Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21597
2026-07-31
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.16604
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Toestemmingsverklaring achterblijvende ouder
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2020:2153 Raad van State 09-09-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.196 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16604
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een mvv in het kader van nareis. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de mvv-aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 22 september 2022 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een mvv in het kader van nareis. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van
14 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 september 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, [referente] (hierna: referente), T. Kibuuka als tolk in de taal Luganda en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiser is de gestelde minderjarige zoon van referente. Ze hebben beiden de Oegandese nationaliteit. Eiser woont in Oeganda bij de zus van referente en gaat daar naar een kostschool. Referente is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel en wenst hereniging met haar zoon in Nederland. Bij de aanvraag heeft referente verschillende documenten overgelegd, waaronder twee geboorteaktes van eiser. Omdat het voor referente onbekend is wie de biologische vader van eiser is, heeft zij geen toestemmingsverklaring bij de aanvraag overgelegd.
Totstandkoming van de besluitvorming
4.1.
De minister heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen omdat de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie met referente niet aannemelijk is gemaakt. De minister legt daaraan ten grondslag dat de documenten die door referente overgelegd zijn, onvoldoende zijn omdat deze documenten strijdige informatie bevat. Op de geboorteakte van [datum 1] 2018 (geboorteakte 1) staat een ander identiteitsnummer dan op de geboorteakte van [datum 2] 2022 (geboorteakte 2). De minister vindt dat referente hierover geen sluitende verklaring heeft gegeven, net als over het verhaal rondom de zwangerschap en geboorte van eiser. De aanvraag is ook afgewezen omdat de toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder ontbreekt.
4.2.
Met het bestreden besluit van 9 september 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister geeft eiser echter het voordeel van de twijfel wat betreft zijn identiteit en de familierechtelijke relatie tussen eiser en referente. Maar de minister vindt nog steeds dat referente onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de identiteit van de achterblijvende biologische ouder niet kan achterhalen. De minister heeft verder niet ambtshalve beoordeeld of eiser een vergunning krijgt op basis van artikel 8 van het EVRM.
Standpunt eiser
5. Referente voert aan dat zij is verkracht, dat zij niet weet door wie, en daardoor niet de identiteit van de achterblijvende ouder kan achterhalen. Deze omstandigheid in combinatie met haar vluchterverhaal zijn door de minister onvoldoende meegewogen in de besluitvorming. Zij doet een beroep op de schrijnende situatie die nu plaatsvindt, doordat eiser bij haar zus in Uganda verblijft en het klaarblijkelijk niet goed gaat met eiser. Daarnaast meent referente dat de minister de aanvraag had moeten doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM. Door dit na te laten is het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd.
Toestemmingsverklaring
6.1.
In paragraaf C2/4.1.2.1. van de Vc is bepaald dat de IND uitsluitend een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw(nareis) verleent als de achterblijvende biologische ouder toestemming heeft gegeven voor het vertrek van het kind naar Nederland. Daarbij is vermeld dat dit alleen anders is als:
• de referent documenten heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de achterblijvende biologische ouder geen toestemmingsverklaring kan overleggen;
• de referent aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen heeft verstrekt over de reden waarom de toestemmingsverklaring niet kan worden overgelegd, indien niet met documenten kan worden onderbouwd waarom de verklaring niet kan worden overgelegd.
6.2.
De rechtbank overweegt dat referente niet heeft aangetoond dat zij het eenhoofdig gezag over eiser heeft. Daarom moet zij een toestemmingsverklaring van de vader van eiser overleggen. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een situatie waarin de achterblijvende ouder de toestemmingsverklaring niet kan overleggen, zoals bedoeld in paragraaf C2/4.1.2.1. van de Vc. Referente heeft geen objectieve, verifieerbare stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij niet in staat is de identiteit van de biologische vader van eiser te achterhalen. Zij heeft geen aangifte gedaan van seksueel misbruik, geen medische of juridische stappen ondernomen en geen bewijsstukken of verklaringen van derden overgelegd. De minister heeft hierbij terecht meegewogen dat veel belang wordt gehecht aan de toestemmingverklaring van de achterblijvende ouder in het kader van ongeoorloofde kinderontvoering. Haar eigen verklaring is voor de minister onvoldoende om het vereiste van de toestemmingsverklaring achterwege te laten.
6.3.
De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook op het standpunt kunnen stellen dat niet gebleken is van een schrijnende situatie voor eiser. Van schrijnende omstandigheden is in ieder geval geen sprake als het minderjarige kind duurzaam wordt opgevangen, bijvoorbeeld bij familie. Eiser verblijft al geruime tijd bij zijn tante in Uganda waar hij ook naar school gaat. Hoewel uit de verklaring van de zus van referente volgt dat het niet goed gaat met eiser, heeft de minister terecht overwogen dat deze omstandigheid op zichzelf onvoldoende is om te spreken van een schrijnende situatie.
6.4.
De minister heeft zich – gelet op het vorenstaande – terecht op het standpunt gesteld dat niet aan de voorwaarden voor verlening van een mvv in het kader van nareis wordt voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Immigratie- en Naturalisatie Dienst.
Vreemdelingenwet 2000.
WI (Werkinstructie) 2024/4, paragraaf 4.1.2.
Zie in dit kader ook de uitspraak van de Raad van State van 9 september 2020: ECLI:NL:RVS:2020:2153.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16604
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een mvv in het kader van nareis. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de mvv-aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 22 september 2022 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een mvv in het kader van nareis. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van
14 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 september 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, [referente] (hierna: referente), T. Kibuuka als tolk in de taal Luganda en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiser is de gestelde minderjarige zoon van referente. Ze hebben beiden de Oegandese nationaliteit. Eiser woont in Oeganda bij de zus van referente en gaat daar naar een kostschool. Referente is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel en wenst hereniging met haar zoon in Nederland. Bij de aanvraag heeft referente verschillende documenten overgelegd, waaronder twee geboorteaktes van eiser. Omdat het voor referente onbekend is wie de biologische vader van eiser is, heeft zij geen toestemmingsverklaring bij de aanvraag overgelegd.
Totstandkoming van de besluitvorming
4.1.
De minister heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen omdat de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie met referente niet aannemelijk is gemaakt. De minister legt daaraan ten grondslag dat de documenten die door referente overgelegd zijn, onvoldoende zijn omdat deze documenten strijdige informatie bevat. Op de geboorteakte van [datum 1] 2018 (geboorteakte 1) staat een ander identiteitsnummer dan op de geboorteakte van [datum 2] 2022 (geboorteakte 2). De minister vindt dat referente hierover geen sluitende verklaring heeft gegeven, net als over het verhaal rondom de zwangerschap en geboorte van eiser. De aanvraag is ook afgewezen omdat de toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder ontbreekt.
4.2.
Met het bestreden besluit van 9 september 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister geeft eiser echter het voordeel van de twijfel wat betreft zijn identiteit en de familierechtelijke relatie tussen eiser en referente. Maar de minister vindt nog steeds dat referente onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de identiteit van de achterblijvende biologische ouder niet kan achterhalen. De minister heeft verder niet ambtshalve beoordeeld of eiser een vergunning krijgt op basis van artikel 8 van het EVRM.
Standpunt eiser
5. Referente voert aan dat zij is verkracht, dat zij niet weet door wie, en daardoor niet de identiteit van de achterblijvende ouder kan achterhalen. Deze omstandigheid in combinatie met haar vluchterverhaal zijn door de minister onvoldoende meegewogen in de besluitvorming. Zij doet een beroep op de schrijnende situatie die nu plaatsvindt, doordat eiser bij haar zus in Uganda verblijft en het klaarblijkelijk niet goed gaat met eiser. Daarnaast meent referente dat de minister de aanvraag had moeten doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM. Door dit na te laten is het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd.
Toestemmingsverklaring
6.1.
In paragraaf C2/4.1.2.1. van de Vc is bepaald dat de IND uitsluitend een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw(nareis) verleent als de achterblijvende biologische ouder toestemming heeft gegeven voor het vertrek van het kind naar Nederland. Daarbij is vermeld dat dit alleen anders is als:
• de referent documenten heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de achterblijvende biologische ouder geen toestemmingsverklaring kan overleggen;
• de referent aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen heeft verstrekt over de reden waarom de toestemmingsverklaring niet kan worden overgelegd, indien niet met documenten kan worden onderbouwd waarom de verklaring niet kan worden overgelegd.
6.2.
De rechtbank overweegt dat referente niet heeft aangetoond dat zij het eenhoofdig gezag over eiser heeft. Daarom moet zij een toestemmingsverklaring van de vader van eiser overleggen. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een situatie waarin de achterblijvende ouder de toestemmingsverklaring niet kan overleggen, zoals bedoeld in paragraaf C2/4.1.2.1. van de Vc. Referente heeft geen objectieve, verifieerbare stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij niet in staat is de identiteit van de biologische vader van eiser te achterhalen. Zij heeft geen aangifte gedaan van seksueel misbruik, geen medische of juridische stappen ondernomen en geen bewijsstukken of verklaringen van derden overgelegd. De minister heeft hierbij terecht meegewogen dat veel belang wordt gehecht aan de toestemmingverklaring van de achterblijvende ouder in het kader van ongeoorloofde kinderontvoering. Haar eigen verklaring is voor de minister onvoldoende om het vereiste van de toestemmingsverklaring achterwege te laten.
6.3.
De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook op het standpunt kunnen stellen dat niet gebleken is van een schrijnende situatie voor eiser. Van schrijnende omstandigheden is in ieder geval geen sprake als het minderjarige kind duurzaam wordt opgevangen, bijvoorbeeld bij familie. Eiser verblijft al geruime tijd bij zijn tante in Uganda waar hij ook naar school gaat. Hoewel uit de verklaring van de zus van referente volgt dat het niet goed gaat met eiser, heeft de minister terecht overwogen dat deze omstandigheid op zichzelf onvoldoende is om te spreken van een schrijnende situatie.
6.4.
De minister heeft zich – gelet op het vorenstaande – terecht op het standpunt gesteld dat niet aan de voorwaarden voor verlening van een mvv in het kader van nareis wordt voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Immigratie- en Naturalisatie Dienst.
Vreemdelingenwet 2000.
WI (Werkinstructie) 2024/4, paragraaf 4.1.2.
Zie in dit kader ook de uitspraak van de Raad van State van 9 september 2020: ECLI:NL:RVS:2020:2153.