Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21554
2026-07-03
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/696893 / FA RK 25-9911
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gezag, hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.212 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9911
Zaaknummer: C/09/696893
Datum beschikking: 3 juli 2026
Gezag, hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang
Beschikking op het op 30 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Vurdelja in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Tetteroo in Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken, ingekomen op 25 februari 2026, met bijlagen;
het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, ingekomen op 2 juni 2026, met bijlagen;
het bericht van 2 juni 2026 van de moeder, met bijlage;
het bericht van 2 juni 2026 van de vader, met bijlagen;
het bericht van 5 juni 2026 van de moeder, met bijlage.
Op 5 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De minderjarige [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Feiten
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] .
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
[minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Bij beschikking van deze rechtbank van 21 april 2017 is – voor zover hier van belang – het door beide ouders getekende ouderschapsplan aan de beschikking gehecht.
In het op 15 maart en 7 april 2017 ondertekende ouderschapsplan zijn de ouders – voor zover hier relevant – het volgende overeengekomen:
- artikel 2
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder. (…)
- artikel 3:
De ouders zijn de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeengekomen: [minderjarige] zal bij de vader verblijven op maandag, woensdag en zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur. Partijen kunnen in onderling overleg én met wederzijdse instemming afwijken van voornoemde zorgregeling. In de praktijk wordt reeds uitvoering gegeven aan voornoemde regeling, in die zin dat partijen steeds in overleg ad hoc afspraken maken betreffende de dagen en tijdstippen van de zorgregeling, waarbij het belang van [minderjarige] als uitgangspunt wordt genomen. De vakantiedagen- en (Islamitische) feestdagen zullen in overleg tussen partijen worden verdeeld. Naarmate [minderjarige] ouder wordt, zullen partijen in overleg treden om te bezien of de zorgregeling stapsgewijs kan worden uitgebreid. Het belang van [minderjarige] dient daarbij leidend te zijn. (…)
- Bij vonnis in kort geding van 21 april 2026 – voor zover hier relevant –
is de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 21 april 2017 van deze rechtbank geschorst, totdat in de bodemprocedure meer of anders is beslist of de ouders in onderling overleg anders overeenkomen;
zijn de ouders doorverwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
het ouderlijk gezag over [minderjarige] te wijzigen, in die zin dat uitsluitend aan de moeder het gezag over [minderjarige] toekomt, als gevolg waarvan de vader het ouderlijk gezag verliest;
de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 21 april 2017 te wijzigen en het recht op omgang tussen de vader en [minderjarige] te ontzeggen op grond van artikel 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), althans een dusdanige zorgregeling vast te stellen, als de rechtbank in goede justitie vermenen te behoren;
subsidiair
de zorgregeling, zoals vastgesteld bij beschikking van 21 april 2017 te wijzigen en het recht op omgang tussen de vader en [minderjarige] te beëindigden;
indien de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd acht om over de omgang en/of het gezag te beslissen, de Raad te gelasten een onderzoek te doen naar de vraag of gezamenlijk ouderlijk gezag in het belang van [minderjarige] wordt geacht en welke omgangregeling tussen de vader en [minderjarige] passend is.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hij verzoekt daarnaast zelfstandig, kosten rechtens:
te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] gewijzigd wordt en dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben;
als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader is, te bepalen dat tussen de moeder en [minderjarige] de navolgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal gelden:
de moeder zal [minderjarige] eens per twee weken een weekend van vrijdag 15.00 uur na schooltijd tot maandagochtend 8.30 uur bij zich hebben, waarbij de moeder [minderjarige] ophaalt van school en weer naar school zal brengen;
de moeder heeft daarnaast een vakantieregeling met [minderjarige] , waarbij de vakantiedagen bij helfte worden verdeeld, alsmede de feestdagen (1ste of 2e Kerst-, Paas-, pinksterdag en Oud en Nieuw) jaarlijks om en om;
- als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder blijft, te bepalen dat tussen de vader en [minderjarige] de navolgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/omgangsregeling zal gelden:
primair: de vader zal [minderjarige] om de week bij zich hebben voor een gehele week, waarbij het wisselmoment zondagmiddag 16.00 uur is. Subsidiair: de vader zal [minderjarige] het weekend van vrijdag 15.00 uur na schooltijd tot maandagochtend 8.30 uur bij zich hebben, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt van school en weer naar school zal brengen;
de vader heeft daarnaast een vakantieregeling met [minderjarige] waarbij de vakantiedagen bij helfte worden verdeeld, alsmede de feestdagen (1ste of 2e Kerst-, Paas-, pinksterdag en Oud en Nieuw) jaarlijks om en om,
althans een zodanige uitspraak te doen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Gezag
Standpunt moeder
De moeder verzoekt om haar voortaan alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten. De moeder is van mening dat er sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat het gezamenlijk gezag dient te worden beëindigd. De ouders hebben een turbulente relatie gehad, waarbij veel aangiften over en weer zijn geweest. Veilig Thuis is al geruime tijd betrokken bij het gezin. Volgens de moeder blijkt uit de dossiers dat sprake is van herhaaldelijk huiselijk geweld en dwingende controle door de vader jegens de moeder. Veilig Thuis is om die reden van mening dat het contact tussen de ouders zoveel mogelijk moet worden vermeden. De moeder stelt dat het voor haar feitelijk onmogelijk is om met de vader te overleggen over [minderjarige] . Dit wordt onder meer veroorzaakt doordat de moeder ernstige angst ervaart jegens de vader. Tijdens de relatie is de moeder slachtoffer geweest van bedreigingen en huiselijk geweld door de vader. Na het uiteengaan heeft de moeder gehoopt dat de situatie zou verbeteren, maar dit is niet het geval gebleken. Integendeel, de vader heeft de moeder recentelijk opnieuw uitgescholden en met de dood bedreigd, waarbij [minderjarige] aanwezig was. Dit maakt ieder contact tussen de ouders voor de moeder onveilig en onverantwoord. Om redenen van veiligheid heeft de moeder geen enkel contact met de vader. De moeder stelt verder dat de vader bij zijn handelen niet het belang van [minderjarige] vooropstelt, maar zich met name richt op het tegenwerken van de moeder. Dit leidt er toe dat het gezamenlijk gezag in de praktijk onuitvoerbaar is geworden en niet in het belang van [minderjarige] is. Tevens blijkt uit de risico-inschatting en controle zoals opgenomen in het politieverslag dat, op basis van SASH, het risico op geweld van de vader jegens de moeder als hoog wordt ingeschat. Op korte termijn zal er dus geen gedragsverandering van de vader worden verwacht.
Standpunt vader
De vader vindt dat het verzoek van de moeder moet worden afgewezen. Hij kan erkennen dat er communicatieproblemen zijn, maar volgens de vader zijn deze problemen ontstaan nadat de moeder de zorgregeling structureel niet nakwam en daarbij structureel niet bereikbaar was voor de vader. De vader heeft op alle mogelijke manieren getracht om de moeder ertoe te bewegen de zorgregeling na te komen: via WhatsApp-berichten, persoonlijke bezoeken, meldingen bij de politie, en uiteindelijk het inschakelen van een advocaat. Het is niet de vader die het gezamenlijk gezag onmogelijk maakt, maar de moeder die haar verplichtingen niet nakomt. Daarin ligt de kern van de communicatieproblemen verscholen. De vader stelt daarnaast dat de communicatieproblemen niet zodanig zijn dat hij de moeder belemmerd heeft in de uitoefening van het gezag. De vader begrijpt niet dat de moeder te bang voor hem zou zijn om met hem te overleggen. Hij betwist dat sprake zou zijn geweest van intieme terreur, huiselijk geweld en bedreigingen. De vader meent dat de moeder bezig is om hem uit het leven van [minderjarige] te weren. Indien het verzoek tot eenhoofdig gezag zou worden toegewezen dan denkt de vader dat hij niet meer op de hoogte zal worden gehouden van het wel en wee van [minderjarige] en is de vader bevreesd dat hij nog meer uit het leven van [minderjarige] door de moeder geweerd zal gaan worden.
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253n BW kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd, indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Oordeel rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kind uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de ouders hiertoe niet in staat. Dit blijkt onder meer uit het feit dat tussen de ouders geen communicatie is en de hulpverlening voor [minderjarige] niet van de grond komt, terwijl onder andere de school en Veilig Thuis hulpverlening wel in haar belang achten. Verder is gebleken dat de moeder bang is voor de vader. Mede gezien de meldingen die door de school en politie bij Veilig Thuis zijn gedaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de gegrondheid van de door de moeder ervaren angst voor de vader. De rechtbank is van oordeel dat van de moeder, gelet op het belaste verleden met de vader, op dit moment niet kan worden verwacht dat zij met de vader communiceert over te nemen gezagsbeslissingen. De rechtbank verwacht ook niet dat op afzienbare tijd verbetering komt in de onderlinge communicatie en verstandhouding tussen de ouders. Naar het oordeel van de rechtbank is [minderjarige] klem en verloren geraakt tussen de ouders en het is in haar belang noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. De rechtbank zal de moeder daarom alleen met het gezag belasten. Dit betekent uiteraard niet dat hiermee iets wordt afgedaan aan het feit dat de vader de vader van [minderjarige] is en blijft.
Hoofdverblijfplaats
De vader wil dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] wordt gewijzigd, in die zin dat zij haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vader. De moeder voert verweer.
Uit artikel 1:12 BW volgt dat de minderjarige de woonplaats volgt van de ouder die het gezag over hem uitoefent. Omdat de moeder eenhoofdig met het gezag over [minderjarige] wordt belast, wijst de rechtbank het verzoek van de vader af.
Omgang
Op grond van artikel 1:377a eerste lid BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a derde lid BW ontzegt de rechtbank het recht op omgang slechts, indien: a) omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b) de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c) het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of d) omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Bij vonnis in kort geding van 21 april 2026 zijn de ouders doorverwezen naar het traject omgangsbegeleiding. Ten tijde van de zitting was de omgangsbegeleiding nog niet tot stand gekomen. Wel is gebleken dat beide ouders nog openstaan voor het traject omgangsbegeleiding, hoewel de vader de voorkeur heeft voor onbegeleide omgang met [minderjarige] . Naar het oordeel van de rechtbank is het – mede gelet op de bestaande communicatieproblemen tussen de ouders, de door de moeder geuite angst voor de vader en de door [minderjarige] tijdens het kindgesprek kenbaar gemaakte angst voor de vader – op dit moment niet in het belang van [minderjarige] om de omgang onbegeleid te laten plaatsvinden. De rechtbank is verder van oordeel dat een ontzegging van de omgang, zoals verzocht door de moeder, nu te vroeg zou zijn. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat eerst het traject omgangsbegeleiding wordt opgestart, voordat een definitieve beslissing wordt genomen op de verzoeken met betrekking tot de omgang. De rechtbank zal de verzoeken over de omgang daarom aanhouden tot 1 januari 2027 pro forma.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking zal geven, zal de rechtbank de proceskosten
ook aanhouden.
BeslissingDe rechtbank:
*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1990 in [geboorteplaats] , het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige]
, geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] ;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing over de omgang en de proceskosten aan tot 1 januari 2027 pro forma;
*
wijst af het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Honée, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 juli 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9911
Zaaknummer: C/09/696893
Datum beschikking: 3 juli 2026
Gezag, hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang
Beschikking op het op 30 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Vurdelja in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Tetteroo in Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken, ingekomen op 25 februari 2026, met bijlagen;
het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, ingekomen op 2 juni 2026, met bijlagen;
het bericht van 2 juni 2026 van de moeder, met bijlage;
het bericht van 2 juni 2026 van de vader, met bijlagen;
het bericht van 5 juni 2026 van de moeder, met bijlage.
Op 5 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De minderjarige [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Feiten
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] .
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
[minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Bij beschikking van deze rechtbank van 21 april 2017 is – voor zover hier van belang – het door beide ouders getekende ouderschapsplan aan de beschikking gehecht.
In het op 15 maart en 7 april 2017 ondertekende ouderschapsplan zijn de ouders – voor zover hier relevant – het volgende overeengekomen:
- artikel 2
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder. (…)
- artikel 3:
De ouders zijn de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeengekomen: [minderjarige] zal bij de vader verblijven op maandag, woensdag en zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur. Partijen kunnen in onderling overleg én met wederzijdse instemming afwijken van voornoemde zorgregeling. In de praktijk wordt reeds uitvoering gegeven aan voornoemde regeling, in die zin dat partijen steeds in overleg ad hoc afspraken maken betreffende de dagen en tijdstippen van de zorgregeling, waarbij het belang van [minderjarige] als uitgangspunt wordt genomen. De vakantiedagen- en (Islamitische) feestdagen zullen in overleg tussen partijen worden verdeeld. Naarmate [minderjarige] ouder wordt, zullen partijen in overleg treden om te bezien of de zorgregeling stapsgewijs kan worden uitgebreid. Het belang van [minderjarige] dient daarbij leidend te zijn. (…)
- Bij vonnis in kort geding van 21 april 2026 – voor zover hier relevant –
is de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 21 april 2017 van deze rechtbank geschorst, totdat in de bodemprocedure meer of anders is beslist of de ouders in onderling overleg anders overeenkomen;
zijn de ouders doorverwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
het ouderlijk gezag over [minderjarige] te wijzigen, in die zin dat uitsluitend aan de moeder het gezag over [minderjarige] toekomt, als gevolg waarvan de vader het ouderlijk gezag verliest;
de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 21 april 2017 te wijzigen en het recht op omgang tussen de vader en [minderjarige] te ontzeggen op grond van artikel 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), althans een dusdanige zorgregeling vast te stellen, als de rechtbank in goede justitie vermenen te behoren;
subsidiair
de zorgregeling, zoals vastgesteld bij beschikking van 21 april 2017 te wijzigen en het recht op omgang tussen de vader en [minderjarige] te beëindigden;
indien de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd acht om over de omgang en/of het gezag te beslissen, de Raad te gelasten een onderzoek te doen naar de vraag of gezamenlijk ouderlijk gezag in het belang van [minderjarige] wordt geacht en welke omgangregeling tussen de vader en [minderjarige] passend is.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hij verzoekt daarnaast zelfstandig, kosten rechtens:
te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] gewijzigd wordt en dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben;
als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader is, te bepalen dat tussen de moeder en [minderjarige] de navolgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal gelden:
de moeder zal [minderjarige] eens per twee weken een weekend van vrijdag 15.00 uur na schooltijd tot maandagochtend 8.30 uur bij zich hebben, waarbij de moeder [minderjarige] ophaalt van school en weer naar school zal brengen;
de moeder heeft daarnaast een vakantieregeling met [minderjarige] , waarbij de vakantiedagen bij helfte worden verdeeld, alsmede de feestdagen (1ste of 2e Kerst-, Paas-, pinksterdag en Oud en Nieuw) jaarlijks om en om;
- als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder blijft, te bepalen dat tussen de vader en [minderjarige] de navolgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/omgangsregeling zal gelden:
primair: de vader zal [minderjarige] om de week bij zich hebben voor een gehele week, waarbij het wisselmoment zondagmiddag 16.00 uur is. Subsidiair: de vader zal [minderjarige] het weekend van vrijdag 15.00 uur na schooltijd tot maandagochtend 8.30 uur bij zich hebben, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt van school en weer naar school zal brengen;
de vader heeft daarnaast een vakantieregeling met [minderjarige] waarbij de vakantiedagen bij helfte worden verdeeld, alsmede de feestdagen (1ste of 2e Kerst-, Paas-, pinksterdag en Oud en Nieuw) jaarlijks om en om,
althans een zodanige uitspraak te doen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Gezag
Standpunt moeder
De moeder verzoekt om haar voortaan alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten. De moeder is van mening dat er sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat het gezamenlijk gezag dient te worden beëindigd. De ouders hebben een turbulente relatie gehad, waarbij veel aangiften over en weer zijn geweest. Veilig Thuis is al geruime tijd betrokken bij het gezin. Volgens de moeder blijkt uit de dossiers dat sprake is van herhaaldelijk huiselijk geweld en dwingende controle door de vader jegens de moeder. Veilig Thuis is om die reden van mening dat het contact tussen de ouders zoveel mogelijk moet worden vermeden. De moeder stelt dat het voor haar feitelijk onmogelijk is om met de vader te overleggen over [minderjarige] . Dit wordt onder meer veroorzaakt doordat de moeder ernstige angst ervaart jegens de vader. Tijdens de relatie is de moeder slachtoffer geweest van bedreigingen en huiselijk geweld door de vader. Na het uiteengaan heeft de moeder gehoopt dat de situatie zou verbeteren, maar dit is niet het geval gebleken. Integendeel, de vader heeft de moeder recentelijk opnieuw uitgescholden en met de dood bedreigd, waarbij [minderjarige] aanwezig was. Dit maakt ieder contact tussen de ouders voor de moeder onveilig en onverantwoord. Om redenen van veiligheid heeft de moeder geen enkel contact met de vader. De moeder stelt verder dat de vader bij zijn handelen niet het belang van [minderjarige] vooropstelt, maar zich met name richt op het tegenwerken van de moeder. Dit leidt er toe dat het gezamenlijk gezag in de praktijk onuitvoerbaar is geworden en niet in het belang van [minderjarige] is. Tevens blijkt uit de risico-inschatting en controle zoals opgenomen in het politieverslag dat, op basis van SASH, het risico op geweld van de vader jegens de moeder als hoog wordt ingeschat. Op korte termijn zal er dus geen gedragsverandering van de vader worden verwacht.
Standpunt vader
De vader vindt dat het verzoek van de moeder moet worden afgewezen. Hij kan erkennen dat er communicatieproblemen zijn, maar volgens de vader zijn deze problemen ontstaan nadat de moeder de zorgregeling structureel niet nakwam en daarbij structureel niet bereikbaar was voor de vader. De vader heeft op alle mogelijke manieren getracht om de moeder ertoe te bewegen de zorgregeling na te komen: via WhatsApp-berichten, persoonlijke bezoeken, meldingen bij de politie, en uiteindelijk het inschakelen van een advocaat. Het is niet de vader die het gezamenlijk gezag onmogelijk maakt, maar de moeder die haar verplichtingen niet nakomt. Daarin ligt de kern van de communicatieproblemen verscholen. De vader stelt daarnaast dat de communicatieproblemen niet zodanig zijn dat hij de moeder belemmerd heeft in de uitoefening van het gezag. De vader begrijpt niet dat de moeder te bang voor hem zou zijn om met hem te overleggen. Hij betwist dat sprake zou zijn geweest van intieme terreur, huiselijk geweld en bedreigingen. De vader meent dat de moeder bezig is om hem uit het leven van [minderjarige] te weren. Indien het verzoek tot eenhoofdig gezag zou worden toegewezen dan denkt de vader dat hij niet meer op de hoogte zal worden gehouden van het wel en wee van [minderjarige] en is de vader bevreesd dat hij nog meer uit het leven van [minderjarige] door de moeder geweerd zal gaan worden.
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253n BW kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd, indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Oordeel rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kind uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de ouders hiertoe niet in staat. Dit blijkt onder meer uit het feit dat tussen de ouders geen communicatie is en de hulpverlening voor [minderjarige] niet van de grond komt, terwijl onder andere de school en Veilig Thuis hulpverlening wel in haar belang achten. Verder is gebleken dat de moeder bang is voor de vader. Mede gezien de meldingen die door de school en politie bij Veilig Thuis zijn gedaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de gegrondheid van de door de moeder ervaren angst voor de vader. De rechtbank is van oordeel dat van de moeder, gelet op het belaste verleden met de vader, op dit moment niet kan worden verwacht dat zij met de vader communiceert over te nemen gezagsbeslissingen. De rechtbank verwacht ook niet dat op afzienbare tijd verbetering komt in de onderlinge communicatie en verstandhouding tussen de ouders. Naar het oordeel van de rechtbank is [minderjarige] klem en verloren geraakt tussen de ouders en het is in haar belang noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. De rechtbank zal de moeder daarom alleen met het gezag belasten. Dit betekent uiteraard niet dat hiermee iets wordt afgedaan aan het feit dat de vader de vader van [minderjarige] is en blijft.
Hoofdverblijfplaats
De vader wil dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] wordt gewijzigd, in die zin dat zij haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vader. De moeder voert verweer.
Uit artikel 1:12 BW volgt dat de minderjarige de woonplaats volgt van de ouder die het gezag over hem uitoefent. Omdat de moeder eenhoofdig met het gezag over [minderjarige] wordt belast, wijst de rechtbank het verzoek van de vader af.
Omgang
Op grond van artikel 1:377a eerste lid BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a derde lid BW ontzegt de rechtbank het recht op omgang slechts, indien: a) omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b) de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c) het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of d) omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Bij vonnis in kort geding van 21 april 2026 zijn de ouders doorverwezen naar het traject omgangsbegeleiding. Ten tijde van de zitting was de omgangsbegeleiding nog niet tot stand gekomen. Wel is gebleken dat beide ouders nog openstaan voor het traject omgangsbegeleiding, hoewel de vader de voorkeur heeft voor onbegeleide omgang met [minderjarige] . Naar het oordeel van de rechtbank is het – mede gelet op de bestaande communicatieproblemen tussen de ouders, de door de moeder geuite angst voor de vader en de door [minderjarige] tijdens het kindgesprek kenbaar gemaakte angst voor de vader – op dit moment niet in het belang van [minderjarige] om de omgang onbegeleid te laten plaatsvinden. De rechtbank is verder van oordeel dat een ontzegging van de omgang, zoals verzocht door de moeder, nu te vroeg zou zijn. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat eerst het traject omgangsbegeleiding wordt opgestart, voordat een definitieve beslissing wordt genomen op de verzoeken met betrekking tot de omgang. De rechtbank zal de verzoeken over de omgang daarom aanhouden tot 1 januari 2027 pro forma.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking zal geven, zal de rechtbank de proceskosten
ook aanhouden.
BeslissingDe rechtbank:
*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1990 in [geboorteplaats] , het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige]
, geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] ;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing over de omgang en de proceskosten aan tot 1 januari 2027 pro forma;
*
wijst af het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Honée, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 juli 2026.