Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21622

2026-07-17 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.37370
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.37370
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel, met onbekende bestemming vertrokken (MOB), geen contact met gemachtigde. Het beroep is hierom niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.451 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: NL25.37370


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),


en




de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M. Volker).




Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser heeft op 18 juni 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.



1.1.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.



1.2.

De rechtbank heeft bepaald dat de op 13 juli 2026 geplande zitting achterwege
blijft. Partijen hebben hiermee ingestemd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 9 juli 2026.





Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser een actueel en reëel belang
heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. Daartoe overweegt zij als volgt.

3. Eerder was al door de minister aangegeven dat eiser op 9 december 2025 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. De gemachtigde van eiser had in verband daarmee in januari 2026 aangegeven dat eiser nog in Nederland verbleef en dat zij nog contact met hem onderhield. Bij brief van 9 juli 2026 heeft de gemachtigde echter laten weten dat eiser niet op afspraken is verschenen, niet reageert op mails en het haar onbekend is waar eiser verblijft.

4. Uit vaste rechtspraak blijkt dat wanneer een vreemdeling met onbekende

bestemming is vertrokken, maar wel contact onderhoudt met zijn gemachtigde, hij in
beginsel geacht moet worden belang te hebben bij het door hem ingestelde rechtsmiddel. Dit
is alleen anders als er voldoende concrete aanknopingspunten zijn dat die vreemdeling geen
prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel
belang meer heeft. Een vreemdeling heeft dus belang bij het beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de melding vrijwillig/zelfstandig vertrek blijkt dat
deze nog contact onderhoudt met de vreemdeling over de procedure. De Afdeling heeft
tevens geoordeeld dat het niet aan de vreemdeling of de gemachtigde is om uit eigen
beweging informatie te verstrekken over de aard of de frequentie van hun contact, maar dat
de rechtbank dus eerst bij de gemachtigde navraag moet doen naar de relevante feiten en
omstandigheden alvorens te concluderen of het procesbelang ontbreekt.


5. Uit het voorgaande volgt dat een vreemdeling belang heeft bij zijn beroep of hoger

beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat er
nog contact wordt onderhouden met de vreemdeling over de procedure. In dit geval is uit informatie van de gemachtigde aan de rechtbank gebleken dat zij geen contact meer heeft met eiser. Op basis van de informatie van de minister en de gemachtigde van eiser, neemt de rechtbank dan ook aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland en dat het procesbelang ontbreekt. Er zijn geen concrete
aanknopingspunten om anders te oordelen.




Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.






Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026



























Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Vreemdelingenwet 2000


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRVS) van 1 juli2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, rechtsoverweging 2.7 en 2.8. Herhaald in de uitspraken van 31 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3068 en 3073), 8 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3237), 26 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3451), 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4049), 28 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4333) en 20 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2762).