Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21541
2026-07-02
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/684584 / FA RK 25-3295
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie. Samengestelde gezinnen. Samenloop onderhoudsverplichtingen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.522 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3295
Zaaknummer: C/09/684584
Datum beschikking: 2 juli 2026
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie
Beschikking op het op 2 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Burger te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.B. Janssens te Oudewater.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift van 2 mei 2025, van de vader;
het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek van 6 juni 2025, van de moeder;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van 1 augustus 2025, van de vader;
- het F9-formulier met bijlagen van 28 april 2026, van de moeder;
- het aanvullend verzoekschrift van 4 mei 2026, van de vader.
Op 13 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
[naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het F9-formulier met bijlagen, ingekomen op 13 mei 2026, van de moeder;
- het F9-formulier met bijlagen, ingekomen op 18 mei 2026, van de vader.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] .
De moeder is ook de moeder van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats] .
De vader is ook de vader van [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2026 te [geboorteplaats] .
[minderjarige 1] staat ingeschreven op het BRP-adres van de moeder.
Bij beschikking van 1 maart 2023 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald dat aan de vader en de moeder het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] zal toekomen en dat de vader aan de moeder met ingang van 1 mei 2022 een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] van € 215,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Bij beschikking van 22 januari 2024 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald dat:
- vanaf 1 mei 2024 [minderjarige 1] in de even weken van woensdag 12.00 uur tot vrijdag naar school en in de oneven weken van woensdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader is;
- bij studiedagen/roostervrije dagen de reguliere zorgregeling wordt aangehouden en [minderjarige 1] dus niet de hele dag bij de vader is op die dagen, maar bij hem is volgens de tijden van de reguliere zorgregeling.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt – na aanvulling – :
met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 1 maart 2023 te bepalen dat de vader aan de moeder, met ingang van 1 maart 2025, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] van € 124,- per maand zal betalen, althans een bijdrage die de rechtbank juist acht;
te bepalen dat moeder het teveel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie over de periode van 1 maart 2025 tot de datum van de door de rechtbank te geven beschikking dient terug te betalen aan de vader;
met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2024 de huidige zorgregeling aan te vullen, in die zin dat [minderjarige 1] :
- in de oneven jaren van 20 september om 14.30 uur tot en met 21 september voor school of om 12.00 uur indien het een weekenddag c.q. vrije dag betreft bij de vader verblijft;
- jaarlijks op [dag 1] , de verjaardag van [minderjarige 3] , het halfzusje van [minderjarige 1] , bij de vader verblijft van 14:30 uur tot 19:00 uur;
- aan de vader vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] aan te melden bij [hulpverlener] en de daar geadviseerde hulpverlening in te zetten,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, in die zin dat de moeder verzoekt om:
primair: de vader niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans hem deze als zijnde ongegrond te ontzeggen;
subsidiair: ten aanzien van het verzoek wijziging kinderalimentatie: de wijziging van de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te bepalen op een niet lager bedrag dan € 173,- per maand, met ingang van de datum van de beschikking, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van een datum die de rechtbank juist acht.
Tevens verzoekt de moeder – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2024 – :
dat [minderjarige 1] bij de vader is: in de even weken van donderdag uit school tot vrijdag naar school, en in de oneven weken van woensdag uit school tot zondag 19.00 uur;
de huidige vakantieregeling aan te vullen, in die zin dat tijdens studiedagen/roostervrije dagen de reguliere zorgregeling wordt aangehouden, dus dat vanaf het tijdstip op de donderdag (even weken) of op de woensdag (oneven weken) [minderjarige 1] volgens de tijden van de reguliere zorgregeling ‘uit school’ is;
de huidige zorgregeling aan te vullen, in die zin dat [minderjarige 1] jaarlijks op [dag 2] , op de verjaardag van [minderjarige 2] , het halfzusje van [minderjarige 1] , bij de moeder is van 12.00 uur tot 19.00 uur,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
Beoordeling
Zorgregeling en vervangende toestemming hulpverlening
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen op verzoek van de ouder(s) geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van één van hen op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) samen met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Ontvankelijkheid verzoek wijziging zorgregeling Het lukt de ouders niet om uitvoering te geven aan de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Ook hebben beide ouders een kind gekregen met hun nieuwe partner, waarbij beide ouders het belangrijk vinden dat [minderjarige 1] aanwezig is op de verjaardagen van haar (half)zusjes, waardoor een wijziging noodzakelijk is. De rechtbank zal de ouders daarom ontvangen in hun verzoeken.
Standpunten ouders De moeder wil dat de huidige zorgregeling ten aanzien van de woensdagen wordt aangepast. [minderjarige 1] is nooit bij de moeder op de woensdagmiddag en -avond, terwijl [minderjarige 1] inmiddels een leeftijd heeft bereikt waarbij het voor haar belangrijk wordt om uit school te kunnen afspreken met kinderen van school en uit de buurt. De moeder verzoekt daarom om de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat [minderjarige 1] in de even weken op woensdag bij de moeder verblijft, waarna zij op donderdag uit school naar de vader gaat. De vader kan zich niet vinden in het verzoek van de moeder en stelt zich op het standpunt dat sprake is van een structurele en stabiele regeling waarin beide ouders een gelijke rol spelen en waar [minderjarige 1] inmiddels aan gewend is. Daarnaast verblijft [minderjarige 1] eens in de twee weken al een extra nacht bij de moeder. Toewijzing van het verzoek van de moeder heeft tot gevolg dat de vader en [minderjarige 1] minder tijd met elkaar kunnen spenderen.
Daarnaast bestaat tussen de ouders discussie over het tijdstip van ophalen van [minderjarige 1] door de vader op studiedagen en roostervrije dagen, nu er geen tijdstippen zijn vastgesteld door de rechtbank.
Verder zijn de ouders het niet eens over de verdeling van de verjaardag van [minderjarige 1] . De vader wil dat wordt vastgesteld dat [minderjarige 1] op haar verjaardag het ene jaar bij de ene ouder is en het andere jaar bij de andere ouder. De moeder kan zich daar niet in vinden, omdat – in jaren dat haar verjaardag op een doordeweekse (school)dag valt – de verjaardag toch niet zal worden gevierd op een doordeweekse dag. Daarnaast valt een verjaardag jaarlijks op een andere weekdag, waardoor de verjaardag afwisselend binnen de zorgregeling van beide ouders zal vallen. Ten aanzien van de verjaardagen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn de ouders het erover eens dat [minderjarige 1] op de verjaardag van [minderjarige 2] bij de moeder is en op de verjaardag van [minderjarige 3] bij de vader.
Ook ten aanzien van eventuele hulp voor [minderjarige 1] verschillen de ouders van mening. De vader vindt het van groot belang dat [minderjarige 1] hulp krijgt, gelet op de impactvolle gebeurtenissen in het verleden, waaronder de scheiding van de ouders en het politieonderzoek vanwege de beschuldigingen van [minderjarige 1] richting de partner van de moeder van seksueel overschrijdende handelingen. De vader vindt het daarom belangrijk dat [minderjarige 1] met iemand kan praten. De moeder ziet geen aanleiding voor hulp voor [minderjarige 1] , omdat de problematiek niet bij [minderjarige 1] ligt maar bij de ouders. Het is volgens haar de vraag of hulp zinvol is, of dat [minderjarige 1] hiermee juist wordt belast. De moeder vindt het belangrijk dat de Raad een onderzoek verricht naar de vraag of [minderjarige 1] hulp nodig heeft en zo ja, welke hulp. Daarnaast maakt de moeder zich zorgen over de thuissituatie van de vader, waar volgens haar sprake is van agressie binnen het gezin. Hier moet de Raad tijdens het onderzoek ook aandacht aan besteden. De vader is van mening dat er beter een duidelijke beslissing van de rechtbank kan komen dan een raadsonderzoek, omdat een raadsonderzoek maanden in beslag neemt.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank merkt op dat bij beschikking van 22 januari 2024 een duidelijke zorgregeling is vastgesteld, maar dat het de ouders niet lukt om hier zonder discussies uitvoering aan te geven. De ouders zijn niet in staat om op een constructieve manier met elkaar te communiceren en zij hebben een andere visie op wat in het belang is van [minderjarige 1] . De ouders lijken te blijven hangen in hun onderlinge strijd. De rechtbank maakt zich dan ook zorgen om [minderjarige 1] , vooral omdat [minderjarige 1] belast lijkt te worden met de problematiek van de ouders over de uitvoering van de zorgregeling. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om, conform het advies van de raadsvertegenwoordiger, de Raad te gelasten een onderzoek te verrichten en daarover een rapport en advies uit te brengen. De rechtbank wil daarbij graag helder krijgen of de huidige zorgregeling in het belang is van [minderjarige 1] , of dat het nodig is om de zorgregeling te wijzigen. Verder vindt de rechtbank het belangrijk dat de Raad onderzoek doet naar eventuele hulp voor [minderjarige 1] , nu de ouders hier een andere visie op hebben. Het raadsonderzoek en het gemotiveerde raadsadvies moeten in ieder geval zien op de volgende concrete vragen van de rechtbank:
Is de huidige zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] , zo nee, hoe dient de zorgregeling er qua aard, duur en frequentie uit te zien?
Is hulpverlening voor [minderjarige 1] noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
De rechtbank gaat ervan uit dat de Raad, indien de Raad dat aangewezen acht, het onderzoek nader uitbreidt naar een beschermingsonderzoek.
Nu bij de ouders op dit moment onduidelijkheid bestaat over het overdrachtsmoment tijdens studiedagen en roostervrije dagen ziet de rechtbank aanleiding om (voorlopig) vast te stellen dat de overdrachtsmomenten conform de zorgregeling moeten plaatsvinden. De rechtbank zal bepalen dat het overdrachtsmoment om 08.30 uur zal plaatsvinden. Verder zal de rechtbank in afwachting van het raadsonderzoek (voorlopig) vaststellen dat [minderjarige 1] op de verjaardag van [minderjarige 2] bij de moeder is en op de verjaardag van [minderjarige 3] bij de vader is, nu beide ouders daarmee instemmen.
De rechtbank ziet aanleiding om de huidige zorgregeling verder in stand te laten, nu [minderjarige 1] aan deze regeling gewend is. De rechtbank zal dus geen (voorlopige) beslissing nemen op het verzoek van de moeder ten aanzien van de woensdagen en het verzoek van de vader over de verjaardag van [minderjarige 1] . De rechtbank zal iedere verdere beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het verzoek tot vervangende toestemming voor hulpverlening aanhouden tot 1 december 2026 pro forma, in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek. De rechtbank verwacht van de advocaten van de ouders dat zij zich ná ontvangst van het raadsrapport en raadsadvies uiterlijk binnen veertien dagen uitlaten over het raadsrapport met raadsadvies en over het gewenste verdere verloop van de procedure, waarna de rechtbank zal beslissen over de voortgang van de procedure.
KinderalimentatieJuridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:401 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Ontvankelijkheid
De rechtbank constateert dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu de zorgregeling na de vaststelling van de kinderalimentatie is verruimd en beide ouders met hun huidige partner een kind hebben gekregen. De rechtbank zal partijen ontvangen in hun verzoeken en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de alimentatie.
Inhoudelijke beoordeling
Ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum vaststellen. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (wijziging van de) alimentatieverplichting. De rechtbank kan een bijdrage vaststellen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan. Dit geldt in het bijzonder indien een eerdere ingangsdatum ingrijpende gevolgen heeft voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode is betaald. De rechtbank acht het aannemelijk dat de door de moeder ontvangen kinderalimentatie ondertussen volledig is uitgegeven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot een (eventuele) terugbetalingsplicht van de te veel betaalde alimentatie. De ingangsdatum van de eventueel te wijzigen alimentatie zal worden bepaald op de oorspronkelijke beschikkingsdatum, te weten 24 juni 2026.
Samenloop
Er is sprake van samenloop van onderhoudsverplichtingen. De ouders zijn beiden onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] . De moeder is daarnaast onderhoudsplichtig voor [minderjarige 2] , samen met haar huidige partner. De vader is naast [minderjarige 1] onderhoudsplichtig voor [minderjarige 3] , samen met zijn huidige partner.
Bij een samenloop moet de rechtbank beoordelen of de ouders in staat is om aan al hun onderhoudsverplichtingen te voldoen. Er bestaan verschillende methodes om de draagkracht bij samengestelde gezinnen te berekenen. De rechtbank zal de zuivere draagkracht van de vader en de moeder per gezin berekenen, in plaats van de afgeleide draagkracht op basis van de kinderen waarvoor zij beiden onderhoudsplichtig zijn. Dit wordt ook wel de ‘verhoudingenmethode’ genoemd. Voor zover de vader of de moeder een tekort heeft om in het totaal van de aandelen van de kinderen te kunnen voorzien, wordt dit naar rato van dit tekort over de aandelen omgeslagen.
Behoefte
Behoefte [minderjarige 1]
De ouders zijn het eens over de behoefte van [minderjarige 1] van € 169,- per maand in 2020, die na indexering afgerond € 217,- bedraagt in 2026.
Behoefte [minderjarige 2]
Bij de bepaling van het aandeel van de moeder ten aanzien van [minderjarige 2] moet ook rekening worden gehouden met het feit dat de huidige partner van de moeder gehouden is om naar rato van draagkracht in die kosten bij te dragen. De rechtbank zal zodoende eerst een behoefteberekening maken.
De rechtbank gaat bij de moeder uit van een bruto jaarinkomen van € 15.720,-, zoals volgt uit haar jaaropgaaf 2024. De rechtbank houdt verder rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de moeder op € 1.267,-.
Bij de berekening van het NBI van de partner van de moeder gaat de rechtbank uit van een jaarinkomen van € 29.007,- bruto in 2024, zoals blijkt uit zijn twee jaaropgaves (€ 6.591,- + € 22.416,-). Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank zijn NBI op € 2.244,- per maand.
Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedraagt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de moeder en haar partner in 2024, inclusief kindgebonden budget, € 3.678,- per maand. Gelet op het NBGI bedraagt de behoefte van [minderjarige 2] € 493,- per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt haar behoefte € 549,- per maand.
Behoefte [minderjarige 3]
Voor [minderjarige 3] geldt hetzelfde als voor [minderjarige 2] . De rechtbank zal daarom ook de behoefte van [minderjarige 3] berekenen.
De rechtbank houdt bij de vader rekening met een inkomen van € 2.858,- per maand in 2026. De rechtbank neemt hierbij het gemiddelde inkomen van de salarisspecificaties van januari, februari en maart 2026 in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de vader rekening te houden met tijdelijke afwijkingen in het uitbetaalde salaris, zoals ouderschapsverlof, nu die niet structureel van aard zijn. Voor de berekening wordt zodoende uitgegaan van het reguliere inkomen van de vader. De rechtbank houdt verder rekening met 8% vakantietoeslag, de WIA-werknemersverzekering van afgerond € 6,- per maand, een pensioenpremie van afgerond € 188,- per maand, de gedifferentieerde WGA-premie van afgerond € 10,- per maand en een bijdrage voor de personeelsvereniging van € 8,- per maand. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De rechtbank berekent het NBI van de vader op € 2.786,-.
Bij de berekening van het NBI van de partner van de vader gaat de rechtbank uit van een arbeidsinkomen van € 4.108,- bruto per maand in 2026, zoals blijkt uit haar salarisspecificaties van maart, april en mei 2026. Daarnaast heeft de partner van de vader recht op een Individueel Keuze Budget (IKB), dat neerkomt op een bedrag van afgerond € 700,- bruto per maand. De rechtbank houdt verder rekening met een premie AOP van afgerond € 8,- per maand, een pensioenpremie van afgerond € 275,- per maand en een bijdrage voor de personeelsvereniging van € 3,- per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank haar NBI op € 3.438,- per maand in 2026.
Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedraagt het NBGI van de vader en haar partner € 6.224,- per maand in 2026. Gelet op het NBGI bedraagt de behoefte van [minderjarige 3] € 834,- per maand in 2026.
Draagkracht
Draagkracht vader
De rechtbank neemt voor de berekening van de draagkracht van de vader de financiële gegevens die bij de behoefteberekening van [minderjarige 3] zijn gebruikt in aanmerking. Daaruit volgt een NBI van € 2.786,-. Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan € 410,- per maand.
Draagkracht moeder
Bij de berekening van het NBI moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van afgerond € 1.509,- bruto per maand in 2026, zoals blijkt uit haar salarisspecificaties van februari, maart en april 2026. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de door de moeder te ontvangen onregelmatigheidstoeslag (ORT) van afgerond € 613,- gebaseerd op het gemiddelde van voornoemde maanden, en met een vakantietoeslag van 8%. De rechtbank houdt verder rekening met een pensioenpremie van afgerond € 203,- per maand, gebaseerd op het gemiddelde van voornoemde maanden, en een premie WGA van afgerond € 6,-. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en kindgebonden budget berekent de rechtbank haar NBI op € 2.368,- per maand in 2026. De rechtbank zal voor de berekening van haar draagkracht ook de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan € 205,- per maand.
Draagkracht partner vader
De rechtbank neemt voor de berekening van de draagkracht van de partner van de vader de financiële gegevens die bij de behoefteberekening van [minderjarige 3] zijn gebruikt in aanmerking, daaruit volgt een NBI van € 3.438,-. De rechtbank zal voor de berekening van haar draagkracht wederom de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de partner van de vader bedraagt dan € 729,- per maand.
Draagkracht partner moeder
Voor de draagkrachtberekening van de partner van de moeder gaat de rechtbank uit van een bruto arbeidsinkomen van afgerond € 2.660,- per maand in 2026, zoals blijkt uit zijn salarisspecificaties van februari, maart en april 2026. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de door de partner van de moeder te ontvangen ORT van afgerond € 462,- gebaseerd op het gemiddelde van voornoemde maanden, en met een vakantietoeslag van 8%. De rechtbank houdt verder rekening met een pensioenpremie van afgerond € 301,- per maand en een premie WGA van € 25,- per maand, ook gebaseerd op het gemiddelde van voornoemde maanden. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank zijn NBI op € 2.629,- per maand in 2026. De rechtbank zal voor de berekening van zijn draagkracht ook de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de partner van de moeder bedraagt dan € 332,- per maand. Verdeling van de kosten
De rechtbank zal – zoals hierboven is overwogen – een draagkrachtvergelijking maken met de ‘zuivere’ draagkracht van de ouders, om zo ieders aandeel te bepalen. De rechtbank hanteert deze methode omdat het redelijk is dat de financiële verantwoordelijkheid voor een kind met name komt te liggen bij de ouders van het desbetreffende kind.
De rechtbank zal de volgende formule gebruiken: (draagkracht ouder / totale draagkracht moeder en vader) x behoefte van het kind.
Aandeel vader en moeder voor [minderjarige 1]
aandeel vader: (410 / 615) x 217 = 145
aandeel moeder: (205 / 615) x 217 = 72
samen: 217
Aandeel moeder en partner moeder voor [minderjarige 2]
aandeel moeder: (205 / 537) x 549 = 210
aandeel partner moeder: (332 / 537) x 549 = 339
samen: 549
Aandeel vader en partner vader voor [minderjarige 3]
aandeel vader: (410 / 1.139) x 834 = 300
aandeel partner vader: (729 / 1.139) x 834 = 534
samen: 834
De vader moet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 3] respectievelijk bijdragen met € 145,- + € 300,- = € 445,- per maand. Daartoe is de vader financieel niet in staat, want zijn draagkracht is € 410,- per maand. Dat is onvoldoende om in zijn onderhoudsverplichtingen te voorzien. Dit tekort aan draagkracht zal naar rato over de hiervoor berekende aandelen worden berekend. De vader kan slechts € 410,- van de benodigde € 445,- betalen, percentueel is dit afgerond 92% ((€ 410,- / € 445,-) x 100). Voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 3] is daarom 92% van het aandeel van de vader beschikbaar. Voor [minderjarige 1] bedraagt 92% van het benodigde aandeel afgerond € 133,- per maand (92% van € 145,-). Voor [minderjarige 3] bedraagt 92% van het benodigde aandeel afgerond € 276,- per maand (92% van € 300,-).
De moeder moet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] respectievelijk bijdragen met € 72,- + € 210,- = € 282,- per maand. Daartoe is de moeder financieel niet in staat, want haar draagkracht is € 96,- per maand. Dat is onvoldoende om in haar onderhoudsverplichtingen te voorzien. Ook ten aanzien van de moeder zal dit tekort aan draagkracht naar rato over de hiervoor berekende aandelen worden berekend. De moeder kan € 96,- van de benodigde € 282,- betalen, percentueel is dit afgerond 34% ((€ 96,- / € 282,-) x 100). Voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] is daarom 34% van het aandeel van de moeder beschikbaar. Voor [minderjarige 1] bedraagt 34% van het benodigde aandeel afgerond € 24,- per maand (34% van € 72,-). Voor [minderjarige 2] bedraagt 34% van het benodigde aandeel afgerond € 71,- per maand (34% van € 210,-).
Zorgkorting
De ouders zijn het erover eens dat de zorgkorting 35% is. De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel (0,35 x € 217,- =) afgerond € 76,-.
Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de vader vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van de ouders onvoldoende is om in de behoefte van het kind te voorzien. Als er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting.
De vader heeft € 145,- per maand beschikbaar voor [minderjarige 1] . De moeder heeft € 24,- per maand beschikbaar voor [minderjarige 1] . Hun gezamenlijke draagkracht voor [minderjarige 1] is daarom € 169,- per maand. De behoefte van [minderjarige 1] is € 217,- per maand, waardoor er een tekort is van € 48,- per maand. De helft van dit tekort, te weten € 24,- per maand, komt in mindering op de zorgkorting van de vader. De vader kan dus nog € 52,- per maand aan zorgkorting ‘verzilveren’ (€ 76,- – € 24,-). Dat betekent dat de bijdrage van de vader in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (€ 145,- – € 52,- = ) € 93,- per maand bedraagt.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de vader aan de moeder, met ingang van 24 juni 2026, een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] moet voldoen van € 93,- per maand, zoals volgt uit de door de rechtbank opgemaakte alimentatieberekening. Dat de vader zelf een hoger bedrag heeft verzocht doet daar niet aan af. De rechtbank heeft – anders dan de vader – immers rekening gehouden met beide samengestelde gezinnen.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking zal geven, zal de rechtbank het verzoek aangaande de proceskosten ook aanhouden.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 1 maart 2023 en 22 januari 2024 – :
*
stelt voorlopig vast dat het overdrachtsmoment tijdens studiedagen en roostervrije dagen in de even weken om 08.30 uur plaatsvindt;
* stelt voorlopig vast dat [minderjarige 1] op de verjaardag van [minderjarige 2] bij de moeder is en op de verjaardag van [minderjarige 3] bij de vader is, op de dagen dat [minderjarige 1] geen school heeft van 14:30 uur tot 19:00 uur en in het geval [minderjarige 1] die dag wel school heeft, vanuit school tot 19:00 uur;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met de hiervoor omschreven doelen en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
uiterlijk op de na te noemen pro formadatum moet de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn raadsrapport met raadsadvies hebben uitgebracht aan de rechtbank, met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de advocaten van de ouders zich ná ontvangst van het raadsrapport en raadsadvies binnen veertien dagen moeten uitlaten over het raadsrapport met raadsadvies en het gewenste verdere verloop van de procedure;
bepaalt dat de behandeling van de procedure, na ontvangst van het raadsrapport en raadsadvies, voor zover nodig zal worden voortgezet op een nader door de rechtbank te bepalen wijze;
* bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 24 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] van € 93,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, het verzoek tot vervangende toestemming voor de hulpverlening, de definitieve vaststelling van de kinderalimentatie en de proceskosten aan tot 1 december 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3295
Zaaknummer: C/09/684584
Datum beschikking: 2 juli 2026
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie
Beschikking op het op 2 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Burger te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.B. Janssens te Oudewater.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift van 2 mei 2025, van de vader;
het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek van 6 juni 2025, van de moeder;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van 1 augustus 2025, van de vader;
- het F9-formulier met bijlagen van 28 april 2026, van de moeder;
- het aanvullend verzoekschrift van 4 mei 2026, van de vader.
Op 13 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
[naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het F9-formulier met bijlagen, ingekomen op 13 mei 2026, van de moeder;
- het F9-formulier met bijlagen, ingekomen op 18 mei 2026, van de vader.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] .
De moeder is ook de moeder van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats] .
De vader is ook de vader van [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2026 te [geboorteplaats] .
[minderjarige 1] staat ingeschreven op het BRP-adres van de moeder.
Bij beschikking van 1 maart 2023 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald dat aan de vader en de moeder het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] zal toekomen en dat de vader aan de moeder met ingang van 1 mei 2022 een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] van € 215,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Bij beschikking van 22 januari 2024 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald dat:
- vanaf 1 mei 2024 [minderjarige 1] in de even weken van woensdag 12.00 uur tot vrijdag naar school en in de oneven weken van woensdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader is;
- bij studiedagen/roostervrije dagen de reguliere zorgregeling wordt aangehouden en [minderjarige 1] dus niet de hele dag bij de vader is op die dagen, maar bij hem is volgens de tijden van de reguliere zorgregeling.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt – na aanvulling – :
met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 1 maart 2023 te bepalen dat de vader aan de moeder, met ingang van 1 maart 2025, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] van € 124,- per maand zal betalen, althans een bijdrage die de rechtbank juist acht;
te bepalen dat moeder het teveel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie over de periode van 1 maart 2025 tot de datum van de door de rechtbank te geven beschikking dient terug te betalen aan de vader;
met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2024 de huidige zorgregeling aan te vullen, in die zin dat [minderjarige 1] :
- in de oneven jaren van 20 september om 14.30 uur tot en met 21 september voor school of om 12.00 uur indien het een weekenddag c.q. vrije dag betreft bij de vader verblijft;
- jaarlijks op [dag 1] , de verjaardag van [minderjarige 3] , het halfzusje van [minderjarige 1] , bij de vader verblijft van 14:30 uur tot 19:00 uur;
- aan de vader vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] aan te melden bij [hulpverlener] en de daar geadviseerde hulpverlening in te zetten,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, in die zin dat de moeder verzoekt om:
primair: de vader niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans hem deze als zijnde ongegrond te ontzeggen;
subsidiair: ten aanzien van het verzoek wijziging kinderalimentatie: de wijziging van de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te bepalen op een niet lager bedrag dan € 173,- per maand, met ingang van de datum van de beschikking, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van een datum die de rechtbank juist acht.
Tevens verzoekt de moeder – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2024 – :
dat [minderjarige 1] bij de vader is: in de even weken van donderdag uit school tot vrijdag naar school, en in de oneven weken van woensdag uit school tot zondag 19.00 uur;
de huidige vakantieregeling aan te vullen, in die zin dat tijdens studiedagen/roostervrije dagen de reguliere zorgregeling wordt aangehouden, dus dat vanaf het tijdstip op de donderdag (even weken) of op de woensdag (oneven weken) [minderjarige 1] volgens de tijden van de reguliere zorgregeling ‘uit school’ is;
de huidige zorgregeling aan te vullen, in die zin dat [minderjarige 1] jaarlijks op [dag 2] , op de verjaardag van [minderjarige 2] , het halfzusje van [minderjarige 1] , bij de moeder is van 12.00 uur tot 19.00 uur,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
Beoordeling
Zorgregeling en vervangende toestemming hulpverlening
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen op verzoek van de ouder(s) geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van één van hen op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) samen met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Ontvankelijkheid verzoek wijziging zorgregeling Het lukt de ouders niet om uitvoering te geven aan de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Ook hebben beide ouders een kind gekregen met hun nieuwe partner, waarbij beide ouders het belangrijk vinden dat [minderjarige 1] aanwezig is op de verjaardagen van haar (half)zusjes, waardoor een wijziging noodzakelijk is. De rechtbank zal de ouders daarom ontvangen in hun verzoeken.
Standpunten ouders De moeder wil dat de huidige zorgregeling ten aanzien van de woensdagen wordt aangepast. [minderjarige 1] is nooit bij de moeder op de woensdagmiddag en -avond, terwijl [minderjarige 1] inmiddels een leeftijd heeft bereikt waarbij het voor haar belangrijk wordt om uit school te kunnen afspreken met kinderen van school en uit de buurt. De moeder verzoekt daarom om de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat [minderjarige 1] in de even weken op woensdag bij de moeder verblijft, waarna zij op donderdag uit school naar de vader gaat. De vader kan zich niet vinden in het verzoek van de moeder en stelt zich op het standpunt dat sprake is van een structurele en stabiele regeling waarin beide ouders een gelijke rol spelen en waar [minderjarige 1] inmiddels aan gewend is. Daarnaast verblijft [minderjarige 1] eens in de twee weken al een extra nacht bij de moeder. Toewijzing van het verzoek van de moeder heeft tot gevolg dat de vader en [minderjarige 1] minder tijd met elkaar kunnen spenderen.
Daarnaast bestaat tussen de ouders discussie over het tijdstip van ophalen van [minderjarige 1] door de vader op studiedagen en roostervrije dagen, nu er geen tijdstippen zijn vastgesteld door de rechtbank.
Verder zijn de ouders het niet eens over de verdeling van de verjaardag van [minderjarige 1] . De vader wil dat wordt vastgesteld dat [minderjarige 1] op haar verjaardag het ene jaar bij de ene ouder is en het andere jaar bij de andere ouder. De moeder kan zich daar niet in vinden, omdat – in jaren dat haar verjaardag op een doordeweekse (school)dag valt – de verjaardag toch niet zal worden gevierd op een doordeweekse dag. Daarnaast valt een verjaardag jaarlijks op een andere weekdag, waardoor de verjaardag afwisselend binnen de zorgregeling van beide ouders zal vallen. Ten aanzien van de verjaardagen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn de ouders het erover eens dat [minderjarige 1] op de verjaardag van [minderjarige 2] bij de moeder is en op de verjaardag van [minderjarige 3] bij de vader.
Ook ten aanzien van eventuele hulp voor [minderjarige 1] verschillen de ouders van mening. De vader vindt het van groot belang dat [minderjarige 1] hulp krijgt, gelet op de impactvolle gebeurtenissen in het verleden, waaronder de scheiding van de ouders en het politieonderzoek vanwege de beschuldigingen van [minderjarige 1] richting de partner van de moeder van seksueel overschrijdende handelingen. De vader vindt het daarom belangrijk dat [minderjarige 1] met iemand kan praten. De moeder ziet geen aanleiding voor hulp voor [minderjarige 1] , omdat de problematiek niet bij [minderjarige 1] ligt maar bij de ouders. Het is volgens haar de vraag of hulp zinvol is, of dat [minderjarige 1] hiermee juist wordt belast. De moeder vindt het belangrijk dat de Raad een onderzoek verricht naar de vraag of [minderjarige 1] hulp nodig heeft en zo ja, welke hulp. Daarnaast maakt de moeder zich zorgen over de thuissituatie van de vader, waar volgens haar sprake is van agressie binnen het gezin. Hier moet de Raad tijdens het onderzoek ook aandacht aan besteden. De vader is van mening dat er beter een duidelijke beslissing van de rechtbank kan komen dan een raadsonderzoek, omdat een raadsonderzoek maanden in beslag neemt.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank merkt op dat bij beschikking van 22 januari 2024 een duidelijke zorgregeling is vastgesteld, maar dat het de ouders niet lukt om hier zonder discussies uitvoering aan te geven. De ouders zijn niet in staat om op een constructieve manier met elkaar te communiceren en zij hebben een andere visie op wat in het belang is van [minderjarige 1] . De ouders lijken te blijven hangen in hun onderlinge strijd. De rechtbank maakt zich dan ook zorgen om [minderjarige 1] , vooral omdat [minderjarige 1] belast lijkt te worden met de problematiek van de ouders over de uitvoering van de zorgregeling. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om, conform het advies van de raadsvertegenwoordiger, de Raad te gelasten een onderzoek te verrichten en daarover een rapport en advies uit te brengen. De rechtbank wil daarbij graag helder krijgen of de huidige zorgregeling in het belang is van [minderjarige 1] , of dat het nodig is om de zorgregeling te wijzigen. Verder vindt de rechtbank het belangrijk dat de Raad onderzoek doet naar eventuele hulp voor [minderjarige 1] , nu de ouders hier een andere visie op hebben. Het raadsonderzoek en het gemotiveerde raadsadvies moeten in ieder geval zien op de volgende concrete vragen van de rechtbank:
Is de huidige zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] , zo nee, hoe dient de zorgregeling er qua aard, duur en frequentie uit te zien?
Is hulpverlening voor [minderjarige 1] noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
De rechtbank gaat ervan uit dat de Raad, indien de Raad dat aangewezen acht, het onderzoek nader uitbreidt naar een beschermingsonderzoek.
Nu bij de ouders op dit moment onduidelijkheid bestaat over het overdrachtsmoment tijdens studiedagen en roostervrije dagen ziet de rechtbank aanleiding om (voorlopig) vast te stellen dat de overdrachtsmomenten conform de zorgregeling moeten plaatsvinden. De rechtbank zal bepalen dat het overdrachtsmoment om 08.30 uur zal plaatsvinden. Verder zal de rechtbank in afwachting van het raadsonderzoek (voorlopig) vaststellen dat [minderjarige 1] op de verjaardag van [minderjarige 2] bij de moeder is en op de verjaardag van [minderjarige 3] bij de vader is, nu beide ouders daarmee instemmen.
De rechtbank ziet aanleiding om de huidige zorgregeling verder in stand te laten, nu [minderjarige 1] aan deze regeling gewend is. De rechtbank zal dus geen (voorlopige) beslissing nemen op het verzoek van de moeder ten aanzien van de woensdagen en het verzoek van de vader over de verjaardag van [minderjarige 1] . De rechtbank zal iedere verdere beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het verzoek tot vervangende toestemming voor hulpverlening aanhouden tot 1 december 2026 pro forma, in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek. De rechtbank verwacht van de advocaten van de ouders dat zij zich ná ontvangst van het raadsrapport en raadsadvies uiterlijk binnen veertien dagen uitlaten over het raadsrapport met raadsadvies en over het gewenste verdere verloop van de procedure, waarna de rechtbank zal beslissen over de voortgang van de procedure.
KinderalimentatieJuridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:401 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Ontvankelijkheid
De rechtbank constateert dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu de zorgregeling na de vaststelling van de kinderalimentatie is verruimd en beide ouders met hun huidige partner een kind hebben gekregen. De rechtbank zal partijen ontvangen in hun verzoeken en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de alimentatie.
Inhoudelijke beoordeling
Ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum vaststellen. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (wijziging van de) alimentatieverplichting. De rechtbank kan een bijdrage vaststellen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan. Dit geldt in het bijzonder indien een eerdere ingangsdatum ingrijpende gevolgen heeft voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode is betaald. De rechtbank acht het aannemelijk dat de door de moeder ontvangen kinderalimentatie ondertussen volledig is uitgegeven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot een (eventuele) terugbetalingsplicht van de te veel betaalde alimentatie. De ingangsdatum van de eventueel te wijzigen alimentatie zal worden bepaald op de oorspronkelijke beschikkingsdatum, te weten 24 juni 2026.
Samenloop
Er is sprake van samenloop van onderhoudsverplichtingen. De ouders zijn beiden onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] . De moeder is daarnaast onderhoudsplichtig voor [minderjarige 2] , samen met haar huidige partner. De vader is naast [minderjarige 1] onderhoudsplichtig voor [minderjarige 3] , samen met zijn huidige partner.
Bij een samenloop moet de rechtbank beoordelen of de ouders in staat is om aan al hun onderhoudsverplichtingen te voldoen. Er bestaan verschillende methodes om de draagkracht bij samengestelde gezinnen te berekenen. De rechtbank zal de zuivere draagkracht van de vader en de moeder per gezin berekenen, in plaats van de afgeleide draagkracht op basis van de kinderen waarvoor zij beiden onderhoudsplichtig zijn. Dit wordt ook wel de ‘verhoudingenmethode’ genoemd. Voor zover de vader of de moeder een tekort heeft om in het totaal van de aandelen van de kinderen te kunnen voorzien, wordt dit naar rato van dit tekort over de aandelen omgeslagen.
Behoefte
Behoefte [minderjarige 1]
De ouders zijn het eens over de behoefte van [minderjarige 1] van € 169,- per maand in 2020, die na indexering afgerond € 217,- bedraagt in 2026.
Behoefte [minderjarige 2]
Bij de bepaling van het aandeel van de moeder ten aanzien van [minderjarige 2] moet ook rekening worden gehouden met het feit dat de huidige partner van de moeder gehouden is om naar rato van draagkracht in die kosten bij te dragen. De rechtbank zal zodoende eerst een behoefteberekening maken.
De rechtbank gaat bij de moeder uit van een bruto jaarinkomen van € 15.720,-, zoals volgt uit haar jaaropgaaf 2024. De rechtbank houdt verder rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de moeder op € 1.267,-.
Bij de berekening van het NBI van de partner van de moeder gaat de rechtbank uit van een jaarinkomen van € 29.007,- bruto in 2024, zoals blijkt uit zijn twee jaaropgaves (€ 6.591,- + € 22.416,-). Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank zijn NBI op € 2.244,- per maand.
Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedraagt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de moeder en haar partner in 2024, inclusief kindgebonden budget, € 3.678,- per maand. Gelet op het NBGI bedraagt de behoefte van [minderjarige 2] € 493,- per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt haar behoefte € 549,- per maand.
Behoefte [minderjarige 3]
Voor [minderjarige 3] geldt hetzelfde als voor [minderjarige 2] . De rechtbank zal daarom ook de behoefte van [minderjarige 3] berekenen.
De rechtbank houdt bij de vader rekening met een inkomen van € 2.858,- per maand in 2026. De rechtbank neemt hierbij het gemiddelde inkomen van de salarisspecificaties van januari, februari en maart 2026 in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de vader rekening te houden met tijdelijke afwijkingen in het uitbetaalde salaris, zoals ouderschapsverlof, nu die niet structureel van aard zijn. Voor de berekening wordt zodoende uitgegaan van het reguliere inkomen van de vader. De rechtbank houdt verder rekening met 8% vakantietoeslag, de WIA-werknemersverzekering van afgerond € 6,- per maand, een pensioenpremie van afgerond € 188,- per maand, de gedifferentieerde WGA-premie van afgerond € 10,- per maand en een bijdrage voor de personeelsvereniging van € 8,- per maand. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De rechtbank berekent het NBI van de vader op € 2.786,-.
Bij de berekening van het NBI van de partner van de vader gaat de rechtbank uit van een arbeidsinkomen van € 4.108,- bruto per maand in 2026, zoals blijkt uit haar salarisspecificaties van maart, april en mei 2026. Daarnaast heeft de partner van de vader recht op een Individueel Keuze Budget (IKB), dat neerkomt op een bedrag van afgerond € 700,- bruto per maand. De rechtbank houdt verder rekening met een premie AOP van afgerond € 8,- per maand, een pensioenpremie van afgerond € 275,- per maand en een bijdrage voor de personeelsvereniging van € 3,- per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank haar NBI op € 3.438,- per maand in 2026.
Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedraagt het NBGI van de vader en haar partner € 6.224,- per maand in 2026. Gelet op het NBGI bedraagt de behoefte van [minderjarige 3] € 834,- per maand in 2026.
Draagkracht
Draagkracht vader
De rechtbank neemt voor de berekening van de draagkracht van de vader de financiële gegevens die bij de behoefteberekening van [minderjarige 3] zijn gebruikt in aanmerking. Daaruit volgt een NBI van € 2.786,-. Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan € 410,- per maand.
Draagkracht moeder
Bij de berekening van het NBI moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van afgerond € 1.509,- bruto per maand in 2026, zoals blijkt uit haar salarisspecificaties van februari, maart en april 2026. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de door de moeder te ontvangen onregelmatigheidstoeslag (ORT) van afgerond € 613,- gebaseerd op het gemiddelde van voornoemde maanden, en met een vakantietoeslag van 8%. De rechtbank houdt verder rekening met een pensioenpremie van afgerond € 203,- per maand, gebaseerd op het gemiddelde van voornoemde maanden, en een premie WGA van afgerond € 6,-. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en kindgebonden budget berekent de rechtbank haar NBI op € 2.368,- per maand in 2026. De rechtbank zal voor de berekening van haar draagkracht ook de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan € 205,- per maand.
Draagkracht partner vader
De rechtbank neemt voor de berekening van de draagkracht van de partner van de vader de financiële gegevens die bij de behoefteberekening van [minderjarige 3] zijn gebruikt in aanmerking, daaruit volgt een NBI van € 3.438,-. De rechtbank zal voor de berekening van haar draagkracht wederom de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de partner van de vader bedraagt dan € 729,- per maand.
Draagkracht partner moeder
Voor de draagkrachtberekening van de partner van de moeder gaat de rechtbank uit van een bruto arbeidsinkomen van afgerond € 2.660,- per maand in 2026, zoals blijkt uit zijn salarisspecificaties van februari, maart en april 2026. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de door de partner van de moeder te ontvangen ORT van afgerond € 462,- gebaseerd op het gemiddelde van voornoemde maanden, en met een vakantietoeslag van 8%. De rechtbank houdt verder rekening met een pensioenpremie van afgerond € 301,- per maand en een premie WGA van € 25,- per maand, ook gebaseerd op het gemiddelde van voornoemde maanden. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank zijn NBI op € 2.629,- per maand in 2026. De rechtbank zal voor de berekening van zijn draagkracht ook de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de partner van de moeder bedraagt dan € 332,- per maand. Verdeling van de kosten
De rechtbank zal – zoals hierboven is overwogen – een draagkrachtvergelijking maken met de ‘zuivere’ draagkracht van de ouders, om zo ieders aandeel te bepalen. De rechtbank hanteert deze methode omdat het redelijk is dat de financiële verantwoordelijkheid voor een kind met name komt te liggen bij de ouders van het desbetreffende kind.
De rechtbank zal de volgende formule gebruiken: (draagkracht ouder / totale draagkracht moeder en vader) x behoefte van het kind.
Aandeel vader en moeder voor [minderjarige 1]
aandeel vader: (410 / 615) x 217 = 145
aandeel moeder: (205 / 615) x 217 = 72
samen: 217
Aandeel moeder en partner moeder voor [minderjarige 2]
aandeel moeder: (205 / 537) x 549 = 210
aandeel partner moeder: (332 / 537) x 549 = 339
samen: 549
Aandeel vader en partner vader voor [minderjarige 3]
aandeel vader: (410 / 1.139) x 834 = 300
aandeel partner vader: (729 / 1.139) x 834 = 534
samen: 834
De vader moet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 3] respectievelijk bijdragen met € 145,- + € 300,- = € 445,- per maand. Daartoe is de vader financieel niet in staat, want zijn draagkracht is € 410,- per maand. Dat is onvoldoende om in zijn onderhoudsverplichtingen te voorzien. Dit tekort aan draagkracht zal naar rato over de hiervoor berekende aandelen worden berekend. De vader kan slechts € 410,- van de benodigde € 445,- betalen, percentueel is dit afgerond 92% ((€ 410,- / € 445,-) x 100). Voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 3] is daarom 92% van het aandeel van de vader beschikbaar. Voor [minderjarige 1] bedraagt 92% van het benodigde aandeel afgerond € 133,- per maand (92% van € 145,-). Voor [minderjarige 3] bedraagt 92% van het benodigde aandeel afgerond € 276,- per maand (92% van € 300,-).
De moeder moet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] respectievelijk bijdragen met € 72,- + € 210,- = € 282,- per maand. Daartoe is de moeder financieel niet in staat, want haar draagkracht is € 96,- per maand. Dat is onvoldoende om in haar onderhoudsverplichtingen te voorzien. Ook ten aanzien van de moeder zal dit tekort aan draagkracht naar rato over de hiervoor berekende aandelen worden berekend. De moeder kan € 96,- van de benodigde € 282,- betalen, percentueel is dit afgerond 34% ((€ 96,- / € 282,-) x 100). Voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] is daarom 34% van het aandeel van de moeder beschikbaar. Voor [minderjarige 1] bedraagt 34% van het benodigde aandeel afgerond € 24,- per maand (34% van € 72,-). Voor [minderjarige 2] bedraagt 34% van het benodigde aandeel afgerond € 71,- per maand (34% van € 210,-).
Zorgkorting
De ouders zijn het erover eens dat de zorgkorting 35% is. De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel (0,35 x € 217,- =) afgerond € 76,-.
Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de vader vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van de ouders onvoldoende is om in de behoefte van het kind te voorzien. Als er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting.
De vader heeft € 145,- per maand beschikbaar voor [minderjarige 1] . De moeder heeft € 24,- per maand beschikbaar voor [minderjarige 1] . Hun gezamenlijke draagkracht voor [minderjarige 1] is daarom € 169,- per maand. De behoefte van [minderjarige 1] is € 217,- per maand, waardoor er een tekort is van € 48,- per maand. De helft van dit tekort, te weten € 24,- per maand, komt in mindering op de zorgkorting van de vader. De vader kan dus nog € 52,- per maand aan zorgkorting ‘verzilveren’ (€ 76,- – € 24,-). Dat betekent dat de bijdrage van de vader in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (€ 145,- – € 52,- = ) € 93,- per maand bedraagt.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de vader aan de moeder, met ingang van 24 juni 2026, een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] moet voldoen van € 93,- per maand, zoals volgt uit de door de rechtbank opgemaakte alimentatieberekening. Dat de vader zelf een hoger bedrag heeft verzocht doet daar niet aan af. De rechtbank heeft – anders dan de vader – immers rekening gehouden met beide samengestelde gezinnen.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking zal geven, zal de rechtbank het verzoek aangaande de proceskosten ook aanhouden.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 1 maart 2023 en 22 januari 2024 – :
*
stelt voorlopig vast dat het overdrachtsmoment tijdens studiedagen en roostervrije dagen in de even weken om 08.30 uur plaatsvindt;
* stelt voorlopig vast dat [minderjarige 1] op de verjaardag van [minderjarige 2] bij de moeder is en op de verjaardag van [minderjarige 3] bij de vader is, op de dagen dat [minderjarige 1] geen school heeft van 14:30 uur tot 19:00 uur en in het geval [minderjarige 1] die dag wel school heeft, vanuit school tot 19:00 uur;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met de hiervoor omschreven doelen en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
uiterlijk op de na te noemen pro formadatum moet de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn raadsrapport met raadsadvies hebben uitgebracht aan de rechtbank, met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de advocaten van de ouders zich ná ontvangst van het raadsrapport en raadsadvies binnen veertien dagen moeten uitlaten over het raadsrapport met raadsadvies en het gewenste verdere verloop van de procedure;
bepaalt dat de behandeling van de procedure, na ontvangst van het raadsrapport en raadsadvies, voor zover nodig zal worden voortgezet op een nader door de rechtbank te bepalen wijze;
* bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 24 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] van € 93,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, het verzoek tot vervangende toestemming voor de hulpverlening, de definitieve vaststelling van de kinderalimentatie en de proceskosten aan tot 1 december 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2026.