Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21659
2026-07-14
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.36365
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bewaring, kennisgeving, bewaringsgronden, lichter middel, ongegrond
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2015:674 Raad van State 23-02-2015
- ECLI:NL:RVS:2015:1309 Raad van State 10-04-2015
- ECLI:EU:C:2014:1320
- ECLI:NL:RVS:2018:16 Raad van State 05-01-2018
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.005 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36365
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. Y. Mateo Diaz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Essebai. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser betwist de zware gronden 3c en 3d. Ten aanzien van zware grond 3c stelt eiser dat hij niet bekend is met het terugkeerbesluit en zijn vertrekplicht, alsmede dat het besluit niet aan hem is uitgereikt. Met betrekking tot zware grond 3d voert eiser aan dat uit het gehoor blijkt dat hij wel stappen heeft ondernomen om zijn identiteit vast te stellen.
1.2.
De zware gronden 3a en 3b en de lichte gronden 4c en 4d zijn niet betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de overige gronden dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
2. Eiser stelt dat verweerder een lichter middel dan de inbewaringstelling had moeten toepassen, zoals het opleggen van een meldplicht. Hij geeft aan bereid te zijn vrijwillig terug te keren naar Algerije. Eiser vreest dat een gedwongen terugkeer ertoe zal leiden dat hij onnodig lang in vreemdelingenbewaring blijft. Hij is ziek en wil graag uit Nederland en de Europese Unie vertrekken. Hij beschikt over eigen financiële middelen en kan rekenen op ondersteuning van familie in Nederland, bij wie hij de afgelopen zes maanden heeft verbleven. Eiser heeft de gegevens van deze familieleden en wil graag een meldplicht terwijl hij op dit adres verblijft.
2.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de zware gronden 3a en 3b en de lichte gronden 4c en 4d, die verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Hieruit volgt namelijk dat er een risico is op onttrekking. De stelling dat eiser nu verklaart bereid te zijn zich aan een meldplicht te houden en vrijwillig zal vertrekken naar Algerije doet hier niet aan af. Verder volgt de rechtbank de stelling dat een gedwongen vertrek leidt tot een onnodig lang verblijf in vreemdelingendetentie evenmin. Op 10 juni 2026 heeft verweerder de laissez-passer aanvraag ten behoeve van eiser doorgezonden aan de Algerijnse autoriteiten. Voor een zelfstandig vertrek kan eiser zich wenden tot de regievoerder van de DT&V over contact met het IOM. Ten aanzien van de psychische gesteldheid van eiser wordt nog opgemerkt dat in de maatregel van bewaring is toegelicht dat eiser toegang heeft tot de medische dienst en dat er een extra beveiligde zorgafdeling aanwezig is op het detentiecentrum, waarmee de veiligheid en de gezondheid van eiser voldoende zijn gewaarborgd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:16) volgt dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische en psychische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische of psychische zorg zal verslechteren. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
4.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Dienst Terugkeer en Vertrek.
International Organization for Migration.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36365
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. Y. Mateo Diaz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Essebai. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser betwist de zware gronden 3c en 3d. Ten aanzien van zware grond 3c stelt eiser dat hij niet bekend is met het terugkeerbesluit en zijn vertrekplicht, alsmede dat het besluit niet aan hem is uitgereikt. Met betrekking tot zware grond 3d voert eiser aan dat uit het gehoor blijkt dat hij wel stappen heeft ondernomen om zijn identiteit vast te stellen.
1.2.
De zware gronden 3a en 3b en de lichte gronden 4c en 4d zijn niet betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de overige gronden dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
2. Eiser stelt dat verweerder een lichter middel dan de inbewaringstelling had moeten toepassen, zoals het opleggen van een meldplicht. Hij geeft aan bereid te zijn vrijwillig terug te keren naar Algerije. Eiser vreest dat een gedwongen terugkeer ertoe zal leiden dat hij onnodig lang in vreemdelingenbewaring blijft. Hij is ziek en wil graag uit Nederland en de Europese Unie vertrekken. Hij beschikt over eigen financiële middelen en kan rekenen op ondersteuning van familie in Nederland, bij wie hij de afgelopen zes maanden heeft verbleven. Eiser heeft de gegevens van deze familieleden en wil graag een meldplicht terwijl hij op dit adres verblijft.
2.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de zware gronden 3a en 3b en de lichte gronden 4c en 4d, die verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Hieruit volgt namelijk dat er een risico is op onttrekking. De stelling dat eiser nu verklaart bereid te zijn zich aan een meldplicht te houden en vrijwillig zal vertrekken naar Algerije doet hier niet aan af. Verder volgt de rechtbank de stelling dat een gedwongen vertrek leidt tot een onnodig lang verblijf in vreemdelingendetentie evenmin. Op 10 juni 2026 heeft verweerder de laissez-passer aanvraag ten behoeve van eiser doorgezonden aan de Algerijnse autoriteiten. Voor een zelfstandig vertrek kan eiser zich wenden tot de regievoerder van de DT&V over contact met het IOM. Ten aanzien van de psychische gesteldheid van eiser wordt nog opgemerkt dat in de maatregel van bewaring is toegelicht dat eiser toegang heeft tot de medische dienst en dat er een extra beveiligde zorgafdeling aanwezig is op het detentiecentrum, waarmee de veiligheid en de gezondheid van eiser voldoende zijn gewaarborgd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:16) volgt dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische en psychische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische of psychische zorg zal verslechteren. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
4.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Dienst Terugkeer en Vertrek.
International Organization for Migration.