Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21606

2026-07-29 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.18393
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.18393
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Opvolgend beroep niet tijdig na uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak, bezwaar, vrijstelling griffierecht, beroep ontvankelijk en gegrond, beslistermijn van 2 weken, hogere dwangsom vanwege sterke prikkel

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.800 tekens)
uitspraak














RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.18393

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),


en


de minister van Asiel en Migratie, de minister.




Procesverloop


Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 december 2025.1 In die uitspraak staat dat de minister binnen twaalf weken opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eiser. De minister heeft zich aan deze termijn niet gehouden. Eiser stelt daarom nu beroep in. Deze uitspraak gaat over dat beroep.





Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2

2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Eiser heeft voldoende aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.

3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een bezwaar beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen beslissing op het bezwaar is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3








1. ECLI:NL:RVS:2025:6063.
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.




Is het beroep van eiser ontvankelijk?



4. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de ABRvS in de uitspraak van 16 december 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar. Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling is het beroep van eiser dus ontvankelijk.



Is het beroep van eiser gegrond?



5. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de ABRvS genoemde termijn een nieuw besluit heeft genomen op het bezwaar. Het beroep is kennelijk gegrond.



Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank de minister op?



6. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.4

7. De minister heeft niet verzocht om een langere nadere beslistermijn. Uit het dossier blijkt ook niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de rechtbank een langere nadere beslistermijn moet opleggen. De rechtbank legt de minister daarom een nadere beslistermijn op van twee weken. Deze termijn begint na de dag van verzending van deze uitspraak.
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak

8. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat voor de minister een sterke prikkel nodig is om tot een besluit over te gaan. De rechtbank overweegt daartoe dat de minister zich niet heeft gehouden aan de nadere beslistermijn opgelegd door de ABRvS en hierover, ondanks meerdere verzoeken daartoe van de rechtbank, geen verantwoording heeft afgelegd in een verweerschrift. De rechtbank oordeelt aldus dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 30.000,-.



Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen twee weken alsnog een nieuw besluit op het bezwaar bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan moet hij een dwangsom betalen.

10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder





4 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.



zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).





Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;


draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een nieuw besluit te nemen op het bezwaar;


bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 30.000,-;


veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.




De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




29 juli 2026



















Documentcode: [Documentcode]




















Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.