Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21661
2026-07-15
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.36759
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting en voortvarend handelen, lichter middel en belangenafweging, ongegrond
Citeert (8)
- ECLI:NL:RVS:2024:2194 Raad van State 30-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2016:1553 Raad van State 08-06-2016
- ECLI:NL:RVS:2021:1157 Raad van State 02-06-2021
- ECLI:NL:RVS:2015:674 Raad van State 23-02-2015
- ECLI:NL:RVS:2015:1309 Raad van State 10-04-2015
- ECLI:EU:C:2014:1320
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.463 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36759
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 22 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 9 juli 2026 gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 juni 2026 (in de zaak NL26.29367) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 3 juni 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 3 juni 2026 tot 9 juli 2026.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht is op uitzetting en dat verweerder onvoldoende inzichtelijk maakt welke concrete uitzettingshandelingen zijn verricht na de afwijzing op zijn asielaanvraag. Ook heeft verweerder volgens eiser onvoldoende voortvarend gewerkt aan zijn uitzetting.
4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunten. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2194 en 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553). Verder blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de termijn van artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als maximale termijn waarbinnen verweerder voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat de vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1157). De asielbewaring duurt maximaal zes maanden blijkens voornoemd artikel. Eiser heeft op 21 mei 2026 een (herhaalde) asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze vervolgens op 8 juni 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 15 juni 2026 heeft eiser tegen deze afwijzing beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Verweerder is in het geval dat eiser in een asielprocedure is verwikkeld niet gehouden om voortvarende handelingen te verrichten ter voorbereiding van de uitzetting. De vrijheidsontneming is niet gericht op eisers terugkeer naar zijn land van herkomst. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld aan zijn uitzetting in de te toetsen periode. De beroepsgronden slagen niet.
Lichter middel en belangenafweging
5. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling, zoals een meldplicht. Hiertoe voert hij aan dat hij al sinds 26 augustus 2025 aaneengesloten in vreemdelingenbewaring zit. Dit betekent dat verweerder een zwaardere motiveringsplicht heeft. Daarnaast voert eiser aan dat zijn medische en psychische gezondheid verslechteren door de verstreken duur in bewaring.
6. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
7. De rechtbank stelt vast dat eisers medische omstandigheden in de beoordeling van het eerste beroep tegen de oplegging van de maatregel van bewaring zijn betrokken. Eisers gestelde (gewijzigde) medische omstandigheden zijn in het onderhavige beroep niet onderbouwd. Alleen al omdat deze (gewijzigde) medische omstandigheden niet zijn onderbouwd, is daarmee niet aannemelijk gemaakt dat na 3 juni 2026 geen sprake meer was van een risico op onttrekking.
8. Uit de voortgangsrapportage van eiser blijkt verder dat verweerder op 20 februari 2026 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt en op 2 juli 2026 een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de noodzaak van voortduring van de maatregel aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij zijn uitzetting tweemaal heeft gefrustreerd met een asielaanvraag. Het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel weegt dan ook zwaarder dan het belang van eiser bij invrijheidsstelling.
9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet gehouden was een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36759
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 22 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 9 juli 2026 gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 juni 2026 (in de zaak NL26.29367) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 3 juni 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 3 juni 2026 tot 9 juli 2026.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht is op uitzetting en dat verweerder onvoldoende inzichtelijk maakt welke concrete uitzettingshandelingen zijn verricht na de afwijzing op zijn asielaanvraag. Ook heeft verweerder volgens eiser onvoldoende voortvarend gewerkt aan zijn uitzetting.
4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunten. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2194 en 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553). Verder blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de termijn van artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als maximale termijn waarbinnen verweerder voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat de vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1157). De asielbewaring duurt maximaal zes maanden blijkens voornoemd artikel. Eiser heeft op 21 mei 2026 een (herhaalde) asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze vervolgens op 8 juni 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 15 juni 2026 heeft eiser tegen deze afwijzing beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Verweerder is in het geval dat eiser in een asielprocedure is verwikkeld niet gehouden om voortvarende handelingen te verrichten ter voorbereiding van de uitzetting. De vrijheidsontneming is niet gericht op eisers terugkeer naar zijn land van herkomst. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld aan zijn uitzetting in de te toetsen periode. De beroepsgronden slagen niet.
Lichter middel en belangenafweging
5. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling, zoals een meldplicht. Hiertoe voert hij aan dat hij al sinds 26 augustus 2025 aaneengesloten in vreemdelingenbewaring zit. Dit betekent dat verweerder een zwaardere motiveringsplicht heeft. Daarnaast voert eiser aan dat zijn medische en psychische gezondheid verslechteren door de verstreken duur in bewaring.
6. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
7. De rechtbank stelt vast dat eisers medische omstandigheden in de beoordeling van het eerste beroep tegen de oplegging van de maatregel van bewaring zijn betrokken. Eisers gestelde (gewijzigde) medische omstandigheden zijn in het onderhavige beroep niet onderbouwd. Alleen al omdat deze (gewijzigde) medische omstandigheden niet zijn onderbouwd, is daarmee niet aannemelijk gemaakt dat na 3 juni 2026 geen sprake meer was van een risico op onttrekking.
8. Uit de voortgangsrapportage van eiser blijkt verder dat verweerder op 20 februari 2026 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt en op 2 juli 2026 een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de noodzaak van voortduring van de maatregel aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij zijn uitzetting tweemaal heeft gefrustreerd met een asielaanvraag. Het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel weegt dan ook zwaarder dan het belang van eiser bij invrijheidsstelling.
9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet gehouden was een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.