Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21616

2026-07-30 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.40685
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.40685
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring – artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – inspanningsverplichting – voortvarendheid – beroep ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.357 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.40685


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),


en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.



1.2.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:


Vw: Vreemdelingenwet 2000


Vb: Vreemdelingenbesluit 2000







Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 17 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, G.D. Wassens-Brouwn als tolk en de gemachtigde van de minister.





Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader


3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring


4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.


4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet zijn betwist. De rechtbank oordeelt ambtshalve dat de gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om een onderduikrisico aan te nemen en daardoor de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen.




Inspanningsverplichting


6. Eiser stelt dat de minister niet heeft voldaan aan de op hem rustende inspanningsverplichting om tijdens zijn strafrechtelijke detentie al inspanningen te verrichten in verband met zijn uitzetting. Hiertoe voert eiser aan dat ten tijde van zijn strafrechtelijke detentie bekend was dat hij na afloop zou worden overgedragen aan de vreemdelingendienst. Er was dus sprake van een geplande inbewaringstelling. Eiser wijst op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 5 januari 2026, waarin – kort gezegd – is geoordeeld dat bij een schending van de inspanningsverplichting geen ruimte is voor een belangenafweging.

7. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om zoveel mogelijk te voorkomen dat een vreemdeling direct na afloop van zijn strafrechtelijke detentie in bewaring wordt gesteld. Eiser heeft van 11 juli 2026 tot en met 17 juli 2026 in strafrechtelijke detentie gezeten. Ter zitting heeft de minister erkend dat tijdens eisers strafrechtelijke detentie geen uitzettingshandelingen zijn verricht en stelt zich op het standpunt dat een belangenafweging in het voordeel van de minister dient uit te vallen.

8. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling maakt dit gebrek de inbewaringstelling pas onrechtmatig, als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een schending van de inspanningsverplichting maar weegt het belang van eiser bij de opheffing van de maatregel om deze reden, niet op tegen het belang van de minister om eiser in afwachting van zijn uitzetting in vreemdelingenbewaring te houden. Hierbij is van belang dat aan eiser op 11 februari 2026 een terugkeerverplichting bekend is gemaakt, waar hij geen gevolg aan heeft gegeven en dat eiser niet over een vaste woon- of verblijfplaats of voldoende middelen van bestaan beschikt. Hij heeft na het verstrijken van de terugkeertermijn ervoor gekozen om in Nederland een operatie te ondergaan, in plaats van zich eerst naar Spanje te begeven. Verder is in de maatregel gemotiveerd dat de detentie niet onevenredig bezwarend voor eiser is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor de minister met de bewaring gediende belangen in dit geval zwaarder wegen dan de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen van eiser. De belangenafweging valt in dit geval dus in het voordeel van de minister uit. De rechtbank ziet in de door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, geen aanleiding voor een ander oordeel, gelet op de bovenstaande vaste jurisprudentie van de Afdeling. De rechtbank merkt hierbij op dat tegen de genoemde uitspraak van zittingsplaats Roermond hoger beroep is ingesteld. De beroepsgrond slaagt niet.



Voortvarend handelen


9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Er is namelijk op 23 juli 2026 een vlucht aangevraagd, echter bleek later dat eisers identiteitskaart was verlopen waardoor vervolgens op 24 juli 2026 een laissez-passer (lp) is aangevraagd.

10. De rechtbank stelt vast dat eiser op 17 juli 2026 in vreemdelingenbewaring is
gesteld. Op 23 juli 2026 is een vertrekgesprek met eiser gevoerd en is een vlucht voor eiser naar Spanje aangevraagd. Op 24 juli 2026 bleek dat eisers identiteitskaart verlopen was en is direct een lp-aanvraag opgemaakt en ingediend bij de afdeling DIA. De minister heeft vervolgens op de volgende dag na het opmerken van de ongeldigheid van de identiteitskaart, direct gehandeld en een lp-aanvraag verzonden. Hoewel dit enige vertraging heeft opgeleverd omdat de aanvraag om een lp sneller na de inbewaringstelling had kunnen worden gestart, is de rechtbank van oordeel dat op dit moment niet kan worden gesteld dat de minister in deze procedure zodanig onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser dat de maatregel om die reden moet worden opgeheven. De rechtbank merkt hierbij ten overvloede op dat eiser heeft aangegeven dat hij graag samen met zijn echtgenote wil worden uitgezet en dat de minister ter zitting heeft verklaard dat voor deze echtgenote op dit moment nog geen lp is afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?


11. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.





Conclusie en gevolgen


12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:



30 juli 2026




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.



Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.


ECLI:NL:RBDHA:2026:33.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:17.


Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4066, onder 4 en 5.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.