Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21520

2026-07-02 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/704995 / FA RK 26-4717
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-02
Publicatiedatum
2026-08-02
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/09/704995 / FA RK 26-4717
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

klacht ex 10:7 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. beschikking Hoge Raad 27 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1004) klachtmogelijkheid is niet bedoeld voor het effectueren van een aanspraak op een in de zorgmachtiging genoemde vorm van verplichte zorg.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.088 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Team Jeugd- en Zorgrecht



Zaak-/rekestnummer: C/09/704995 / FA RK 26-4717
Datum beschikking: 2 juli 2026




Beslissing over klacht ex artikel 10:7 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)





Beschikking op het op 11 mei 2026 ingediende verzoekschrift van:





[verzoeker]
, geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
wonende te [woonplaats] en feitelijk verblijvende in [zorginstelling] in [plaats] ,
advocaat: mr. R.T. Schrama te Den Haag,
vertegenwoordigd door zijn vader [vader] en zijn moeder [moeder]
(hierna tezamen: de ouders).



Als belanghebbende wordt aangemerkt:
- zorgaanbieder [zorginstantie 1] (hierna: de zorgaanbieder).




Feiten en procesverloop
Verzoeker heeft op 13 oktober 2025 een klacht ingediend bij de klachtencommissie [zorginstantie 1] Patiënten, [regio] (hierna: de klachtencommissie).


Verzoeker heeft deze klacht aangevuld op 11 november 2025.



Sociaal-psychiatrisch-verpleegkundige [naam 1] , klinisch psycholoog [naam 2] en geneesheer-directeur [naam 3] hebben bij de klachtencommissie een verweerschrift, gedateerd 13 februari 2025 (de rechtbank begrijpt dat is bedoeld 13 februari 2026), ingediend.



De klacht is bij de klachtencommissie mondeling behandeld op de hoorzitting van 12 maart 2026.



De klachtencommissie heeft haar schriftelijk oordeel over de klacht op 29 april 2026 aan verzoeker en de zorgaanbieder verzonden.



Op 8 mei 2026 heeft de rechtbank een ambulante zorgmachtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 8 november 2026.



Verzoeker heeft bij de rechtbank op 11 mei 2026 een verzoekschrift, met bijlagen, ingediend ter verkrijging van een beslissing over de door hem bij de klachtencommissie ingediende klacht.



Op 11 juni 2026 is het verzoekschrift ter zitting van deze rechtbank, gehouden op locatie bij [zorginstelling] , behandeld door mr. T.E.F. Reijnders (in de hoedanigheid van rechter-commissaris). Daarbij zijn gehoord:

- verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;
- geneesheer-directeur [naam 3] ;
- psycholoog [naam 2] ;
- verpleegkundige [naam 4] ;
- de ouders.


Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt.



Omdat de rechtbank van oordeel was dat het onderzoek ter zitting onvolledig is geweest, heeft zij het onderzoek op 18 juni 2026 heropend. In de daarover aan partijen gestuurde beslissing zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uiterlijk 25 juni 2026 schriftelijk uit te laten over de mogelijke relevantie in deze procedure van de beschikking van de Hoge Raad van 27 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1004).



Namens verzoeker heeft mr. Schrama zich daar bij brief van 25 juni 2026 schriftelijk over uitgelaten.



De rechtbank heeft, zonder nadere zitting en met instemming van partijen, op 2 juli 2026 einduitspraak gedaan.



Op 2 juli 2026 kon door partijen telefonisch naar het dictum van die einduitspraak worden geïnformeerd. De schriftelijke uitwerking van de beslissing is vastgesteld op 23 juli 2026.




Verzoek
Volgens verzoeker is de zorgaanbieder in drie situaties tekortgeschoten in de nakoming van de in artikel 8:7 van de Wvggz neergelegde verplichting om binnen de grenzen van de zorgmachtiging zorg te verlenen die voldoet aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit, doelmatigheid en veiligheid.


De klacht valt uiteen in de vier hieronder aangeduide klachtonderdelen.




Situatie 11 juli 2025 (klachtonderdelen 1 en 2)

Op 11 juli 2025 heeft verzoeker een ernstige terugval in drugsgebruik en komt hij in nood te verkeren. De ouders bellen hierover eerst het VIP-team (team voor Vroege Interventie Psychose), maar tegen ouders wordt dan gezegd dat het voor contactpersonen niet mogelijk is om een medewerker van het VIP-team te spreken. Het VIP-team verwijst hen vervolgens door naar het IBT-team (team Intensieve Behandeling Thuis). Het IBT-team geeft ouders dan de informatie dat verzoeker zijn medicatie al twee weken niet meer inneemt en ook niet is gekomen naar de behandelafspraak op 11 juli 2025 bij ADB (Acute Deeltijdbehandeling). Als de ouders proberen verzoeker medicatie in te laten nemen, reageert hij agressief en probeert hij uit het raam te springen. Ouders bellen hierop de hulpdiensten via alarmnummer 112, waarna verzoeker nog diezelfde avond acuut wordt opgenomen bij de SEHP (Spoedeisende Hulp Psychiatrie).



Verzoeker stelt dat de zorgaanbieder in deze situatie (ingevolge artikel 8:7 van de Wvggz) had moeten overgaan tot het toepassen van verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie. Het was immers bij de zorgaanbieder bekend dat verzoeker al twee weken geen medicatie meer gebruikte. De zorgaanbieder heeft hierin een verkeerde inschatting gemaakt, waarna het vreselijk misgegaan is.



Verzoeker stelt ook dat de zorgaanbieder de ouders ten onrechte niet te woord heeft willen staan toen zij het VIP-nummer belden, zoals ook door de klachtcommissie is geconstateerd.
Verzoeker vraagt de rechtbank de klacht gegrond te verklaren voor zover die is gericht tegen het ten onrechte niet in behandeling nemen van de noodoproep bij het VIP-team (klachtonderdeel 1) en voor zover die is gericht tegen het hem ten onrechte niet verlenen van verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie (klachtonderdeel 2).




Situatie 4 september 2025 (klachtonderdeel 3)

Op 2 september 2025 is er een ZAG (zorgafstemmingsgesprek) bij de gesloten detox-afdeling van [zorginstantie 2] . In dit ZAG geeft verzoeker aan dat hij nog niet toe is aan ontslag. Verzoeker heeft zijn detox-behandeling weliswaar afgerond, maar zonder stabiele vervolgplek ligt drugsgebruik op de loer en is hij een gevaar voor zichzelf en voor anderen. Verzoeker is bang voor een terugval in drugsgebruik en/of het nemen van een overdosis. Tegen zijn wens in moet hij toch op 4 september 2025 met ontslag. Verzoeker wordt na zijn ontslag naar de daklozenopvang (de nachtopvang van [instantie] ) gestuurd, maar gaat zwerven en vervalt opnieuw in drugsgebruik. Vervolgens informeert de politie ouders dat verzoeker al op 6 september 2025 onder invloed van drugs op straat is aangetroffen en toen door de ambulance naar het SEHP is overgebracht.



Verzoeker stelt dat de zorgaanbieder had moeten inzien dat het verlenen van ontslag op 4 september 2025 niet veilig en verantwoord was. Verzoeker vraagt de rechtbank dan ook de klacht tegen de beslissing om hem ontslag te verlenen gegrond te verklaren.




Situatie 9 november 2025 (klachtonderdeel 4)

Op 9 november 2025 verblijft verzoeker op de gesloten afdeling KCAP. Hij heeft (wegens wangedrag op de afdeling) geen zelfstandige vrijheden en mag dus niet zonder begeleiding naar buiten. Op 9 november 2025 is het hem kennelijk toch toegestaan om zelfstandig te gaan wandelen, waarvan hij niet terugkeert. Verzoeker wordt door [zorginstantie 1] bij de politie opgegeven als vermist en meldt zich pas op 11 november 2025 weer bij het KCAP.



Verzoeker stelt dat sprake is van een motiveringsgebrek van de beslissing die is
genomen. Verzoeker vraagt de rechtbank de klacht in zoverre alsnog gegrond te verklaren.




Schriftelijk standpunt verzoeker naar aanleiding van heropening onderzoek

Verzoeker meent dat de klachten binnen de reikwijdte van artikel 10:3 van de Wvggz vallen. Het gaat om klachten die zien op de wijze waarop de zorgaanbieder de zorgmachtiging heeft uitgevoerd, en niet op het afdwingen van een (toekomstige) aanspraak op verplichte zorg. Daarbij komt dat de feitelijke context van onderhavige klachten wezenlijk verschilt van de feitelijke context van de klachten die hebben geleid tot de beschikking van de Hoge Raad van 27 juni 2025.




Standpunt zorgaanbieder
De zorgaanbieder benadrukt dat het behandelbeleid voortdurend is getoetst aan de kernprincipes van de Wvggz. Verplichte zorg is altijd een uiterste redmiddel (ultimum remedium) dat pas wordt ingezet als alle mogelijkheden van vrijwillige zorg zijn uitgeput. Bij wilsbekwaamheid wegen de wensen en voorkeuren zoveel mogelijk mee. De inzet van verplichte zorg wordt ook steeds gelegd langs de maatstaven van veiligheid, doelmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit.


De naasten worden zoveel mogelijk bij het behandelbeleid betrokken. Maar de zorgaanbieder heeft tijdens het verlenen van zorg ook rekening te houden met de privacy en de medische gegevens van de patiënt.
Na de meest recent gestelde diagnoses, te weten een borderlinepersoonlijkheidsstoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis is Dialectische Gedragstherapie (DGT) de geadviseerde behandelvorm. DGT gebeurt op vrijwillige basis en vraagt om motivatie en commitment van de patiënt. De behandelaren zijn hierover met verzoeker en zijn naasten in gesprek met als doel om tot een gezamenlijk gedragen behandelbeleid te komen.




Beoordeling


Tijdigheid verzoek

De rechtbank stelt allereerst vast dat het verzoekschrift tijdig binnen de in artikel 10:7, tweede lid van de Wvggz gestelde termijn bij de rechtbank is ingediend namens de verzoeker als klachtgerechtigde door zijn daartoe door hem gevolmachtigde vertegenwoordigers (de ouders voornoemd).




Wettelijk beoordelingskader

Op grond van artikel 10:7 van de Wvggz heeft de verzoeker de mogelijkheid om een schriftelijke en gemotiveerde klacht in te dienen bij de rechter. Dit kan nadat de klachtencommissie een beslissing heeft genomen over een eerder ingediende klacht op grond van de klachtgronden die limitatief zijn opgesomd in artikel 10:3 van de Wvggz.
De systematiek van de klachtenprocedure brengt mee dat de rechtbank zich daarbij niet richt op de juistheid van de beslissing van de klachtcommissie. De rechtbank beoordeelt de aan de klachtencommissie voorgelegde klacht voorzover die de nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van (een van de) artikel(en) opgesomd in artikel 10:3, eerste lid, onder a tot en met x, van de Wvggz betreft.




Feitelijk beoordelingskader

De klacht van verzoeker ziet op situaties die zijn voorgevallen binnen de geldigheidsduur van de op 7 mei 2025 door de rechtbank tot en met 7 november 2025 verleende zorgmachtiging en de op 4 november 2025 tot en met 4 mei 2026 door de rechtbank verleende aansluitende zorgmachtiging. In deze zorgmachtigingen zijn onder meer de vormen van zorg “toedienen van medicatie”, “beperken van de bewegingsvrijheid” en “opnemen in een accommodatie” opgenomen.




Achtergrond

De rechtbank merkt ter inleiding op dat de klacht voortvloeit uit een geschil tussen partijen dat in de kern gaat over de vraag wanneer de zorgaanbieder gebruik moet maken van de zorgmachtiging om verzoeker de juiste zorg te verlenen, en hoe die juiste zorg er dan uitziet. Volgens verzoeker maakt de zorgaanbieder onvoldoende gebruik van de mogelijkheden die de zorgmachtiging biedt, en is het noodzakelijk dat hij voor langere tijd gedwongen opgenomen blijft en gedwongen medicamenteus wordt behandeld. De uiteenlopende opvattingen hierover houden partijen tot op de dag van vandaag verdeeld.

Verzoeker is gediagnosticeerd met een schizo-affectieve stoornis, een posttraumatische stressstoornis (PTSS), een borderline persoonlijkheidsstoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van stimulantia en designerdrugs. Het gaat dus om een zeer complexe combinatie van stoornissen. Er is een lange behandelgeschiedenis, met vele opnameperiodes en met, na ontslag, vaak een snelle terugval.



Van begin 2025 tot begin 2026 is verzoeker vaak en lang opgenomen geweest. Verzoeker is 8 januari 2025 gestart met een detox-opname bij [zorginstantie 2] gevolgd door een opname bij het CDP van 4 februari 2025 tot 20 februari 2025. Hierna volgde opnieuw een detox-opname van 20 maart 2025 tot 14 mei 2025, die tussentijds wegens verhoogde suïcidaliteit is onderbroken met een opnameperiode bij het KCAP. Hierna volgde een opname van 16 mei 2025 tot 10 juni 2025 bij [zorginstantie 2] , met aansluitend overname van de zorg door GGZ-team [stadsdeel] en een behandeltraject bij het IBT-team en het ADB-team.
Hierna volgde een opname van 28 juli 2025 tot 4 september 2025. Verzoeker werd op 8 september 2025 opnieuw opgenomen bij KCAP en heeft daar een intensief en langdurig behandeltraject in onvrijwillig kader moeten ondergaan. Na zijn ontslag uit het KCAP op 19 januari 2026 is hij opnieuw klinisch opgenomen.



In de hierboven genoemde periode van twaalf maanden is verzoeker in totaal tien maanden klinisch opgenomen geweest. Tot een structurele verbetering van de situatie van verzoeker heeft dat niet geleid. Sterker nog, de psycholoog heeft tijdens de zitting toegelicht dat de situatie van verzoeker is verslechterd in die periode. Ook op dit moment lijkt er geen sprake te zijn van een stijgende lijn. De zorgen bij zijn naasten zijn dan ook begrijpelijkerwijs groot. De rechtbank wil aan die zorgen op geen enkele manier afbreuk doen met de hierna te nemen beslissingen.




Situatie 11 juli 2025 (klachtonderdelen 1 en 2)

Verzoeker vraagt de rechtbank de klacht gegrond te verklaren voor zover die is gericht tegen het ten onrechte niet in behandeling nemen van de noodoproep bij het VIP-team (klachtonderdeel 1).



De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel. De tegen dit handelen van de zorgaanbieder gerichte klacht valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder de limitatieve opsomming van klachtgronden van artikel 10:3 van de Wvggz waar in deze procedure bij de rechtbank over kan worden geklaagd.



Verzoeker vraagt de rechtbank voorts de klacht gegrond te verklaren voor zover die is gericht tegen het hem ten onrechte niet verlenen van verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie (klachtonderdeel 2).



De rechtbank verklaart verzoeker ook in dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk.
Relevant voor dit oordeel vindt de rechtbank de volgende overweging van de Hoge Raad in de beschikking van 27 juni 2025:




Art. 8:7 Wvggz bepaalt onder meer dat de zorgaanbieder verplicht is de zorg,


genoemd in de zorgmachtiging, te verlenen. Die verplichting beoogt te waarborgen


dat de zorgaanbieder de vormen van zorg ook daadwerkelijk verleent, en geen


andere vormen van verplichte zorg verleent dan opgenomen in de zorgmachtiging.


Over de nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van art. 8:7


Wvggz kan de betrokkene op grond van art. 10:3 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz,


een klacht indienen. (…)
De bepaling biedt een mogelijkheid om te klagen over de


wijze waarop de verplichte zorg wordt verleend
, en om te laten toetsen of de


verlening van de verplichte zorg binnen de grenzen van de zorgmachtiging is


gebleven.
Deze klachtmogelijkheid is evenwel niet bedoeld voor het effectueren van


een aanspraak op een in de zorgmachtiging genoemde vorm van verplichte zorg
.


Uit art. 8:9 Wvggz volgt dat het aan de zorgverantwoordelijke is om te beslissen of


wordt overgegaan tot toepassing van enige in de zorgmachtiging genoemde vorm


van verplichte zorg.” (Onderstreping door de rechtbank.)




De kern van de beschikking van de Hoge Raad is volgens de rechtbank, voor zover hier van belang, tweeledig: (1) een betrokkene heeft geen aanspraak op de vormen van verplichte zorg die in een zorgmachtiging zijn opgenomen; en (2) de klachtmogelijkheid op grond van de Wvggz ontstaat pas op het moment dat door een zorgaanbieder uitvoering wordt gegeven aan de zorgmachtiging door toepassing van een verplichte vorm van zorg.



Verzoeker heeft toegelicht dat hij op 11 juli 2025 al enige tijd gestopt was met het innemen van zijn medicatie. Ook als zijn ouders hem op die dag medicatie proberen toe te dienen weigert hij, waarbij hij agressief wordt. De rechtbank stelt dan ook vast dat in die periode verzoeker niet bereid was om vrijwillig medicatie in te nemen. De rechtbank begrijpt verzoeker dan ook zo dat hij - achteraf bezien - gewild had dat de zorgaanbieder hem medicatie onder dwang had toegediend, om zo de escalatie van 11 juli 2025 te voorkomen. Daarmee heeft verzoeker in die periode aanspraak willen maken op een in de zorgmachtiging opgenomen vorm van verplichte zorg, te weten het toedienen van medicatie. Zoals volgens de rechtbank volgt uit de aangehaalde beschikking van de Hoge Raad, kan dat niet. Het klachtrecht komt verzoeker verder pas toe op het moment dat een zorgaanbieder uitvoering geeft aan de zorgmachtiging. Het geen uitvoering geven aan een zorgmachtiging - zoals hier het geval is - valt dan ook niet onder het klachtrecht van de Wvggz.




Situatie 2 september 2025 (klachtonderdeel 3)

Verzoeker vraagt de rechtbank de klacht tegen de beslissing van 4 september 2025 om hem ontslag te verlenen gegrond te verklaren.



De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 3 en legt hieronder uit waarom.



De rechtbank leidt uit het dossier af dat de klacht van verzoeker is gericht tegen het hem verlenen van ontslag vanuit een vrijwillige zorgsituatie. De rechtbank vindt hiervoor bevestiging in het verslag van het ZAG van 2 september 2025 en in het verweerschrift van de behandelaren bij de klachtencommissie. Uit de schets van het opnameverloop door behandelaar [naam 5] (in het verslag van het ZAG) volgt dat verzoeker op 28 juli 2025 via het ziekenhuis vrijwillig bij [zorginstantie 2] is gekomen voor een time-out na een overdosis/toegenomen drugsgebruik en suïcidaliteit. Uit de samenvatting van het behandelbeloop (in het verweerschrift van de behandelaren bij de klachtencommissie) volgt dat er tijdens opname invoelbare veiligheidsafspraken met verzoeker konden worden gemaakt, waarmee de opname op vrijwillige basis is gecontinueerd. Eind augustus 2025 heeft verzoeker een terugval in middelengebruik. In het opnamebeloop leest de rechtbank hierover terug: Patiënte uitte na deze terugval een ontslagwens, welke werd gehonoreerd, omdat hij vrijwillig was opgenomen en er geen verdere behandeldoelstellingen waren. Op 30 augustus 2025 wil verzoeker niet meer met ontslag. Op 4 september volgt desondanks ontslag.



Deze feiten zijn door verzoeker niet betwist.



De rechtbank overweegt dat, anders dan verzoeker meent, de hier relevante feiten en omstandigheden op belangrijke onderdelen overeenkomen met de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de beschikking van de Hoge Raad van 27 juni 2025. In beide gevallen ging het om een besluit tot ontslag dat leidde tot beëindiging van niet-verplichte zorg. Daarover is de Hoge Raad duidelijk: de klachtregeling van de Wvggz is daarop niet van toepassing. Klachten over (de beëindiging van) de verlening van vrijwillige zorg kunnen in de klachtenprocedure van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg aan de orde worden gesteld.



De rechtbank overweegt ten overvloede dat verzoeker ook in dit geval in essentie aanspraak wil(de) maken op verplichte zorg zoals opgenomen in de zorgmachtiging, door de zorgaanbieder te verplichten hem (langer) gedwongen op te nemen. Maar ook hier benadrukt de rechtbank dat een betrokkene geen aanspraak kan maken op de vormen van verplichte zorg die in een zorgmachtiging zijn opgenomen. Het wel of niet toepassen van verplichte zorg blijft voorbehouden aan de zorgaanbieder.




Situatie 9 november 2025 (klachtonderdeel 4)

Verzoeker stelt dat er sprake is van een motiveringsgebrek van de beslissing die is
genomen (naar de rechtbank begrijpt: de beslissing om verzoeker toe te staan een wandeling te maken). Verzoeker vraagt de rechtbank de klacht in zoverre alsnog gegrond te verklaren.



De rechtbank verklaart de klacht op dit onderdeel ongegrond. Hieronder zal de rechtbank uitleggen waarom zij dat doet.



De rechtbank benadrukt nogmaals dat sprake is van een zeer complexe combinatie van een psychotische stoornis, persoonlijkheidsstoornissen en een verslavingsstoornis. De zorgaanbieder heeft toegelicht dat de kern van een succesvolle behandeling is gelegen in het ontwikkelen van zelfvertrouwen, autonomie en zelfstandigheid. De opnames in 2025 hebben dan ook vooral plaatsgevonden voor detox en om verzoeker te laten stabiliseren. Voldoende is toegelicht dat een (langdurige) opname niet geschikt is voor het ontwikkelen van zelfvertrouwen, autonomie en zelfstandigheid. Verzoeker is in 2025 namelijk gedurende een langere periode van vierenhalve maand opgenomen geweest, en toen is gebleken dat die opname een negatieve invloed had op het herstel. Een langere gedwongen behandeling ontneemt verzoeker de ruimte voor autonomie en eigen regie. De zorgaanbieder heeft verder toegelicht dat dialectische gedragstherapie de geadviseerde behandelvorm is, gelet op de diagnose en problematiek van verzoeker. Die therapie moet plaatsvinden op vrijwillige basis, waarbij verzoeker gemotiveerd moet zijn voor en zich moet committeren aan de therapie. Een belangrijk doel van die therapie is dat verzoeker leert om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn keuzes en gedrag.



Verzoeker en zijn ouders hebben tijdens de zitting toegelicht dat zij gelet op het behandelverloop in 2025 weinig vertrouwen hebben in een goede afloop. De zorgaanbieder heeft toegelicht dat een behandeling van de problematiek van verzoeker gepaard gaat met vallen en opstaan, maar verzoeker en zijn ouders zijn bang dat verzoeker op een gegeven moment valt en helemaal niet meer opstaat. In zoverre is de wens tot een langdurige gedwongen opname dan ook begrijpelijk. Gevoelsmatig is verzoeker namelijk nergens veiliger. Maar de rechtbank vindt dat de zorgaanbieder voldoende heeft onderbouwd waarom met een langdurige gedwongen opname onvoldoende kan worden gewerkt aan de kern van de problematiek. De zorgaanbieder heeft goed uitgelegd dat de belangrijkste elementen voor een behandeling met een positief eindresultaat de volgende zijn: vrijwilligheid, intrinsieke motivatie, het nemen van verantwoordelijkheid en het krijgen van meer zelfvertrouwen, autonomie en zelfstandigheid. Daarbij komt dat de zorgaanbieder diverse zorgafstemmingsgesprekken heeft gevoerd met verzoeker en de ouders om tot een breed gedragen behandelplan te komen en verzoeker doorlopend hulpverleningstrajecten en behandelmogelijkheden heeft aangeboden. Het is nu in eerste instantie aan verzoeker om zich daarvoor in te gaan zetten.



Tegen deze achtergrond valt goed te begrijpen dat verzoeker, ook tijdens een gedwongen opname in november 2025, de mogelijkheid krijgt om een wandeling te maken. Het is een laagdrempelige manier om verzoeker te laten oefenen met het nemen van verantwoordelijkheid en het verkrijgen van meer autonomie. Dat achteraf is gebleken dat verzoeker deze verantwoordelijkheid op dat moment niet aankon en niet zelfstandig is teruggekeerd van de wandeling, maakt dat niet anders.




Beslissing:
De rechtbank:


verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in klachtonderdelen 1, 2 en 3;



verklaart klachtonderdeel 4 ongegrond.












Deze beschikking is gegeven door mrs. T.E.F. Reijnders, E.E. Schotte en M.J.L. van der Waals rechter, bijgestaan door B.M. Muller-Santana de Andrade als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.




De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 23 juli 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.