten belangrijker is dan het tijdstip waarop dat moet gebeuren, zal de kantonrechter de ontruimingstermijn stellen op een termijn van drie maanden. In die periode moet [gedaagde] geacht worden gebruik te kunnen maken van haar plaats op de wachtlijst voor een vervangende woning, die, zoals bleek tijdens de mondelinge behandeling, in het recente verleden al enkele mogelijke vervangende woningen heeft opgeleverd.
4.13
Als de in het ongelijk gestelde partij dient [gedaagde] de proceskosten van Hof Wonen te betalen. Deze kosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
Totaal
€
869,02
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van het vonnis de woning aan de [adres] te [plaats] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze niet het eigendom van Hof Wonen zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Hof Wonen te stellen;
5.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 869,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis;
5.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.
DEN HAAG
Kantonrechter, zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12277385 / RL EXPL 26-13042
CB/c
Vonnis in kort geding van 28 juli 2026
in de zaak van:
de stichting Stichting Hof Wonen,
gevestigd te Den Haag,
eisende partij,
hierna te noemen: Hof Wonen,
gemachtigde: mr. I.M.M. Versloot (Huisvestingsadvocaten),
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A. Aïssal (Tetteroo, Claassen & Aïssal Advocaten).
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 juli 2026 met vijftien producties (nrs. 1 tot en met 15);
- de brief van de gemachtigde van Hof Wonen van 10 juli 2026 met twee aanvullende producties (nrs. 16 en 17);
- de conclusie van antwoord van 13 juli 2026 met negen producties (nrs. 1 tot en met 9);
- de akte aan de zijde van [gedaagde] van 13 juli 2026 met drie aanvullende producties (nrs. 10 tot en met 12);
- de e-mail van de gemachtigde van Hof Wonen van 15 juli 2026.
1.2
De mondelinge behandeling is gehouden op 14 juli 2026. Daarbij zijn namens Hof Wonen de heer [naam 1] en de gemachtigde van Hof Wonen verschenen. [gedaagde] is in persoon verschenen, samen met haar gemachtigde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Hof Wonen een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Van hetgeen verder is besproken heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt die zich in het griffiedossier bevinden.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1
Sinds 31 maart 2008 verhuurt Hof Wonen aan [gedaagde] de woning aan de [adres] in [plaats] (Hierna: het gehuurde). De huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd en op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van Vestia, een rechtsvoorganger van Hof Wonen, van toepassing.
2.2
Op 23 mei 2024, 13 oktober 2024, 27 maart 2025 en 19 februari 2026 hebben zich explosies voorgedaan in, aan of in de onmiddellijke nabijheid van het gehuurde.
2.3
Per 19 februari 2026 geeft de Burgemeester van [plaats] een spoedsluiting van het gehuurde van twee weken aangezegd in verband met de explosie op die dag. De sluiting is vervolgens nog met twee weken verlengd.
2.4
Bij brief van 2 maart 2026 heeft Hof Wonen de huurovereenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk ontbonden en [gedaagde] verzocht het gehuurde na de sluiting op te leveren.
2.5
In de nacht van 23 op 24 april 2026 heeft opnieuw een explosie plaatsgevonden.
3Het geschil
3.1
Hof Wonen vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: (1.) [gedaagde] ter veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de woning aan de [adres] te [plaats] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze niet het eigendom van Hof Wonen zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Hof Wonen te stellen; (2.) [gedaagde] ter veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen het salaris en de verschotten van de gemachtigde van Hof Wonen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot de dag van volledige betaling.
3.2
Hof Wonen legt aan haar vordering ten grondslag dat zij naar aanleiding van de sluiting van het gehuurde door de Burgemeester van [plaats] de huurovereenkomst met [gedaagde] op goede gronden kon ontbinden en dat [gedaagde] als gevolg daarvan het gehuurde moet verlaten.
3.3
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Hof Wonen. [gedaagde] voert daartoe aan dat de explosies alles te maken hebben met haar meerderjarige zoon [naam 2] , die zich op 6 maart 2026 uit het adres van het gehuurde heeft uitgeschreven en er overigens alles aan doet om herhaling van de explosies te voorkomen. Daarnaast zijn ook minder verstrekkende middelen denkbaar om herhaling van de explosies te voorkomen.
3.4
De kantonrechter zal de stellingen en verweren van partijen, voor zover relevant, hierna bespreken.
4De beoordeling
4.1
Voor de beoordeling van het voorliggende geschil stelt de kantonrechter voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.2
De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. Hof Wonen wijst erop dat leefbaarheid van de woningen in de woonwijken, waarin zij woningen verhuurt en dat die veiligheid, gelet op de explosies in of bij het gehuurde hebben plaatsgevonden in het geding is. Naar aanleiding van sluiting van het gehuurde door de Burgemeester heeft Hof Wonen de huurovereenkomst met [gedaagde] ontbonden, maar [gedaagde] heeft aan het daaropvolgende verzoek om het gehuurde te verlaten geen gevolg gegeven. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
4.3
De vordering van Hof Wonen is primair gestoeld op artikel 7:231 lid 2 BW, dat bepaalt dat de verhuurder een huurovereenkomst (zonder tussenkomst van de rechter) kan ontbinden op de grond dat door gedragingen in of in de onmiddellijke nabijheid van het gehuurde de openbare orde ernstig is verstoord of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring en het gehuurde deswege op grond van artikel 174a van de Gemeentewet.
4.4
Uit het als productie 2 bij de dagvaarding gevoegde besluit van de Burgemeester van [plaats] van 28 februari 2026 blijkt dat de sluiting van het gehuurde is gedaan op basis van artikel 174a van de Gemeentewet, waarmee een die voorwaarde van artikel 7:231 lid 2 BW is voldaan. Uit het besluit van de Burgemeester volgt ook dat deze onderzoek heeft gedaan of sprake was van ernstige verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor, althans dat deze zijn besluit baseert op de aanname dat daarvan sprake is.
4.5
Onweersproken heeft Hof Wonen gesteld dat [gedaagde] bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2026 heeft gemaakt, maar dat zij noch haar gemachtigde op de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie op 1 juli 2026 is verschenen. Daarmee heeft zij tenminste een mogelijkheid onbenut gelaten om de juistheid van het besluit van de Burgemeester te (laten) toetsen.
4.6
Het besluit van de Burgemeester is genomen naar aanleiding van de explosie op 19 februari 2026. Dat de vrees voor herhaling niet ongegrond was blijkt uit het feit dat op 23/24 april, nadat de sluiting was opgeheven, weer een explosie bij het gehuurde heeft plaatsgevonden.
4.7
[gedaagde] heeft er, bij wijze van verweer, op gewezen dat de explosies in verband staan met haar (meerderjarige) zoon [naam 2] , die tot 6 maart 2026 stond ingeschreven op het adres van het gehuurde, maar zich op die datum op een ander adres heeft ingeschreven. Dat de zoon zich op een ander adres heeft ingeschreven heeft er blijkbaar niet toe geleid dat het gevaar voor herhaling van de ordeverstoring, dat voor de Burgemeester de aanleiding was om het gehuurde te sluiten, zich niet openbaarde. Omdat [gedaagde] in dat verband geen andere argumenten naar voren heeft gebracht, moet het ervoor worden gehouden dat het risico van herhaling nog steeds bestaat.
4.8
Een (buitengerechtelijke) ontbinding van een huurovereenkomst heeft een ander karakter dan een ontbinding van een huurovereenkomst door de rechter op grond van artikel 7:231 lid 1 BW. In dat geval dient de rechter af te wegen of in voldoende is gebleken dat de huurder in de nakoming van zijn of haar verplichten zodanig is tekortgeschoten dat een en ander de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Dat is veelal een vraagstuk van of er voldoende bewijs is dat de huurder (ernstig) in de nakoming van zijn of haar verplichtingen tekort is geschoten.
4.9
In het kader van de beoordeling van de vraag of een verhuurder een huurovereenkomst kan ontbinden op de voet van artikel 7:231 lid 2 BW is het bewijs daarvoor gelegen in de vraag of de Burgemeester met gebruikmaking van artikel 164a Gemeentewet het gehuurde heeft gesloten. Zoals eerder overwogen is het bewijs daarvan in deze procedure geleverd. Dat betekent dat Hof Wonen in beginsel de huurovereenkomst buitengerechtelijk kon ontbinden.
4.10
De enige vraag die in het kader van deze kort geding procedure nog openligt is de vraag in hoeverre, in een nog te voeren bodemprocedure, stand houdt dat de Burgemeester het gehuurde op goede gronden heeft gesloten. Daarover heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 4.7 reeds overwogen dat de vrees voor herhaling zich, ondanks dat de zoon van [gedaagde] per 6 maart 2026 is verhuisd, zich op 23/24 april 2026 opnieuw heeft geopenbaard en dat het niet onredelijk aan te nemen is dat nogmaals explosies zullen plaatsvinden. In dat licht acht de kantonrechter het aannemelijk dat, ook indien alsnog toetsing van het besluit van de Burgemeester zal plaatsvinden, dat besluit stand zal houden.
4.11
Voor zover [gedaagde] nog heeft betoogd dat de vrees voor herhaling ook via andere middelen, bijvoorbeeld door verscherpte politiesurveillance of cameratoezicht, kan worden beperkt gaat de kantonrechter daaraan voorbij, omdat die argumenten niet relevant zijn voor de beoordeling of het besluit van de Burgemeester stand zal houden. Aangenomen mag worden dat de Burgemeester bij zijn besluit dergelijke alternatieve middelen al in zijn overwegingen heeft meegenomen.
4.12
Al met al komt de kantonrechter tot het oordeel dat Hof Wonen op 2 maart 2026 gerechtigd was de huurovereenkomst met [gedaagde] te ontbinden. Dat maakt dat zij thans zonder recht of titel het gehuurde bewoont en dat zij daarom het gehuurde zal moeten verlaten. Tussen partijen heeft nog overleg plaatsgevonden op welke termijn de ontruiming zou moeten plaatsvinden, maar partijen hebben daarover geen overeenstemming kunnen bereiken. Omdat tijdens de mondelinge behandeling van de zijde van Hof Wonen is verklaard dat de wetenschap dat [gedaagde] het gehuurde dient te verlaten belangrijker is dan het tijdstip waarop dat moet gebeuren, zal de kantonrechter de ontruimingstermijn stellen op een termijn van drie maanden. In die periode moet [gedaagde] geacht worden gebruik te kunnen maken van haar plaats op de wachtlijst voor een vervangende woning, die, zoals bleek tijdens de mondelinge behandeling, in het recente verleden al enkele mogelijke vervangende woningen heeft opgeleverd.
4.13
Als de in het ongelijk gestelde partij dient [gedaagde] de proceskosten van Hof Wonen te betalen. Deze kosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
Totaal
€
869,02
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van het vonnis de woning aan de [adres] te [plaats] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze niet het eigendom van Hof Wonen zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Hof Wonen te stellen;
5.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 869,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis;
5.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.