Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21660

2026-07-23 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL24.15846
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL24.15846
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

VK; aanvraag verblijfsdocument EU/EER, Chavez-Vilchezverblijfsrecht; belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM; verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.707 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL24.15846


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Schaap)


en




de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman),



alsmede




de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat).





Procesverloop


Bij besluit van 1 oktober 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.



Eiser heeft op 29 oktober 2021 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.



Bij besluit van 17 februari 2022 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Op 8 december 2022 heeft verweerder het besluit op bezwaar ingetrokken.



Bij besluit van 3 februari 2023 heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 oktober 2023, NL23.5780 (niet gepubliceerd), heeft deze rechtbank en zittingsplaats het besluit op bezwaar vernietigd en verweerder opgedragen binnen acht weken een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak.



Op 25 maart 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.



Bij besluit van 19 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.



Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar is op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen het bestreden besluit.



Op 17 mei 2024 heeft eiser beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit.



Op 8 mei 2026 heeft eiser de beroepsgronden aangevuld. Eiser heeft daarbij een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn.



Verweerder heeft op 18 mei 2026 een aanvullend dwangsombesluit genomen.



Op 19 mei 2026 heeft verweerder op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om schadevergoeding, op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.





Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit


1. De rechtbank stelt vast dat eiser geen belang meer heeft bij dit onderdeel van het beroep, omdat verweerder alsnog op het bezwaar heeft beslist. De destijds verstuurde ingebrekestelling is geldig. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser in verband met de indiening van het beroepschrift (0,5 punt; zie onder 11 van deze uitspraak). Voor dit beroep was geen afzonderlijk griffierecht geheven.





Het beroep tegen het bestreden besluit



Bestuurlijke dwangsom



2. Eiser heeft aangevoerd dat de dwangsom in het bestreden besluit onjuist is berekend. Verweerder heeft op 18 mei 2026 een aanvullend dwangsombesluit genomen. Daarin heeft verweerder de verbeurde dwangsom vastgesteld op € 322,-, overeenkomend met veertien dagen als bedoeld in artikel 4:17, tweede lid, van de Awb. Daarbij heeft verweerder betrokken dat reeds een bedrag over tien dagen aan eiser was uitgekeerd en dat voor de resterende vier dagen (€ 92,-) een declaratieformulier aan eiser is toegezonden.

Met het aanvullend dwangsombesluit erkent verweerder dat de hoogte van de dwangsom in het bestreden besluit onjuist is vastgesteld. Dit betekent dat eiser aanleiding had om beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Het beroep gericht tegen de onjuiste vaststelling van de hoogte van de dwangsom in het bestreden besluit moet daarom gegrond worden verklaard.
Niet in geschil is dat verweerder met het aanvullend dwangsombesluit de hoogte van de verbeurde dwangsom correct heeft vastgesteld. De rechtbank ziet daarom – tot zover – aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met inachtneming van het aanvullend dwangsombesluit, in stand te laten.
De rechtbank zal verweerder daarnaast veroordelen in de proceskosten van eiser voor de beroepsgronden die betrekking hebben op de bestuurlijke dwangsom (1 punt; zie onder 11 van deze uitspraak). Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht terug.




De aanvraag





Inleiding


3. Eiser is geboren op [datum 1] 1974 en heeft de Egyptische nationaliteit. Eiser was eerder, met ingang van 2 februari 2005, in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij echtgenote [naam 1] ’. Bij besluit van 27 oktober 2017, gehandhaafd bij besluit van 28 maart 2018, heeft verweerder deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht vanaf 8 december 2016 ingetrokken. Het daartegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 10 september 2018 ongegrond verklaard.


3.1.
Eiser heeft verder op 20 december 2017 een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene. Bij besluit van 13 september 2018 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Daarnaast heeft eiser op 22 juni 2018 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij partner [naam 2] ’. Bij besluit van 28 augustus 2018 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Tegen deze besluiten heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend, zodat zij in rechte vaststaan.



3.2.
Eiser heeft op 19 februari 2021 een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Eiser beoogt een afgeleid verblijfsrecht in de zin van artikel 20 van het VWEU en het arrest van het Hof van Justitie (Hof) van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354, vanwege zijn kinderen [naam 13] [naam 16] , [naam 17] [naam 16] en [naam 15] [naam 16] ( [naam 13] , [naam 14] en [naam 15] ; hierna: het Chavez-Vilchezverblijfsrecht). [naam 15] is geboren op [datum 2] 2003, [naam 14] op [datum 4] 2004 en [naam 13] op [datum 5] 2006. Zij waren ten tijde van de aanvraag minderjarig en hebben allen de Nederlandse nationaliteit. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 3 februari 2023 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 oktober 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats dat besluit vernietigd, omdat verweerder ten onrechte niet had getoetst aan het familie- of gezinsleven en de voor het eerst in beroep gemaakte belangenafweging onvoldoende was om de beslissing op het bezwaar te kunnen dragen. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen. Alleen [naam 13] was ten tijde van het bestreden besluit 17 jaar en dus minderjarig. [naam 14] was toen 19 jaar en [naam 15] 21 jaar. [naam 15] woont en studeert sinds enkele jaren in het Verenigd Koninkrijk.



Het bestreden besluit




4.1.

Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft hieraan – samengevat weergeven – het volgende ten grondslag gelegd. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijke zorgtaken verricht ten aanzien van [naam 13] . Verweerder gaat ervan uit dat eiser tot 8 december 2016 heeft samengewoond met zijn gezin; sindsdien woont [naam 13] bij zijn moeder en eiser heeft niet aangetoond dat hij sinds de scheiding daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken vervult. Verweerder volgt eiser ook niet voor zover hij stelt dat tussen hem en [naam 13] een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [naam 13] gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Van 8 december 2016 tot 23 april 2018 is eiser opgenomen geweest in de Registratie Niet-Ingezetenen en uitgeschreven van zijn woonadres in Nederland. Op 25 april 2022 is eiser definitief uitgeschreven uit de Basisregistratie personen (Brp) wegens vertrek naar Alexandrië in Egypte alwaar hij thans nog woont. Volgens verweerder is niet gebleken dat [naam 13] met eiser is meegegaan naar Egypte; reeds hieruit blijkt dat er geen sprake is van de vereiste afhankelijkheidsverhouding. Bovendien heeft verweerder het belang van [naam 13] bezien. Weliswaar is de aanwezigheid van beide ouders wenselijk en bevorderlijk voor de ontwikkeling van kinderen, maar dat betekent niet automatisch dat aan eiser de gevraagde verblijfsvergunning moet worden verleend. Volgens verweerder heeft eiser niet aangetoond dat weigering van de verblijfsvergunning aan eiser onevenredig zware impact in de ontwikkeling van [naam 13] met zich brengt.
Ten aanzien van eisers meerderjarige kinderen heeft verweerder getoetst aan het arrest van het Hof van 8 mei 2018, K.A., ECLI:EU:C:2018:308, maar zij zijn volgens verweerder voldoende zelfstandig en onafhankelijk; hun situatie noopt evenmin tot het verlenen van een verblijfsvergunning.




4.2.
Verweerder heeft verder getoetst aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tussen eiser en zijn meerderjarige kinderen heeft verweerder echter geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven aangenomen. Verweerder gaat wel uit van beschermenswaardig gezinsleven met [naam 13] , maar heeft de belangenafweging in het nadeel van eiser en [naam 13] laten uitvallen.



Beroepsgronden




5.1.
Eiser stelt dat de Chavez-beoordeling in het bestreden besluit onjuist is en dat het besluit vanwege een motiveringsgebrek dient te worden vernietigd. Hij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344. Het bezwaar is volgens eiser ten onrechte ongegrond verklaard omdat hij niet voldoet aan voorwaarde c van de destijds geldende paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), inhoudende dat de vreemdeling moet aantonen dat hij, al dan niet gezamenlijk met de andere ouder, daadwerkelijke zorgtaken verricht ten behoeve van het minderjarige kind, terwijl de afhankelijkheidsverhouding diende te worden beoordeeld.



5.2.
De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM is volgens eiser ook niet juist. Volgens eiser heeft verweerder het economisch belang van Nederland ten onrechte in zijn nadeel gewogen, omdat hij heeft miskend dat eiser zijn werk in Nederland is verloren vanwege een verandering in het verblijfsrecht nadat in eerste instantie is beslist op zijn bezwaar tegen het primaire besluit. Volgens eiser heeft verweerder ook ten onrechte in zijn nadeel gewogen dat hij geen opvolgend verblijfsrecht heeft gekregen en ten onrechte geen gewicht toegekend aan het rechtmatig uitgeoefende gezinsleven van eiser in het verleden.



Het oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden.

Is de Chavez-beoordeling onjuist?




7.1.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 en het naar aanleiding daarvan opgestelde IB 2025/39 (Cumulatie Chavez-voorwaarden) volgt dat een aanvraag om een afgeleid verblijfsrecht op grond van een minderjarige Unieburger niet uitsluitend mag worden afgewezen op de grond dat slechts sprake is van marginale zorg- en opvoedingstaken. Thans volgt uit paragraaf B10/2.5.1 van de Vc dat aan het Chavez-Vilchezverblijfsrecht wordt voldaan als tussen de derdelands ouder en het kind een zodanige afhankelijkheid bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.
De rechtbank overweegt dat uit het bestreden besluit niet volgt dat verweerder het Chavez-Vilchezverblijfsrecht uitsluitend heeft geweigerd omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken voor [naam 13] verricht. Verweerder heeft ook beoordeeld of sprake is van de vereiste afhankelijkheidsverhouding en heeft daarbij de belangen van [naam 13] betrokken. Van een onjuiste beoordelingsmaatstaf is dan ook geen sprake.
Overigens volgt uit de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak van 22 juli 2025 dat de vereiste afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet voorstelbaar is als de betrokken ouder niet meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht. Het verrichten van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken vormt echter niet de grondslag voor het wel of niet ontstaan van een afgeleid verblijfsrecht (vgl. r.o. 3.3).




7.2.
Ten aanzien van de beoordeling of eiser het Chavez-Vilchezverblijfsrecht had moeten verkrijgen, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft in het bestreden besluit betrokken dat eiser niet heeft aangetoond dat hij sinds de scheiding met de moeder van [naam 13] in 2016 daadwerkelijke zorgtaken voor hem heeft vervuld. Het zwaartepunt van de zorg- en opvoedtaken heeft bij de moeder gelegen. Daarmee ligt het zwaartepunt in de afhankelijkheidsverhouding van [naam 13] bij zijn moeder en niet bij eiser. Zelf heeft eiser niet de gestelde omgang met [naam 13] onderbouwd. Verweerder heeft verder betrokken dat eiser al enige tijd is vertrokken naar Egypte. Nu [naam 13] niet is meegegaan volgt hieruit dat reeds niet wordt voldaan aan de vereiste afhankelijkheidsverhouding. Enkele bezoeken over en weer in de zomerperiode maakt dat niet anders. Tot slot heeft verweerder betrokken dat niet is gebleken dat de scheiding een onevenredig zware impact op [naam 13] heeft of zal hebben, bijvoorbeeld vanwege een achterstand in zijn lichamelijke of psychische ontwikkeling. Behoudens wat hiervoor al is besproken, heeft eiser deze standpunten van verweerder, die erop neerkomen dat niet wordt voldaan aan de vereiste afhankelijkheidsverhouding, niet betwist. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder eiser het verblijfsdocument EU/EER terecht heeft geweigerd.



7.3.
Eisers beroepsgrond slaagt niet.



Onjuiste belangenafweging?





Waar gaat het hier om?





8.1.

Verweerder heeft verder getoetst aan artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft betwist dat tussen hem en zijn volwassen kinderen, [naam 14] en [naam 15] , geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven. Verweerder heeft daarbij betrokken dat hoewel eiser naar gesteld regelmatig telefonisch contact met hen onderhoudt en hen soms geld stuurt, hij tot de conclusie komt dat eisers volwassen kinderen in grote mate zelfstandig zijn en niet afhankelijk zijn van eiser (voor hun opvoeding en verzorging). Nu eiser de conclusie van verweerder niet heeft betwist en deze daarmee voor juist moet worden gehouden dat tussen hen geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven bestaat, was hij ook niet gehouden een belangenafweging te maken tussen de belangen van de Nederlandse staat en de belangen van eisers volwassen kinderen (vgl. uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188).
Verder overweegt de rechtbank dat eiser ook niet heeft betwist dat in zijn privéleven in Nederland geen reden is gelegen om hem een verblijfsvergunning te geven op grond van artikel 8 van het EVRM. Het gaat hier dus alleen om de belangenafweging tussen eiser en zijn – ten tijde van het bestreden besluit – minderjarige kind [naam 13] . Tussen hen heeft verweerder wel beschermenswaardig familie- dan wel gezinsleven aangenomen. Ten aanzien van de belangenafweging die verweerder hiertoe heeft gemaakt overweegt de rechtbank als volgt.




Kader





8.2.
Of familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM voor bescherming in Nederland in aanmerking komt, moet in iedere zaak aan de hand van een geïndividualiseerde belangenafweging worden beoordeeld. Daarbij weegt verweerder het economisch belang van Nederland en zet deze af tegen alle overige omstandigheden van het concrete geval (zie ook paragraaf B7/3.8.3 van de Vc). Die belangenafweging moet blijk geven van een ‘fair balance’. Dit volgt uit vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waaronder het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006 (ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599). De rechtbank toetst zonder terughoudendheid of alle feiten en omstandigheden hierin zijn betrokken en enigszins terughoudend of de belangenafweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1503) en 4 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4911).



Resulteert de gemaakte belangenafweging in een ‘fair balance’?





8.3.
Als de rechtbank het goed begrijpt heeft verweerder, zoals ter zitting toegelicht, niet alleen gekeken naar de vraag of eiser mogelijk ten laste komt van de openbare kas, maar heeft verweerder het economisch belang van Nederland breder getrokken naar algemene belangen die in algemene zin voor iedere persoon die in Nederland verblijft aan de orde kunnen zijn, waaronder de vraag in hoeverre een vreemdeling in Nederland aanspraak zal kunnen maken op al dan niet schaarse onderdelen van de maatschappelijke infrastructuur, zoals huisvesting, onderwijs of zorg en andere maatschappelijke voorzieningen. Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3049, r.o. 3.8 en 3.9.



8.4.
Omdat eiser een verblijfsvergunning heeft gehad, geldig van 2 februari 2005 tot 8 december 2016, heeft verweerder in het voordeel van eiser gewogen dat hij inmengt in het gezinsleven. Verweerder heeft echter in het nadeel gewogen van eiser dat hij maar in beperkte mate invulling geeft aan dit gezinsleven met [naam 13] , zoals hierboven in de Chavez-beoordeling is weergegeven. Er is dus geen sprake van intensief gezinsleven tussen hen. Dit gezinsleven kan op afstand worden uitgeoefend, bijvoorbeeld door bezoeken over en weer en telefonisch contact met [naam 13] . De situatie zoals die was ten tijde van het bestreden besluit kon dat bevestigen: eiser was sinds april 2022 weer in Egypte en daarmee is sprake geweest van invulling van het gezinsleven op afstand. Verweerder neemt aan dat deze situatie kan worden voortgezet. Verweerder heeft verder rekening gehouden met het belang van [naam 13] , met een verwijzing naar de beoordeling ten aanzien van het Chavez-Vilchezverblijfsrecht. Verweerder heeft daarbij betrokken dat niet is gebleken waarom het voor eiser en [naam 13] niet mogelijk is om het gezinsleven in dan wel vanuit Egypte voort te zetten. Daarnaast heeft verweerder betrokken dat eiser sterkere banden heeft met Egypte dan met Nederland.


8.4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante belangen kenbaar in de belangenafweging betrokken en niet ten onrechte het belang van de Nederlandse overheid zwaarder gewogen dan het belang van eiser om het familie- en gezinsleven met [naam 13] hier in Nederland uit te oefenen. Dat eiser voor langere tijd rechtmatig in Nederland heeft verbleven, hier heeft gewerkt, inkomen heeft verworven en enkel vanwege financiële noodzaak naar Egypte is verhuisd, maakt dat niet anders. Weliswaar weegt in het voordeel van eiser dat hij als vader van [naam 13] hier te lande heeft verbleven, maar gelet op de beperkte intensiteit van het gezinsleven met [naam 13] – zoals blijkt uit de Chavez-beoordeling hierboven – en de sterkere banden van eiser met Egypte, leidt dit niet tot het oordeel dat het voortzetten van het gezinsleven op afstand in de huidige situatie ongerechtvaardigd is. Verweerder hoefde eiser daarom geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen.




8.5.
De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt ook niet.



Conclusie ten aanzien van het bestreden besluit

9. Gelet op het vorenstaande, waaruit volgt dat geen van de beroepsgronden gericht tegen de afwijzing van de aanvraag slaagt, is de slotsom dat het beroep, voor zover het is gericht tegen de weigering om eiser de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen, niet tot vernietiging van het bestreden besluit leidt. Dit beroep is daarom ongegrond. In dit verband bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.






Het verzoek om schadevergoeding


10. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.



10.1.
In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Als zich de situatie voordoet dat een besluit door de rechtbank wordt vernietigd en dat leidt tot herhaalde besluitvorming op bezwaar, dient de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan verweerder te worden toegerekend en is dat slechts anders als de rechtbank de redelijke behandelingsduur voor een beroep heeft overschreden (zie naar analogie de uitspraak van 30 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1467, onder 2.2.4).



Is de redelijke termijn overschreden?





10.2.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 29 oktober 2021, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift tegen het primaire besluit heeft ontvangen. De tweejaarstermijn is ten tijde van deze uitspraak met, afgerond naar boven, twee jaar en negen maanden – zijnde 33 maanden – overschreden. Er zijn geen omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen. Eiser heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 3.000,-.



Wie moet de schadevergoeding betalen?





10.3.
De behandeling van het bezwaar heeft, afgerond naar boven, 30 maanden geduurd. Daarbij is mede betrokken het deel van de beroepsfase waarin de beslissing op bezwaar is vernietigd en de rechtbank de voor de beroepsfase geldende behandelingsduur niet heeft overschreden. Daarmee heeft verweerder de redelijke termijn voor de bezwaarfase met 24 maanden overschreden. Het overige deel van de overschrijding, zijnde negen maanden, komt voor rekening van de rechtbank. De overschrijding van de redelijke termijn wordt daarom voor 24/33 deel aan verweerder toegerekend en voor 9/33 deel aan de rechtbank. Dit betekent dat verweerder wordt veroordeeld tot betaling van (24/33 van € 3.000,- =) € 2.182,- aan schadevergoeding aan eiser en de Staat tot betaling van (9/33 van € 3.000,- =) € 818,-.



10.4.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt in verband met het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (0,5 punt; zie hierna onder 11 van deze uitspraak). Aangezien de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan zowel verweerder als de rechtbank, moeten verweerder en de Staat ieder de helft van de proceskosten betalen.





Proceskosten


11. Gelet op de overwegingen 1, 2 en 10.4 bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (0,5 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit en 0,5 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De verdeling van deze kosten tussen verweerder en de Staat is weergegeven in het dictum. Gelet op overweging 2 moet verweerder ook het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Verder zijn geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover het ziet op het dwangsombesluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op het dwangsombesluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit, met inachtneming van het aanvullend dwangsombesluit, geheel in stand blijven.
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 2.182,-;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 818,-;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van (€ 467,- + € 934,- + € 233,50 =) € 1.634,50;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.