Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21629
2026-07-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.39459
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verblijf als familie- of gezinslid. Mvv-vereiste. Geen verboden onderscheid tussen biologische moeders en vaders. Geen onjuiste implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Geboorte tijdens huwelijk of daaraan gelijk te stellen relatie en het vereiste van hechte en persoonlijke banden. Beroep ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:CE:ECHR:2004:0601JUD004558299
- ECLI:NL:RVS:2018:2366 Raad van State 18-07-2018
- ECLI:EU:C:2022:617
- ECLI:EU:C:2022:618
- ECLI:EU:C:2026:243
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.227 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39459
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).
Procesverloop
In het besluit van 25 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens was aanwezig [referent] , referent. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2005 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij heeft verklaard dat zij op 11 september 2022 naar Nederland is gekomen.
2. Op 31 januari 2023 heeft referent, de vader van eiseres, ten behoeve van eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’. In het besluit van 25 juli 2023 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. In het besluit van 12 juni 2024 heeft verweerder het besluit van 25 juli 2023 ingetrokken. Vervolgens heeft verweerder in het besluit van 24 juli 2024 (het primaire besluit) de aanvraag opnieuw afgewezen.
3. Eiseres heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 12 juni 2025 zijn eiseres en referent door verweerder gehoord over het bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft aan eiseres tegengeworpen dat zij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Een mvv is een inreisvisum dat na aankomst in Nederland wordt omgezet in een verblijfsvergunning. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste omdat zij niet drie jaar ononderbroken hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, en omdat geen sprake is van hechte en persoonlijke banden met referent zodat geen sprake is van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft hierbij verwezen naar artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder k en l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en onderdeel B7/3.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat het vereiste in verweerders werkinstructie 2020/16 ‘Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM’ (hierna: WI) dat tussen een vader en een dochter sprake moet zijn van hechte en persoonlijke banden in strijd is met het verbod op discriminatie, omdat bij moeders wel automatisch familieleven wordt aangenomen. Daarnaast voert zij aan dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat zij geboren is uit een met een huwelijk gelijk te stellen affectieve relatie. Hierbij wijst zij op de door haar overgelegde schriftelijke verklaringen van haar ouders en tante. Verder voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat tussen referent en haarzelf geen hechte en persoonlijke banden bestaan. Hierbij betoogt eiseres dat dit vereiste een onjuiste implementatie is van de Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) omdat die op dit onderdeel minder streng is. Ook voert eiseres aan dat volgens de WI familieleven kan bestaan als een vader de relatie met zijn kind wil versterken. Als laatste voert eiseres aan dat zij ten tijde van de aanvraag minderjarig was en dat er in het bestreden besluit te weinig aandacht is gegeven aan het belang van het kind.
5. Verweerder heeft tijdens de zitting van 1 juli 2026 op de beroepsgronden gereageerd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat het verbod op discriminatie niet is geschonden. Hierbij heeft verweerder gewezen op het arrest van 1 juni 2004 in de zaak L. tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:2004:0601JUD004558299). Volgens verweerder is dan ook terecht beoordeeld of sprake is van werkelijk gezinsleven aan de hand van het criterium ‘hechte en persoonlijke banden’. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat dit geen onjuiste implementatie is van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Hierbij heeft verweerder gewezen op de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2366. In het bestreden besluit is volgens verweerder goed gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van hechte en persoonlijke banden tussen referent en haarzelf, en is voldoende aandacht besteed aan het belang van het kind.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In de WI staat dat ten aanzien van de biologische moeder familieleven wordt aangenomen ongeacht of het kind geboren is uit een huwelijk of relatie. Ook staat in de WI dat de biologische vader daarvoor een huwelijk of daaraan gelijk te stellen relatie met de moeder moet hebben ten tijde van de geboorte of het verwekken van het kind, dan wel dat sprake moet zijn van hechte en persoonlijke banden. Anders dan verweerder heeft gesteld, kan uit het arrest L. tegen Nederland niet worden afgeleid dat dit onderscheid gerechtvaardigd is. Gelet op punt 43 van dit arrest is in die zaak namelijk niet een dergelijk onderscheid tussen moeder en vader aan de orde gesteld, maar een onderscheid tussen ongehuwde biologische vaders die hun kind wel en niet hebben erkend. Bovendien heeft het EHRM het gelet op punt 44 van dit arrest niet nodig gevonden om inhoudelijk op dit punt in te gaan.
7. Eiseres heeft tijdens de zitting van 1 juli 2026 een beroep gedaan op het discriminatieverbod van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Nog los van de vraag of een onderscheid op grond van het zijn van moeder dan wel vader onder de reikwijdte van deze bepaling valt, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een verboden discriminatie. In de eerste plaats is daarvoor redengevend dat een moeder, in tegenstelling tot een vader, aanvankelijk automatisch een band met een kind opbouwt vanwege de zwangerschap en geboorte. Ten tweede is daarvoor redengevend dat de WI naar het oordeel van de rechtbank niet zo moet worden gelezen dat ook in gevallen waarin de band tussen een moeder en een kind op enig moment na de geboorte wordt verbroken nog steeds familieleven moet worden aangenomen. Dit zou zich immers niet verhouden met het uitgangspunt van de WI dat het beoordelen van familieleven een zorgvuldige en gemotiveerde weging is van alle feitelijke omstandigheden van het individuele geval. Verweerder heeft tijdens de zitting van 1 juli 2026 desgevraagd deze lezing van zijn WI ook voorgestaan.
8. Dit brengt mee dat verweerder op goede gronden heeft beoordeeld of referent een huwelijk of een daaraan gelijk te stellen relatie met de moeder van eiseres had ten tijde van het verwekken, dan wel de geboorte van eiseres. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de overgelegde schriftelijke verklaringen van de beide ouders en de tante, en de mondelinge verklaringen tijdens de hoorzitting van 12 juni 2025, onvoldoende zijn om dit aannemelijk te achten. Daarom heeft verweerder terecht de toets van de hechte en persoonlijke banden aangelegd. Verweerder heeft vervolgens niet ten onrechte overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat hiervan sprake is. Hierbij heeft verweerder niet ten onrechte betrokken dat de overgelegde schriftelijke verklaringen niet objectief zijn. Vanaf haar geboorte tot 2013 heeft eiseres haar vader alleen in de weekenden en vakanties gezien. Dat er in de periode tot september 2022 intensief contact op afstand is geweest, is niet onderbouwd. De door eiseres in de bezwaarfase overgelegde foto’s en afschriften van chatberichten zijn daarvoor onvoldoende. Dat er daarna ongeveer anderhalf jaar samenwoning is geweest in Nederland, is op zichzelf ook niet voldoende. Zeker niet aangezien eiseres in die periode veel bij haar tante was. Dat referent in het levensonderhoud van eiseres voorziet, is niet onderbouwd. Dat referent en eiseres om elkaar geven, dat referent als eerste contact vermeld staat op de aanmelding voor een opleiding en dat hun gemachtigde tijdens de zitting van 1 juli 2026 heeft meegedeeld dat zij een oprecht contact waarneemt, legt onvoldoende gewicht in de schaal.
9. In deze beoordeling heeft verweerder zich rekenschap gegeven van de leeftijd van eiseres. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in de stelling dat er te weinig rekening is gehouden met de belangen van het kind. Eiseres heeft bovendien niet concreet toegelicht hoe het belang van het kind tot een andere afweging had moeten leiden, temeer nu gelet op het voorgaande alle feitelijke omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken. De passage in de WI over het willen versterken van de band ziet op vaders en kinderen die geboren zijn uit een huwelijk of daaraan gelijk te stellen relatie, en is dus op dit geval niet van toepassing.
10. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat deze wijze van beoordelen getuigt van een foutieve en te strenge implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Dit volgt uit de door verweerder aangehaalde Afdelingsuitspraak van 18 juli 2018. Eiseres heeft gewezen op twee recentere arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 1 augustus 2022 in de zaken SW, BL en BC (ECLI:EU:C:2022:617) en XC (ECLI:EU:C:2022:618). Het HvJEU heeft in deze arresten geoordeeld dat een enkele bloedverwantschap niet voldoende is om familieleven aan te nemen, dat anderzijds ook niet vereist is dat men deel uitmaakt van hetzelfde huishouden of onder één dak leeft, maar dat te allen tijde een feitelijke beoordeling aan de hand van alle omstandigheden van het individuele geval moet worden gemaakt. Dit heeft niet tot gevolg dat niet langer zou kunnen worden uitgegaan van de Afdelingsuitspraak van 18 juli 2018. Er is dan ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU zoals bedoeld in het arrest van 24 maart 2026 in de zaak [persoon] (ECLI:EU:C:2026:243).
11. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit van 25 juli 2025 in stand blijft.
12. Er is om die reden geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39459
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).
Procesverloop
In het besluit van 25 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens was aanwezig [referent] , referent. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2005 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij heeft verklaard dat zij op 11 september 2022 naar Nederland is gekomen.
2. Op 31 januari 2023 heeft referent, de vader van eiseres, ten behoeve van eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’. In het besluit van 25 juli 2023 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. In het besluit van 12 juni 2024 heeft verweerder het besluit van 25 juli 2023 ingetrokken. Vervolgens heeft verweerder in het besluit van 24 juli 2024 (het primaire besluit) de aanvraag opnieuw afgewezen.
3. Eiseres heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 12 juni 2025 zijn eiseres en referent door verweerder gehoord over het bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft aan eiseres tegengeworpen dat zij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Een mvv is een inreisvisum dat na aankomst in Nederland wordt omgezet in een verblijfsvergunning. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste omdat zij niet drie jaar ononderbroken hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, en omdat geen sprake is van hechte en persoonlijke banden met referent zodat geen sprake is van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft hierbij verwezen naar artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder k en l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en onderdeel B7/3.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat het vereiste in verweerders werkinstructie 2020/16 ‘Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM’ (hierna: WI) dat tussen een vader en een dochter sprake moet zijn van hechte en persoonlijke banden in strijd is met het verbod op discriminatie, omdat bij moeders wel automatisch familieleven wordt aangenomen. Daarnaast voert zij aan dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat zij geboren is uit een met een huwelijk gelijk te stellen affectieve relatie. Hierbij wijst zij op de door haar overgelegde schriftelijke verklaringen van haar ouders en tante. Verder voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat tussen referent en haarzelf geen hechte en persoonlijke banden bestaan. Hierbij betoogt eiseres dat dit vereiste een onjuiste implementatie is van de Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) omdat die op dit onderdeel minder streng is. Ook voert eiseres aan dat volgens de WI familieleven kan bestaan als een vader de relatie met zijn kind wil versterken. Als laatste voert eiseres aan dat zij ten tijde van de aanvraag minderjarig was en dat er in het bestreden besluit te weinig aandacht is gegeven aan het belang van het kind.
5. Verweerder heeft tijdens de zitting van 1 juli 2026 op de beroepsgronden gereageerd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat het verbod op discriminatie niet is geschonden. Hierbij heeft verweerder gewezen op het arrest van 1 juni 2004 in de zaak L. tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:2004:0601JUD004558299). Volgens verweerder is dan ook terecht beoordeeld of sprake is van werkelijk gezinsleven aan de hand van het criterium ‘hechte en persoonlijke banden’. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat dit geen onjuiste implementatie is van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Hierbij heeft verweerder gewezen op de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2366. In het bestreden besluit is volgens verweerder goed gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van hechte en persoonlijke banden tussen referent en haarzelf, en is voldoende aandacht besteed aan het belang van het kind.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In de WI staat dat ten aanzien van de biologische moeder familieleven wordt aangenomen ongeacht of het kind geboren is uit een huwelijk of relatie. Ook staat in de WI dat de biologische vader daarvoor een huwelijk of daaraan gelijk te stellen relatie met de moeder moet hebben ten tijde van de geboorte of het verwekken van het kind, dan wel dat sprake moet zijn van hechte en persoonlijke banden. Anders dan verweerder heeft gesteld, kan uit het arrest L. tegen Nederland niet worden afgeleid dat dit onderscheid gerechtvaardigd is. Gelet op punt 43 van dit arrest is in die zaak namelijk niet een dergelijk onderscheid tussen moeder en vader aan de orde gesteld, maar een onderscheid tussen ongehuwde biologische vaders die hun kind wel en niet hebben erkend. Bovendien heeft het EHRM het gelet op punt 44 van dit arrest niet nodig gevonden om inhoudelijk op dit punt in te gaan.
7. Eiseres heeft tijdens de zitting van 1 juli 2026 een beroep gedaan op het discriminatieverbod van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Nog los van de vraag of een onderscheid op grond van het zijn van moeder dan wel vader onder de reikwijdte van deze bepaling valt, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een verboden discriminatie. In de eerste plaats is daarvoor redengevend dat een moeder, in tegenstelling tot een vader, aanvankelijk automatisch een band met een kind opbouwt vanwege de zwangerschap en geboorte. Ten tweede is daarvoor redengevend dat de WI naar het oordeel van de rechtbank niet zo moet worden gelezen dat ook in gevallen waarin de band tussen een moeder en een kind op enig moment na de geboorte wordt verbroken nog steeds familieleven moet worden aangenomen. Dit zou zich immers niet verhouden met het uitgangspunt van de WI dat het beoordelen van familieleven een zorgvuldige en gemotiveerde weging is van alle feitelijke omstandigheden van het individuele geval. Verweerder heeft tijdens de zitting van 1 juli 2026 desgevraagd deze lezing van zijn WI ook voorgestaan.
8. Dit brengt mee dat verweerder op goede gronden heeft beoordeeld of referent een huwelijk of een daaraan gelijk te stellen relatie met de moeder van eiseres had ten tijde van het verwekken, dan wel de geboorte van eiseres. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de overgelegde schriftelijke verklaringen van de beide ouders en de tante, en de mondelinge verklaringen tijdens de hoorzitting van 12 juni 2025, onvoldoende zijn om dit aannemelijk te achten. Daarom heeft verweerder terecht de toets van de hechte en persoonlijke banden aangelegd. Verweerder heeft vervolgens niet ten onrechte overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat hiervan sprake is. Hierbij heeft verweerder niet ten onrechte betrokken dat de overgelegde schriftelijke verklaringen niet objectief zijn. Vanaf haar geboorte tot 2013 heeft eiseres haar vader alleen in de weekenden en vakanties gezien. Dat er in de periode tot september 2022 intensief contact op afstand is geweest, is niet onderbouwd. De door eiseres in de bezwaarfase overgelegde foto’s en afschriften van chatberichten zijn daarvoor onvoldoende. Dat er daarna ongeveer anderhalf jaar samenwoning is geweest in Nederland, is op zichzelf ook niet voldoende. Zeker niet aangezien eiseres in die periode veel bij haar tante was. Dat referent in het levensonderhoud van eiseres voorziet, is niet onderbouwd. Dat referent en eiseres om elkaar geven, dat referent als eerste contact vermeld staat op de aanmelding voor een opleiding en dat hun gemachtigde tijdens de zitting van 1 juli 2026 heeft meegedeeld dat zij een oprecht contact waarneemt, legt onvoldoende gewicht in de schaal.
9. In deze beoordeling heeft verweerder zich rekenschap gegeven van de leeftijd van eiseres. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in de stelling dat er te weinig rekening is gehouden met de belangen van het kind. Eiseres heeft bovendien niet concreet toegelicht hoe het belang van het kind tot een andere afweging had moeten leiden, temeer nu gelet op het voorgaande alle feitelijke omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken. De passage in de WI over het willen versterken van de band ziet op vaders en kinderen die geboren zijn uit een huwelijk of daaraan gelijk te stellen relatie, en is dus op dit geval niet van toepassing.
10. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat deze wijze van beoordelen getuigt van een foutieve en te strenge implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Dit volgt uit de door verweerder aangehaalde Afdelingsuitspraak van 18 juli 2018. Eiseres heeft gewezen op twee recentere arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 1 augustus 2022 in de zaken SW, BL en BC (ECLI:EU:C:2022:617) en XC (ECLI:EU:C:2022:618). Het HvJEU heeft in deze arresten geoordeeld dat een enkele bloedverwantschap niet voldoende is om familieleven aan te nemen, dat anderzijds ook niet vereist is dat men deel uitmaakt van hetzelfde huishouden of onder één dak leeft, maar dat te allen tijde een feitelijke beoordeling aan de hand van alle omstandigheden van het individuele geval moet worden gemaakt. Dit heeft niet tot gevolg dat niet langer zou kunnen worden uitgegaan van de Afdelingsuitspraak van 18 juli 2018. Er is dan ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU zoals bedoeld in het arrest van 24 maart 2026 in de zaak [persoon] (ECLI:EU:C:2026:243).
11. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit van 25 juli 2025 in stand blijft.
12. Er is om die reden geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.