Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21589
2026-07-03
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/684620 / FA RK 25-3318
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Kinderalimentatie. Verdeling beperkte gemeenschap. Vergoedingsrecht op basis van art. 1:96 lid 5 BW. Hypotheeklasten betaald uit gemeenschappelijk inkomen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (39.754 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3318
Zaaknummer: C/09/684620
Datum beschikking: 10 juli 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 2 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de man]
,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Maric te Zoetermeer .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw]
,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. Smits te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift van de man;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van de vrouw;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens aanvullend verzoekschrift van de man;
- het F9-bericht van de vrouw van 2 december 2025, met als bijlage een aanvullend verzoekschrift;
- het aanvullend verweerschrift van de man van 10 december 2025;
- het verweerschrift, tevens aanvullend verzoekschrift van de vrouw van 26 januari 2026;
- het F9-bericht van de vrouw van 22 mei 2026, met als bijlage een aanvullend verzoekschrift;
- het F9-bericht van de man van 26 mei 2026, met bijlagen;
- het F9-bericht van de man van 28 mei 2026, met als bijlage een aanvullend verweerschrift, tevens aanvullend verzoek.
Op 5 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk: R.V. Mamulealu;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2020 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 2] ;
- De ouders oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Roemeense nationaliteit.
- Partijen zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen.
- Deze rechtbank heeft op 26 februari 2026 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende:
toevertrouwing van de minderjarigen aan de man;
vaststelling van een voorlopige zorgregeling, waarbij de kinderen:
bij de man zijn in de eerste week van woensdag 17.30 uur tot en met zondag 17.30 uur en in de tweede week van woensdag 17.30 uur tot zaterdag 10.00 uur, gedurende welke periode de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, waarbij de vrouw de woning in deze periode moet verlaten;
bij de vrouw zijn in de eerste week van zondag 17.30 uur tot woensdag 17.30 uur en in de tweede week van zaterdag 10.00 uur tot woensdag 17.30 uur, gedurende welke periode de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, waarbij de man de woning in deze periode moet verlaten;
vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 450,- per maand per kind.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man, zoals dat na wijziging en aanvulling luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, waarbij zij bij de man zijn:
in de even weken: van woensdag 17.30 uur tot vrijdag 17.30 uur;
in de oneven weken: van woensdag 17.30 uur tot maandag 08.30 uur;
- vaststelling van een verdeling van de vakanties en feestdagen, zoals weergegeven in productie twee van de man;
- vaststelling van een bijdrage aan kinderalimentatie van € 188,- per maand van de man aan de vrouw voor de kosten van [minderjarige 2] en een bijdrage van € 27,- per maand in de kosten van [minderjarige 1] van de vrouw van de man, met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man;
- vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding van € 1.132,- per maand, met ingang van 1 juni 2026;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – met uitzondering van de echtscheiding – verweer tegen de verzoeken van de man.
Bovendien heeft de vrouw na wijziging en aanvulling, zelfstandig verzocht om de echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat:
de ene week, als [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ook doordeweeks bij de man verblijven, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op woensdagavond tussen 17.30 uur-18.00 uur bij de vrouw opgehaald en brengt de man ze op vrijdagavond tussen 17.30 uur 18.00 uur weer terug bij de vrouw;
de andere week, als [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ook het weekend bij de man verblijven, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van zaterdag 17.30 uur bij de man tot maandagochtend;
zodra [minderjarige 2] vier jaar wordt, partijen met elkaar in overleg zullen treden en de zorgregeling evalueren en bekijken of een uitbreiding mogelijk is;
de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld, met dien verstande dat de kinderen de eerstkomende twee jaren gedurende een vakantie (in het bijzonder de zomervakantie) niet langer dan een week achtereen bij een ouder verblijven;
- vaststelling van kinderalimentatie van € 375,- per maand per kind, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen;
- vaststelling van door de man de vrouw te betalen partneralimentatie van € 500,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw;
- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel door de vrouw indien zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking nog in de woning woont, die aan de man toebehoort, zij jegens de man bevoegd is om de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving voort te zetten;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – met uitzondering van de echtscheiding en de aflossingen op de hypotheek – verweer tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
I. Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid (ouderschapsplan)
Op grond van artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldoende aannemelijk geworden dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 tweede lid Rv. De rechtbank zal daarom partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
De kinderen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Hoofdverblijfplaats
De vrouw heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij haar te bepalen. Zij heeft naar haar zeggen altijd het merendeel van de zorg gedragen, en heeft ook een financieel belang om voor beide kinderen de toeslagen te kunnen ontvangen. De man betwist dit. Hij wil graag dat elk van de kinderen bij één van de ouders staat ingeschreven, zodat sprake is van een gelijkwaardig ouderschap.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij de vrouw bepalen. Conform de hierna te bespreken verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zullen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een groter deel van de tijd bij de moeder verblijven, zodat het logisch is om hun hoofdverblijfplaats dan ook bij haar te bepalen. Daar komt bij dat de vrouw – gelet op haar lagere inkomen – een hoger kindgebonden budget zal ontvangen en zij mogelijk meer kans heeft op een urgentieverklaring voor een woning, zodat de vaststelling van de hoofdverblijfplaats ook op die manier de kinderen ten goede kan komen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
In de afgelopen periode naar aanleiding van voorlopige voorzieningen sprake geweest van ‘birdnesting’, waarbij de ouders (ongeveer) elk de helft van de tijd in de woning verbleven. Naar zeggen van partijen is dit niet ideaal verlopen, maar wel voldoende goed. De man wil het co-ouderschap graag voortzetten. Dat biedt ook de mogelijkheid om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tegelijkertijd met zijn kinderen uit een eerdere relatie ( [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ) bij hem te laten verblijven, zodat de onderlinge band zo goed mogelijk wordt behouden. De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het merendeel van de tijd bij haar zijn, zodat aan de kinderen meer rust en regelmaat wordt geboden.
De rechtbank stelt vast dat partijen overeenstemming hebben over de even weken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen dan van woensdag 17.30 uur tot vrijdag 17.30 uur bij de man verblijven. Zij zijn het niet eens over de oneven weken. De rechtbank zal hierin het verzoek van de man volgen en vaststellen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de oneven weken van woensdag 17.30 uur tot maandag 08.30 uur bij de man verblijven. Gebleken is dat de gelijke verdeling van de zorg in de afgelopen periode goed is verlopen. De rechtbank vindt het daarbij – evenals de man – van belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook zoveel mogelijk contact behouden met hun halfzus en -broer. Een duidelijke zorgregeling zal aan de kinderen daarbij ook (op den duur) de benodigde rust en duidelijkheid geven. De rechtbank ziet hierin daarom geen aanleiding om de zorgregeling te beperken, zoals door de vrouw is verzocht.
Beide partijen hebben ook verzocht om de vaststelling van een verdeling van de vakanties en feestdagen. De vrouw verzoekt een verdeling bij helfte, maar waarbij de kinderen steeds maximaal een week bij een ouder zijn.
De man verzoekt een verdeling, waarbij elke ouder in de zomervakantie maximaal twee weken aaneengesloten bij elke ouder is en in de overige vakanties de reguliere zorgregeling wordt gevolgd. De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat – mede gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] – een te lang verblijf bij één ouder ongewenst is, acht zij een verblijf van twee weken passend. Dat biedt immers ook de mogelijkheid om eventueel met de kinderen op vakantie te gaan. Indien de ouders voor de overige vakanties afwijkende afspraken willen maken, dan bestaat hiertoe natuurlijk de mogelijkheid.
Nu door de moeder geen verweer is gevoerd tegen de inhoudelijke verdeling van de feestdagen, zoals opgesteld door de man, zal de rechtbank het voorstel van de man volgen en vastleggen.
Alimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot de alimentatieverzoeken. Op het verzoek deze verzoeken zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Kinderalimentatie
Behoefte [minderjarige 3] en [minderjarige 4]
De man heeft naast [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook twee kinderen uit een eerdere relatie: [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . De onderhoudsplicht van de man voor deze kinderen is mede van belang voor zijn verplichting jegens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank overweegt in dat verband als volgt. In het door de man overgelegde ouderschapsplan daterend uit 2020 dat hij met zijn andere ex-partner heeft opgesteld ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , is opgenomen:
“De behoefte van de kinderen bedraagt dan ook volgens de gangbare tabellen (Nibud- en Trema) € 695,- per maand per kind.
De ouders zijn van mening dat de kosten van hun kinderen lager zijn dan de behoeftes conform de gangbare tabellen. De ouders komen in onderling overleg overeen – zulks in afwijking van de wettelijke maatstaven – dat hun gezamenlijke bijdrage aan de kosten van hun kinderen € 280,- per maand bedraagt. Zij komen overeen dat de bijdrage van de vader € 280,- per maand bedraagt en van de moeder € 280,- per maand bedraagt.
In het geval er een herberekening wordt gemaakt (bijv. door een wijziging van omstandigheden) zal er worden uitgegaan van de behoefte, berekend o.b.v. de gangbare tabellen (Nibud en Trema) zoals hierboven beschreven.”
De behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bedraagt geïndexeerd naar 2024 € 801,- per maand en naar 2026 € 892,- per kind per maand. De door de man en zijn ex-partner overeengekomen bijdrage bedraagt geïndexeerd naar 2026 € 360,- per maand voor elk van hen. Door de man is echter gesteld en onderbouwd dat deze bijdrage op dit moment € 430,- per maand bedraagt. Nu niet is gebleken dat deze behoefte is overschreden, zal de rechtbank van voornoemde overeengekomen bedragen uitgaan.
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. De rechtbank zal daarbij het jaar 2024 als uitgangspunt nemen.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 14.451,- bruto per jaar in 2024. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2024 op € 1.039,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 99.408,- bruto per jaar in 2024. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2024 op € 5.110,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 in beginsel € 6.149,- per maand (€ 1.039) + € 5.110). Op basis van dit NBGI hadden partijen geen recht op een kindgebonden budget. Verder houdt de rechtbank rekening met de bijdrage die de man betaalde voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . De geïndexeerde bijdrage bedraagt € 323,- per maand in 2024, zodat de rechtbank hiermee rekening zal houden.
Hoewel door de man gesteld is dat met de bijdrage de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] niet volledig wordt voldaan, is hij in het ouderschapsplan met zijn ex-partner overeengekomen dat de kosten van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] lager zijn dan conform de gangbare tabellen, zodat de rechtbank het redelijk acht om van dit lagere bedrag uit te gaan en aldus zijn bijdrage als uitgangspunt te nemen.
Gelet op het voorgaande bedroeg het NBGI in 2024 € 5.826,- per maand. Op basis hiervan bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 1.423,- per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 1.585,- per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 7.747,- bruto per maand, zoals dat volgt uit zijn recente loonstroken, inclusief individueel keuzebudget (IKB).
De rechtbank houdt verder rekening met:
de pensioenpremie van € 606,- per maand;
de premie AOP van € 14,- per maand;
de premie AOV Loyalis van € 34,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.680,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [4.680 – (1.404 + 1.365)] = € 1.338,- per maand.
Op deze draagkracht van de man wordt zijn bijdrage voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in mindering gebracht. De bijdrage die de man voor hen betaalt, bedraagt op dit moment € 430,- per maand, zoals in het voorgaande al is benoemd. Er resteert dan een draagkracht aan de zijde van de man voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 908,- per maand.
Draagkracht vrouw
Partijen verschillen van mening over het inkomen van de vrouw. De vrouw ontvangt sinds april 2025 een WW-uitkering, die later is omgezet naar een Ziektewetuitkering. Deze liep tot januari 2026. Haar verzoek om een WIA-uitkering is vervolgens afgewezen. Door de vrouw is hiertegen bezwaar aangetekend, maar daarop is nog niet beslist.
Volgens de man leidt dit ertoe dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij gaat werken – ze is immers niet arbeidsongeschikt verklaard. De man rekent daarom met een verdiencapaciteit. De vrouw stelt dat bij haar een minimale draagkracht aangenomen moet worden van € 50,- per maand. Zij is tijdens het huwelijk minder gaan werken en uiteindelijk ziek geworden. Ze loopt nog altijd bij een arts en slikt medicatie. Daarnaast heeft ze de zorg voor de kinderen. De vrouw wil graag weer gaan werken, maar van haar kan niet worden verwacht dat zij direct fulltime ergens aan de slag kan, ook gelet op haar beperkte beheersing van het Nederlands.
De rechtbank zal aan de zijde van de vrouw uitgaan van een minimale draagkracht van € 50,- per maand, corresponderend met het laagste bedrag met de draagkrachttabel 2026. Vaststaat dat zij op dit moment geen inkomen heeft en dat het ook onduidelijk is of zij aanspraak kan maken op een WW-uitkering. De rechtbank ziet daarbij, gelet op de door de vrouw naar voren gebrachte argumenten, op dit moment geen aanleiding om een verdiencapaciteit vast te stellen. Desalniettemin mag van de vrouw worden verwacht dat zij zich zal blijven inspannen om een eigen inkomen te genereren.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 958,- per maand (€ 908 + € 50). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.585,- te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 628,- per maand.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de man gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , geldt een percentage van 35. De zorgkorting bedraagt dan € 556,- per maand ((35% van € 1.585,-).
Omdat sprake is van een tekort van € 628,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 242,- per maand (€ 556 -/- € 314).
Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt dan € 666,- per maand (€ 908 -/- € 242). De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen.
Ingangsdatum
De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking. De rechtbank merkt hierbij op dat zij bij de berekening van de kinderalimentatie uitgaat van de situatie dat de vrouw een eigen woning heeft en niet langer in de woning verblijft. Dat betekent dat voor zover de vrouw de maximale periode van voortgezet gebruik volmaakt, zoals in het navolgende wordt beoordeeld, de berekening voor die periode niet is gebaseerd op de feitelijke situatie. De rechtbank acht dit redelijk, nu in de eerste plaats niet zeker is of de vrouw deze periode van toegestaan voortgezet gebruik zal volmaken, en voorts omdat ook voor de situatie van birdnesting gedurende het voortgezet gebruik de vrouw een bijdrage voor de verzorging van de kinderen nodig heeft.
Partneralimentatie
Omdat partijen al onvoldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van hun kinderen te voorzien, zal de rechtbank het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie wegens gebrek aan draagkracht afwijzen. Dat betekent dat zij ook niet toekomt aan de stelling van de man dat de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te ontbreken.
Voortgezet gebruik echtelijke woning en gebruiksvergoeding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek over het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en wordt dit volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Inhoudelijke beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat de woning eigendom is van de man. Zij verblijven op dit moment gezamenlijk in de woning in het kader van ‘birdnesting’.
Ter zitting is besproken dat een voortgezet gebruik zoals de vrouw dat kennelijk voor zich ziet niet in de rede ligt. Anders dan ter zitting besproken ziet de rechtbank wel ruimte om het gebruik zoals de vrouw dat de afgelopen periode heeft gemaakt van de woning in het kader van de birdnesting nog enige tijd voort te zetten. De rechtbank acht een periode van drie maanden in dit verband redelijk, mede nu de man ter zitting heeft aangegeven de bestaande regeling nog enige tijd te kunnen ondersteunen.
De rechtbank ziet gelet op dit beperkte gebruik van de vrouw, de beperkte periode en het gegeven dat ook de man de woning nog afwisselend kan gebruiken aanleiding het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding af te wijzen.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de gemeenschap.
Beperkte gemeenschap van goederen
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.
De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt 2 mei 2025 als peildatum, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang gemeenschap en vergoedingsrechten
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden naar voren gebracht:
een auto met kenteken [kenteken] ;
een gezamenlijke bankrekening bij de ABN AMRO, met een rekeningnummer eindigend op [rekeningnummer] ;
de bankrekeningen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
e inboedel van de echtelijke woning;
en (eventuele) terugvordering kinderopvangtoeslag over 2024 tot en met september 2025.
Daarnaast zijn vergoedingsrechten ter beoordeling voorgelegd:
aflossingen op de hypotheek van de echtelijke woning;
Ad a) De vrouw heeft verzocht om de verdeling van de auto. Door de man zijn vervolgens stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de auto is aangekocht op 16 juni 2025, aldus na de peildatum. De auto valt daarom buiten de beperkte gemeenschap van goederen en behoeft niet te worden verdeeld.
Ad b) Partijen zijn het ten aanzien van de gezamenlijke bankrekening eens dat zij het saldo op de peildatum bij helfte zullen delen en dat de bankrekening daarna opgeheven wordt. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad c) Volgens de man heeft de vrouw bedragen van de bankrekeningen van de kinderen overgeboekt naar haar eigen bankrekening. De vrouw moet deze bedragen terugstorten op de bankrekeningen, omdat dit geld voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bestemd was. De vrouw heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal dit daarom vastleggen. De vrouw heeft daarbij nog aangegeven dat zij wenst dat de bankrekeningen gereserveerd zullen worden voor de kinderen, dat beide partijen hierop inzicht hebben, maar geen geld kunnen onttrekken. Op de zitting is hierover met partijen besproken dat dit bij uitstek een onderwerp is dat partijen bij de hulpverlening bij Enver (Ouderschap na Scheiding) afspraken over kunnen maken.
Ad d) Partijen zijn er niet in geslaagd om afspraken te maken over de verdeling van de inboedel van de echtelijke woning. De vrouw verzoekt om de inboedel – met uitzondering van haar persoonlijke bezittingen zoals kleding, linnengoed, kussens en decoraties – aan de man toe te delen, waarbij hij een overbedelingsvordering aan haar betaalt van € 3.000,-.
Volgens de man was het overgrote deel van de inboedel al aanwezig op het moment dat de vrouw bij hem introk. Het betreft daarmee voorhuwelijks eigendom van de man. De rechtbank overweegt als volgt. Niet vast is komen te staan welk deel van de inboedel al voor het huwelijk eigendom was van de man of de vrouw en ook niet welke waarde deze inboedelgoederen hebben. De rechtbank acht het daarom redelijk om te bepalen dat de inboedel, met uitzondering van de door de vrouw genoemde goederen, zal worden toebedeeld aan de man, waarbij hij gehouden is om aan de vrouw een bedrag van € 1.500,- te voldoen in het kader van overbedeling.
Ad e) De man heeft gesteld dat er mogelijk nog een huwelijkse schuld zal ontstaan inzake terug te vorderen kinderopvangtoeslag. Gedurende het huwelijk hebben partijen gezamenlijk gebruik gemaakt van de kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is door de man aangevraagd en ontvangen. Er kan daarbij nog een terugvordering volgen. Inmiddels is duidelijk dat dit voor 2024 niet het geval is, maar voor 2025 komt er mogelijk wel nog een terugvordering. De man verzoekt te bepalen dat partijen beiden voor deze schuld aansprakelijk zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.
In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.
Ad f) Tussen partijen is niet in geschil dat de echtelijke woning volledig eigendom is van de man en dat ook de aan de woning gekoppelde hypotheek op naam van de man staat. De vrouw heeft gesteld dat sprake is van een vergoedingsrecht van de gemeenschap op de man, omdat op twee onderdelen privéschulden van de man zijn voldaan met middelen uit de gemeenschap, te weten:
aflossingen op de hypotheek vanuit de gemeenschap ten bedrage van in totaal € 44.206,-;
aflossingen op de verhoging van de hypotheek die partijen zijn aangegaan ten behoeve van een verbouwing van de zolder van de echtelijke woning, waarbij de hoogte van de aflossingen onbekend is.
De man heeft het onder i) genoemde vergoedingsrecht niet betwist. Partijen zijn het erover eens dat de gemeenschap op grond van artikel 1:96 lid 5 BW recht heeft op een vergoeding van de man, omdat vanuit gemeenschappelijk vermogen een privéschuld van de man is voldaan (récompense). Partijen verschillen echter van mening over de vraag of het hierbij gaat om een nominale vergoeding of dat de beleggingsleer van toepassing is. Volgens de man is het eerstgenoemde het geval, volgens de vrouw het tweede.
De rechtbank overweegt dat in artikel 1:96 lid 5 BW wordt verwezen naar artikel 1:87 lid 2 en 3 BW. Hieruit volgt dat niet enkel recht bestaat op een nominale vergoeding, maar dat de beleggingsleer toegepast moet worden. De vrouw heeft daarbij gesteld dat het vergoedingsrecht als volgt moet worden berekend: aflossingen uit de gemeenschap (€ 44.206) / waarde van de woning bij het aangaan van het huwelijk of de aanschaf van de woning * waarde van de woning bij het einde van het huwelijk. De man heeft deze berekeningswijze niet betwist, zodat de rechtbank dit als uitgangspunt zal nemen.
Partijen hebben geen inzicht verschaft ten aanzien van de aanschafwaarde en de huidige waarde van de woning. De rechtbank zal daarom in redelijkheid uitgaan van de waardestijging van de woning op basis van de WOZ-waarden in 2020 respectievelijk 2025. De rechtbank constateert dat de woning in (WOZ-)waarde in genoemde periode is gestegen van € 297.000,- naar € 564.000,-. Met toepassing van de formule – ((€ 44.206)/€297.000) * € 564.000,- – berekent de rechtbank de kapitaalopbouw in samenhang met de aflossingen op afgerond € 84.000,-. Aan de vrouw komt een vergoeding van de helft daarvan toe, dat wil zeggen € 42.000,-.
De man betwist het bestaan van het vergoedingsrecht onder ii). Uit de overgelegde stukken volgt dat de hypotheek op de echtelijke woning op 27 december 2023 is opgehoogd met leningdeel 3 en 4. De vrouw heeft gesteld dat hiervan de zolder is verbouwd, waardoor de waarde van de woning extra is toegenomen. Echter, anders dan door de vrouw gesteld, is de ophoging van de hypotheek geen investering of aflossing, maar een extra schuld, bovenop de al bestaande hypotheek. Bij het vergoedingsrecht gaat het daarom – net als bij i) – om de gedane aflossingen. Nu het dezelfde hypotheek betreft en de aflossingen daarin in zijn geheel al worden meegenomen onder i), bestaat geen apart vergoedingsrecht. Dat de waarde van de woning door de verbouwing eventueel extra is gestegen, doet hieraan niet af, omdat bij het vergoedingsrecht onder i) rekening is gehouden met de waardestijging van de woning conform de beleggingsleer. De waardestijging is daarmee al meegenomen. Het door de vrouw onder ii) verzochte vergoedingsrecht zal daarom worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2020 te [plaats] ;
bepaalt dat de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 2] ;
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man zullen zijn:
in de even weken: van woensdag 17.30 uur tot vrijdag 17.30 uur;
in de oneven weken: van woensdag 17.30 uur tot maandag 08.30 uur;
bepaalt een verdeling van de vakanties en feestdagen, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] :
in de zomervakantie maximaal twee weken aaneengesloten bij elke ouder verblijven, waarbij de vader in de even jaren de eerste keuze heeft en de moeder in de oneven jaren;
in de overige schoolvakanties de reguliere zorgregeling wordt gevolgd, tenzij partijen in onderling overleg anders overeenkomen;
tijdens Kerst: in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader verblijven;
tijdens oudjaarsavond: in even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij moeder verblijven;
tijdens de aankomst van Sinterklaas de reguliere zorgregeling wordt gevolgd en pakjesavond steeds afzonderlijk met de kinderen wordt gevierd;
tijdens Moeder-/Vaderdag en verjaardagen van de ouders steeds bij de betreffende ouder zijn;
tijdens Pasen, Hemelvaart, Pinksteren en Koningsdag steeds de reguliere zorgregeling wordt gevolgd;
tijdens hun verjaardagen volgens de reguliere zorgregeling bij een ouder verblijven, waarbij de andere ouder kan langskomen;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 666,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw tezamen met de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [plaats] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende drie maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
- aan de man worden toegedeeld:
de inboedel van de echtelijke woning, waarbij de man gehouden is om in het kader van overbedeling een vergoeding van € 1.500,- te betalen aan de vrouw;
- en voor het overige:
partijen het saldo van de gezamenlijke bankrekening bij ABN AMRO, eindigend op [rekeningnummer] op de peildatum bij helfte zullen verdelen, waarna de bankrekening wordt opgeheven;
de vrouw het saldo op de peildatum van de bankrekeningen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal aanzuiveren met de door haar onttrokken bedragen, waarna de saldi op de bankrekeningen gereserveerd blijven voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een en ander in onderling overleg verder te bepalen;
bepaalt dat aan de vrouw een vergoeding toekomt van de man ter zake de aflossingen die zijn betaald uit de huwelijksgoederengemeenschap op de hypotheek van de woning die in eigendom is van de man, ter hoogte van € 42.000,-;
verklaart deze beslissing – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3318
Zaaknummer: C/09/684620
Datum beschikking: 10 juli 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 2 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de man]
,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Maric te Zoetermeer .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw]
,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. Smits te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift van de man;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van de vrouw;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens aanvullend verzoekschrift van de man;
- het F9-bericht van de vrouw van 2 december 2025, met als bijlage een aanvullend verzoekschrift;
- het aanvullend verweerschrift van de man van 10 december 2025;
- het verweerschrift, tevens aanvullend verzoekschrift van de vrouw van 26 januari 2026;
- het F9-bericht van de vrouw van 22 mei 2026, met als bijlage een aanvullend verzoekschrift;
- het F9-bericht van de man van 26 mei 2026, met bijlagen;
- het F9-bericht van de man van 28 mei 2026, met als bijlage een aanvullend verweerschrift, tevens aanvullend verzoek.
Op 5 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk: R.V. Mamulealu;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2020 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 2] ;
- De ouders oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Roemeense nationaliteit.
- Partijen zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen.
- Deze rechtbank heeft op 26 februari 2026 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende:
toevertrouwing van de minderjarigen aan de man;
vaststelling van een voorlopige zorgregeling, waarbij de kinderen:
bij de man zijn in de eerste week van woensdag 17.30 uur tot en met zondag 17.30 uur en in de tweede week van woensdag 17.30 uur tot zaterdag 10.00 uur, gedurende welke periode de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, waarbij de vrouw de woning in deze periode moet verlaten;
bij de vrouw zijn in de eerste week van zondag 17.30 uur tot woensdag 17.30 uur en in de tweede week van zaterdag 10.00 uur tot woensdag 17.30 uur, gedurende welke periode de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, waarbij de man de woning in deze periode moet verlaten;
vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 450,- per maand per kind.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man, zoals dat na wijziging en aanvulling luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, waarbij zij bij de man zijn:
in de even weken: van woensdag 17.30 uur tot vrijdag 17.30 uur;
in de oneven weken: van woensdag 17.30 uur tot maandag 08.30 uur;
- vaststelling van een verdeling van de vakanties en feestdagen, zoals weergegeven in productie twee van de man;
- vaststelling van een bijdrage aan kinderalimentatie van € 188,- per maand van de man aan de vrouw voor de kosten van [minderjarige 2] en een bijdrage van € 27,- per maand in de kosten van [minderjarige 1] van de vrouw van de man, met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man;
- vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding van € 1.132,- per maand, met ingang van 1 juni 2026;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – met uitzondering van de echtscheiding – verweer tegen de verzoeken van de man.
Bovendien heeft de vrouw na wijziging en aanvulling, zelfstandig verzocht om de echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat:
de ene week, als [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ook doordeweeks bij de man verblijven, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op woensdagavond tussen 17.30 uur-18.00 uur bij de vrouw opgehaald en brengt de man ze op vrijdagavond tussen 17.30 uur 18.00 uur weer terug bij de vrouw;
de andere week, als [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ook het weekend bij de man verblijven, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van zaterdag 17.30 uur bij de man tot maandagochtend;
zodra [minderjarige 2] vier jaar wordt, partijen met elkaar in overleg zullen treden en de zorgregeling evalueren en bekijken of een uitbreiding mogelijk is;
de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld, met dien verstande dat de kinderen de eerstkomende twee jaren gedurende een vakantie (in het bijzonder de zomervakantie) niet langer dan een week achtereen bij een ouder verblijven;
- vaststelling van kinderalimentatie van € 375,- per maand per kind, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen;
- vaststelling van door de man de vrouw te betalen partneralimentatie van € 500,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw;
- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel door de vrouw indien zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking nog in de woning woont, die aan de man toebehoort, zij jegens de man bevoegd is om de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving voort te zetten;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – met uitzondering van de echtscheiding en de aflossingen op de hypotheek – verweer tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
I. Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid (ouderschapsplan)
Op grond van artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldoende aannemelijk geworden dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 tweede lid Rv. De rechtbank zal daarom partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
De kinderen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Hoofdverblijfplaats
De vrouw heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij haar te bepalen. Zij heeft naar haar zeggen altijd het merendeel van de zorg gedragen, en heeft ook een financieel belang om voor beide kinderen de toeslagen te kunnen ontvangen. De man betwist dit. Hij wil graag dat elk van de kinderen bij één van de ouders staat ingeschreven, zodat sprake is van een gelijkwaardig ouderschap.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij de vrouw bepalen. Conform de hierna te bespreken verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zullen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een groter deel van de tijd bij de moeder verblijven, zodat het logisch is om hun hoofdverblijfplaats dan ook bij haar te bepalen. Daar komt bij dat de vrouw – gelet op haar lagere inkomen – een hoger kindgebonden budget zal ontvangen en zij mogelijk meer kans heeft op een urgentieverklaring voor een woning, zodat de vaststelling van de hoofdverblijfplaats ook op die manier de kinderen ten goede kan komen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
In de afgelopen periode naar aanleiding van voorlopige voorzieningen sprake geweest van ‘birdnesting’, waarbij de ouders (ongeveer) elk de helft van de tijd in de woning verbleven. Naar zeggen van partijen is dit niet ideaal verlopen, maar wel voldoende goed. De man wil het co-ouderschap graag voortzetten. Dat biedt ook de mogelijkheid om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tegelijkertijd met zijn kinderen uit een eerdere relatie ( [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ) bij hem te laten verblijven, zodat de onderlinge band zo goed mogelijk wordt behouden. De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het merendeel van de tijd bij haar zijn, zodat aan de kinderen meer rust en regelmaat wordt geboden.
De rechtbank stelt vast dat partijen overeenstemming hebben over de even weken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen dan van woensdag 17.30 uur tot vrijdag 17.30 uur bij de man verblijven. Zij zijn het niet eens over de oneven weken. De rechtbank zal hierin het verzoek van de man volgen en vaststellen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de oneven weken van woensdag 17.30 uur tot maandag 08.30 uur bij de man verblijven. Gebleken is dat de gelijke verdeling van de zorg in de afgelopen periode goed is verlopen. De rechtbank vindt het daarbij – evenals de man – van belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook zoveel mogelijk contact behouden met hun halfzus en -broer. Een duidelijke zorgregeling zal aan de kinderen daarbij ook (op den duur) de benodigde rust en duidelijkheid geven. De rechtbank ziet hierin daarom geen aanleiding om de zorgregeling te beperken, zoals door de vrouw is verzocht.
Beide partijen hebben ook verzocht om de vaststelling van een verdeling van de vakanties en feestdagen. De vrouw verzoekt een verdeling bij helfte, maar waarbij de kinderen steeds maximaal een week bij een ouder zijn.
De man verzoekt een verdeling, waarbij elke ouder in de zomervakantie maximaal twee weken aaneengesloten bij elke ouder is en in de overige vakanties de reguliere zorgregeling wordt gevolgd. De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat – mede gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] – een te lang verblijf bij één ouder ongewenst is, acht zij een verblijf van twee weken passend. Dat biedt immers ook de mogelijkheid om eventueel met de kinderen op vakantie te gaan. Indien de ouders voor de overige vakanties afwijkende afspraken willen maken, dan bestaat hiertoe natuurlijk de mogelijkheid.
Nu door de moeder geen verweer is gevoerd tegen de inhoudelijke verdeling van de feestdagen, zoals opgesteld door de man, zal de rechtbank het voorstel van de man volgen en vastleggen.
Alimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot de alimentatieverzoeken. Op het verzoek deze verzoeken zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Kinderalimentatie
Behoefte [minderjarige 3] en [minderjarige 4]
De man heeft naast [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook twee kinderen uit een eerdere relatie: [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . De onderhoudsplicht van de man voor deze kinderen is mede van belang voor zijn verplichting jegens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank overweegt in dat verband als volgt. In het door de man overgelegde ouderschapsplan daterend uit 2020 dat hij met zijn andere ex-partner heeft opgesteld ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , is opgenomen:
“De behoefte van de kinderen bedraagt dan ook volgens de gangbare tabellen (Nibud- en Trema) € 695,- per maand per kind.
De ouders zijn van mening dat de kosten van hun kinderen lager zijn dan de behoeftes conform de gangbare tabellen. De ouders komen in onderling overleg overeen – zulks in afwijking van de wettelijke maatstaven – dat hun gezamenlijke bijdrage aan de kosten van hun kinderen € 280,- per maand bedraagt. Zij komen overeen dat de bijdrage van de vader € 280,- per maand bedraagt en van de moeder € 280,- per maand bedraagt.
In het geval er een herberekening wordt gemaakt (bijv. door een wijziging van omstandigheden) zal er worden uitgegaan van de behoefte, berekend o.b.v. de gangbare tabellen (Nibud en Trema) zoals hierboven beschreven.”
De behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bedraagt geïndexeerd naar 2024 € 801,- per maand en naar 2026 € 892,- per kind per maand. De door de man en zijn ex-partner overeengekomen bijdrage bedraagt geïndexeerd naar 2026 € 360,- per maand voor elk van hen. Door de man is echter gesteld en onderbouwd dat deze bijdrage op dit moment € 430,- per maand bedraagt. Nu niet is gebleken dat deze behoefte is overschreden, zal de rechtbank van voornoemde overeengekomen bedragen uitgaan.
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. De rechtbank zal daarbij het jaar 2024 als uitgangspunt nemen.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 14.451,- bruto per jaar in 2024. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2024 op € 1.039,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 99.408,- bruto per jaar in 2024. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2024 op € 5.110,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 in beginsel € 6.149,- per maand (€ 1.039) + € 5.110). Op basis van dit NBGI hadden partijen geen recht op een kindgebonden budget. Verder houdt de rechtbank rekening met de bijdrage die de man betaalde voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . De geïndexeerde bijdrage bedraagt € 323,- per maand in 2024, zodat de rechtbank hiermee rekening zal houden.
Hoewel door de man gesteld is dat met de bijdrage de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] niet volledig wordt voldaan, is hij in het ouderschapsplan met zijn ex-partner overeengekomen dat de kosten van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] lager zijn dan conform de gangbare tabellen, zodat de rechtbank het redelijk acht om van dit lagere bedrag uit te gaan en aldus zijn bijdrage als uitgangspunt te nemen.
Gelet op het voorgaande bedroeg het NBGI in 2024 € 5.826,- per maand. Op basis hiervan bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 1.423,- per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 1.585,- per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 7.747,- bruto per maand, zoals dat volgt uit zijn recente loonstroken, inclusief individueel keuzebudget (IKB).
De rechtbank houdt verder rekening met:
de pensioenpremie van € 606,- per maand;
de premie AOP van € 14,- per maand;
de premie AOV Loyalis van € 34,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.680,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [4.680 – (1.404 + 1.365)] = € 1.338,- per maand.
Op deze draagkracht van de man wordt zijn bijdrage voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in mindering gebracht. De bijdrage die de man voor hen betaalt, bedraagt op dit moment € 430,- per maand, zoals in het voorgaande al is benoemd. Er resteert dan een draagkracht aan de zijde van de man voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 908,- per maand.
Draagkracht vrouw
Partijen verschillen van mening over het inkomen van de vrouw. De vrouw ontvangt sinds april 2025 een WW-uitkering, die later is omgezet naar een Ziektewetuitkering. Deze liep tot januari 2026. Haar verzoek om een WIA-uitkering is vervolgens afgewezen. Door de vrouw is hiertegen bezwaar aangetekend, maar daarop is nog niet beslist.
Volgens de man leidt dit ertoe dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij gaat werken – ze is immers niet arbeidsongeschikt verklaard. De man rekent daarom met een verdiencapaciteit. De vrouw stelt dat bij haar een minimale draagkracht aangenomen moet worden van € 50,- per maand. Zij is tijdens het huwelijk minder gaan werken en uiteindelijk ziek geworden. Ze loopt nog altijd bij een arts en slikt medicatie. Daarnaast heeft ze de zorg voor de kinderen. De vrouw wil graag weer gaan werken, maar van haar kan niet worden verwacht dat zij direct fulltime ergens aan de slag kan, ook gelet op haar beperkte beheersing van het Nederlands.
De rechtbank zal aan de zijde van de vrouw uitgaan van een minimale draagkracht van € 50,- per maand, corresponderend met het laagste bedrag met de draagkrachttabel 2026. Vaststaat dat zij op dit moment geen inkomen heeft en dat het ook onduidelijk is of zij aanspraak kan maken op een WW-uitkering. De rechtbank ziet daarbij, gelet op de door de vrouw naar voren gebrachte argumenten, op dit moment geen aanleiding om een verdiencapaciteit vast te stellen. Desalniettemin mag van de vrouw worden verwacht dat zij zich zal blijven inspannen om een eigen inkomen te genereren.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 958,- per maand (€ 908 + € 50). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.585,- te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 628,- per maand.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de man gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , geldt een percentage van 35. De zorgkorting bedraagt dan € 556,- per maand ((35% van € 1.585,-).
Omdat sprake is van een tekort van € 628,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 242,- per maand (€ 556 -/- € 314).
Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt dan € 666,- per maand (€ 908 -/- € 242). De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen.
Ingangsdatum
De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking. De rechtbank merkt hierbij op dat zij bij de berekening van de kinderalimentatie uitgaat van de situatie dat de vrouw een eigen woning heeft en niet langer in de woning verblijft. Dat betekent dat voor zover de vrouw de maximale periode van voortgezet gebruik volmaakt, zoals in het navolgende wordt beoordeeld, de berekening voor die periode niet is gebaseerd op de feitelijke situatie. De rechtbank acht dit redelijk, nu in de eerste plaats niet zeker is of de vrouw deze periode van toegestaan voortgezet gebruik zal volmaken, en voorts omdat ook voor de situatie van birdnesting gedurende het voortgezet gebruik de vrouw een bijdrage voor de verzorging van de kinderen nodig heeft.
Partneralimentatie
Omdat partijen al onvoldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van hun kinderen te voorzien, zal de rechtbank het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie wegens gebrek aan draagkracht afwijzen. Dat betekent dat zij ook niet toekomt aan de stelling van de man dat de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te ontbreken.
Voortgezet gebruik echtelijke woning en gebruiksvergoeding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek over het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en wordt dit volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Inhoudelijke beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat de woning eigendom is van de man. Zij verblijven op dit moment gezamenlijk in de woning in het kader van ‘birdnesting’.
Ter zitting is besproken dat een voortgezet gebruik zoals de vrouw dat kennelijk voor zich ziet niet in de rede ligt. Anders dan ter zitting besproken ziet de rechtbank wel ruimte om het gebruik zoals de vrouw dat de afgelopen periode heeft gemaakt van de woning in het kader van de birdnesting nog enige tijd voort te zetten. De rechtbank acht een periode van drie maanden in dit verband redelijk, mede nu de man ter zitting heeft aangegeven de bestaande regeling nog enige tijd te kunnen ondersteunen.
De rechtbank ziet gelet op dit beperkte gebruik van de vrouw, de beperkte periode en het gegeven dat ook de man de woning nog afwisselend kan gebruiken aanleiding het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding af te wijzen.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de gemeenschap.
Beperkte gemeenschap van goederen
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.
De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt 2 mei 2025 als peildatum, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang gemeenschap en vergoedingsrechten
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden naar voren gebracht:
een auto met kenteken [kenteken] ;
een gezamenlijke bankrekening bij de ABN AMRO, met een rekeningnummer eindigend op [rekeningnummer] ;
de bankrekeningen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
e inboedel van de echtelijke woning;
en (eventuele) terugvordering kinderopvangtoeslag over 2024 tot en met september 2025.
Daarnaast zijn vergoedingsrechten ter beoordeling voorgelegd:
aflossingen op de hypotheek van de echtelijke woning;
Ad a) De vrouw heeft verzocht om de verdeling van de auto. Door de man zijn vervolgens stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de auto is aangekocht op 16 juni 2025, aldus na de peildatum. De auto valt daarom buiten de beperkte gemeenschap van goederen en behoeft niet te worden verdeeld.
Ad b) Partijen zijn het ten aanzien van de gezamenlijke bankrekening eens dat zij het saldo op de peildatum bij helfte zullen delen en dat de bankrekening daarna opgeheven wordt. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad c) Volgens de man heeft de vrouw bedragen van de bankrekeningen van de kinderen overgeboekt naar haar eigen bankrekening. De vrouw moet deze bedragen terugstorten op de bankrekeningen, omdat dit geld voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bestemd was. De vrouw heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal dit daarom vastleggen. De vrouw heeft daarbij nog aangegeven dat zij wenst dat de bankrekeningen gereserveerd zullen worden voor de kinderen, dat beide partijen hierop inzicht hebben, maar geen geld kunnen onttrekken. Op de zitting is hierover met partijen besproken dat dit bij uitstek een onderwerp is dat partijen bij de hulpverlening bij Enver (Ouderschap na Scheiding) afspraken over kunnen maken.
Ad d) Partijen zijn er niet in geslaagd om afspraken te maken over de verdeling van de inboedel van de echtelijke woning. De vrouw verzoekt om de inboedel – met uitzondering van haar persoonlijke bezittingen zoals kleding, linnengoed, kussens en decoraties – aan de man toe te delen, waarbij hij een overbedelingsvordering aan haar betaalt van € 3.000,-.
Volgens de man was het overgrote deel van de inboedel al aanwezig op het moment dat de vrouw bij hem introk. Het betreft daarmee voorhuwelijks eigendom van de man. De rechtbank overweegt als volgt. Niet vast is komen te staan welk deel van de inboedel al voor het huwelijk eigendom was van de man of de vrouw en ook niet welke waarde deze inboedelgoederen hebben. De rechtbank acht het daarom redelijk om te bepalen dat de inboedel, met uitzondering van de door de vrouw genoemde goederen, zal worden toebedeeld aan de man, waarbij hij gehouden is om aan de vrouw een bedrag van € 1.500,- te voldoen in het kader van overbedeling.
Ad e) De man heeft gesteld dat er mogelijk nog een huwelijkse schuld zal ontstaan inzake terug te vorderen kinderopvangtoeslag. Gedurende het huwelijk hebben partijen gezamenlijk gebruik gemaakt van de kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is door de man aangevraagd en ontvangen. Er kan daarbij nog een terugvordering volgen. Inmiddels is duidelijk dat dit voor 2024 niet het geval is, maar voor 2025 komt er mogelijk wel nog een terugvordering. De man verzoekt te bepalen dat partijen beiden voor deze schuld aansprakelijk zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.
In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.
Ad f) Tussen partijen is niet in geschil dat de echtelijke woning volledig eigendom is van de man en dat ook de aan de woning gekoppelde hypotheek op naam van de man staat. De vrouw heeft gesteld dat sprake is van een vergoedingsrecht van de gemeenschap op de man, omdat op twee onderdelen privéschulden van de man zijn voldaan met middelen uit de gemeenschap, te weten:
aflossingen op de hypotheek vanuit de gemeenschap ten bedrage van in totaal € 44.206,-;
aflossingen op de verhoging van de hypotheek die partijen zijn aangegaan ten behoeve van een verbouwing van de zolder van de echtelijke woning, waarbij de hoogte van de aflossingen onbekend is.
De man heeft het onder i) genoemde vergoedingsrecht niet betwist. Partijen zijn het erover eens dat de gemeenschap op grond van artikel 1:96 lid 5 BW recht heeft op een vergoeding van de man, omdat vanuit gemeenschappelijk vermogen een privéschuld van de man is voldaan (récompense). Partijen verschillen echter van mening over de vraag of het hierbij gaat om een nominale vergoeding of dat de beleggingsleer van toepassing is. Volgens de man is het eerstgenoemde het geval, volgens de vrouw het tweede.
De rechtbank overweegt dat in artikel 1:96 lid 5 BW wordt verwezen naar artikel 1:87 lid 2 en 3 BW. Hieruit volgt dat niet enkel recht bestaat op een nominale vergoeding, maar dat de beleggingsleer toegepast moet worden. De vrouw heeft daarbij gesteld dat het vergoedingsrecht als volgt moet worden berekend: aflossingen uit de gemeenschap (€ 44.206) / waarde van de woning bij het aangaan van het huwelijk of de aanschaf van de woning * waarde van de woning bij het einde van het huwelijk. De man heeft deze berekeningswijze niet betwist, zodat de rechtbank dit als uitgangspunt zal nemen.
Partijen hebben geen inzicht verschaft ten aanzien van de aanschafwaarde en de huidige waarde van de woning. De rechtbank zal daarom in redelijkheid uitgaan van de waardestijging van de woning op basis van de WOZ-waarden in 2020 respectievelijk 2025. De rechtbank constateert dat de woning in (WOZ-)waarde in genoemde periode is gestegen van € 297.000,- naar € 564.000,-. Met toepassing van de formule – ((€ 44.206)/€297.000) * € 564.000,- – berekent de rechtbank de kapitaalopbouw in samenhang met de aflossingen op afgerond € 84.000,-. Aan de vrouw komt een vergoeding van de helft daarvan toe, dat wil zeggen € 42.000,-.
De man betwist het bestaan van het vergoedingsrecht onder ii). Uit de overgelegde stukken volgt dat de hypotheek op de echtelijke woning op 27 december 2023 is opgehoogd met leningdeel 3 en 4. De vrouw heeft gesteld dat hiervan de zolder is verbouwd, waardoor de waarde van de woning extra is toegenomen. Echter, anders dan door de vrouw gesteld, is de ophoging van de hypotheek geen investering of aflossing, maar een extra schuld, bovenop de al bestaande hypotheek. Bij het vergoedingsrecht gaat het daarom – net als bij i) – om de gedane aflossingen. Nu het dezelfde hypotheek betreft en de aflossingen daarin in zijn geheel al worden meegenomen onder i), bestaat geen apart vergoedingsrecht. Dat de waarde van de woning door de verbouwing eventueel extra is gestegen, doet hieraan niet af, omdat bij het vergoedingsrecht onder i) rekening is gehouden met de waardestijging van de woning conform de beleggingsleer. De waardestijging is daarmee al meegenomen. Het door de vrouw onder ii) verzochte vergoedingsrecht zal daarom worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2020 te [plaats] ;
bepaalt dat de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 2] ;
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man zullen zijn:
in de even weken: van woensdag 17.30 uur tot vrijdag 17.30 uur;
in de oneven weken: van woensdag 17.30 uur tot maandag 08.30 uur;
bepaalt een verdeling van de vakanties en feestdagen, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] :
in de zomervakantie maximaal twee weken aaneengesloten bij elke ouder verblijven, waarbij de vader in de even jaren de eerste keuze heeft en de moeder in de oneven jaren;
in de overige schoolvakanties de reguliere zorgregeling wordt gevolgd, tenzij partijen in onderling overleg anders overeenkomen;
tijdens Kerst: in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader verblijven;
tijdens oudjaarsavond: in even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij moeder verblijven;
tijdens de aankomst van Sinterklaas de reguliere zorgregeling wordt gevolgd en pakjesavond steeds afzonderlijk met de kinderen wordt gevierd;
tijdens Moeder-/Vaderdag en verjaardagen van de ouders steeds bij de betreffende ouder zijn;
tijdens Pasen, Hemelvaart, Pinksteren en Koningsdag steeds de reguliere zorgregeling wordt gevolgd;
tijdens hun verjaardagen volgens de reguliere zorgregeling bij een ouder verblijven, waarbij de andere ouder kan langskomen;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 666,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw tezamen met de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [plaats] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende drie maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
- aan de man worden toegedeeld:
de inboedel van de echtelijke woning, waarbij de man gehouden is om in het kader van overbedeling een vergoeding van € 1.500,- te betalen aan de vrouw;
- en voor het overige:
partijen het saldo van de gezamenlijke bankrekening bij ABN AMRO, eindigend op [rekeningnummer] op de peildatum bij helfte zullen verdelen, waarna de bankrekening wordt opgeheven;
de vrouw het saldo op de peildatum van de bankrekeningen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal aanzuiveren met de door haar onttrokken bedragen, waarna de saldi op de bankrekeningen gereserveerd blijven voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een en ander in onderling overleg verder te bepalen;
bepaalt dat aan de vrouw een vergoeding toekomt van de man ter zake de aflossingen die zijn betaald uit de huwelijksgoederengemeenschap op de hypotheek van de woning die in eigendom is van de man, ter hoogte van € 42.000,-;
verklaart deze beslissing – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.