Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21429

2026-07-01 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/677805 / FA RK 24-9231
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-01
Publicatiedatum
2026-08-01
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/677805 / FA RK 24-9231
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gerechtelijke vaststelling vaderschap, man niet verschenen in procedure. Zorgregeling en kinderalimentatie.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.972 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige kamer



Rekestnummer: FA RK 24-9231
Zaaknummer: C/09/677805
Datum beschikking: 1 juli 2026




Gerechtelijke vaststelling ouderschap





Beschikking op het op 9 december 2024 ingekomen verzoekschrift van:





[de moeder]
,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M.C.G. Voogt te Breda.



Als belanghebbenden worden aangemerkt:





[de vader]
,
de man/de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.





[de minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ,
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. M.J.E. Gilsing, advocaat te Alphen aan den Rijn,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.




Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2026 is – voor zover van belang –:

- een voorlopige zorg-/omgangsregeling vastgesteld, waarbij [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] bij de vader zijn:

­ iedere woensdag, waarbij de man de kinderen uit school haalt en om 19.00 uur (na het avondeten) weer terugbrengt;
­ eenmaal per veertien dagen van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man de kinderen bij de moeder ophaalt en ook weer terugbrengt;
­ in de zomervakantie minimaal één week aansluitend, in overleg met de moeder te bepalen;
­ in de overige vakanties minimaal één dag, in overleg met de moeder te bepalen;
­ de helft van de feestdagen, in overleg met de moeder te bepalen;



een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 2] vastgesteld van € 294,- per maand;


een DNA-onderzoek gelast tussen de man en [de minderjarige 1] , waarbij Verilabs is benoemd als deskundige die dit onderzoek zal verrichten en waarbij de man de opdracht is gegeven om binnen twee weken na de datum van de beschikking contact op te nemen met Verilabs;


is aan de man de mogelijkheid gegeven om binnen vier weken na het bekend worden met de uitslag van het DNA-onderzoek de gelegenheid krijgt om verweer te voeren tegen de vaststelling van het vaderschap en de kinderalimentatie, waarna de moeder twee weken de gelegenheid krijgt om hierop te reageren.




De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:



de brief van Verilabs van 9 april 2026;


het F9-bericht van de moeder van 4 mei 2026;


het F9-bericht van de moeder van 19 mei 2026.




Gelet op de inhoud van de stukken heeft de rechtbank aanleiding gezien om de procedure zonder nadere mondelinge behandeling af te doen.




Beoordeling

Aan de rechtbank liggen nog voor: de verzoeken van de moeder tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap over [de minderjarige 1] , de vaststelling van een definitieve zorg-/omgangsregeling, de vaststelling van de kinderalimentatie ten aanzien van [de minderjarige 1] , de kosten van het DNA-onderzoek en de proceskosten.





Gerechtelijke vaststelling ouderschap

In de beschikking van 8 januari 2026 heeft de rechtbank overwogen dat zij voor het bewijs van het eventuele verwekkerschap van de man een DNA-onderzoek het meest gerede middel acht. De man is in de gelegenheid gesteld om daaraan mee te werken. Hierbij is opgemerkt dat indien de man niet meewerkt aan het onderzoek, de man daaruit de gevolgtrekking kan maken die haar geraden voorkomt, zoals bedoeld in artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).



Daarbij is aan de man de opdracht gegeven om contact op te nemen met Verilabs om een afspraak te maken voor een DNA-onderzoek. Gelet op het feit dat de man tot dan toe niets van zich had laten horen, op de zitting niet was verschenen en ook de bijzondere curator hem enkel kort telefonisch heeft kunnen spreken, is daarbij vastgesteld dat de man als eerste een afspraak moest maken bij Verilbas, om te voorkomen dat er kosten werden gemaakt bij een afname bij [de minderjarige 1] en de moeder, terwijl de vader niet meewerkt. Uit het bericht van Verilabs van 9 april 2026 volgt dat zij niets van de man hebben vernomen. De man heeft ook op nadere bericht van de rechtbank niet gereageerd.



De rechtbank stelt vast dat de man zijn medewerking aan het DNA-onderzoek niet heeft verleend. Een bewijs van het eventuele verwekkerschap van de man door middel van een DNA-resultaat is dan ook niet aanwezig. In procedures omtrent de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap speelt het bewijs ten aanzien van het verwekkerschap een belangrijke rol. Een DNA-onderzoek is evenwel niet wettelijk verplicht om vast te stellen dat de man de verwekker is van het kind. Ook uit andere feiten kan de rechtbank afleiden dat de man de verwekker is.



De rechtbank stelt vast dat de man alle mogelijkheid en ruimte heeft gehad om verweer te voeren tegen de vaststelling van zijn vaderschap over [de minderjarige 1] . Dit heeft hij niet gedaan en hij heeft niet gesteld dat hij niet de vader van [de minderjarige 1] is. De moeder heeft geen enkele twijfel dat de man de verwekker is. Partijen hebben een affectieve, exclusieve relatie gehad. Uit deze relatie is eerst [de minderjarige 2] – die door de man is erkend – geboren en daarna [de minderjarige 1] . De man komt regelmatig bij de moeder langs om de kinderen te zien.
Naar oordeel van de rechtbank heeft de moeder hiermee, bij gebreke van een DNA-onderzoek, voldoende aannemelijk gemaakt dat de man de verwekker is van [de minderjarige 1] . De man heeft dit niet betwist. De rechtbank merkt daarbij op dat in het geval de man er van overtuigd zou zijn dat hij niet de verwekker van [de minderjarige 1] is, het op zijn weg had gelegen om mee te werken aan het onderzoek. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen en het ouderschap van de man over [de minderjarige 1] vaststellen.



Nu door het uitblijven van de medewerking van de man aan het DNA-onderzoek, er geen onderzoek heeft plaatsgevonden en dus ook geen kosten zijn gemaakt, hoeft de rechtbank ook geen beslissing te nemen over de verdeling van de kosten van dit onderzoek.






Geslachtsnaam

Bij de erkenning van [de minderjarige 2] hebben partijen een keuze gemaakt voor de geslachsnaam ‘ [geslachtsnaam] ’, zo volgt uit zijn geboorteakte. Op grond van het uitgangspunt dat volle broers en zussen dezelfde geslachtsnaam dragen (de eenheid van naam in een gezin), zoals opgenomen in artikel 1:5 lid 8 van het Burgerlijk Wetboek (BW), krijgt [de minderjarige 1] met de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man, van rechtswege ook de geslachtsnaam [geslachtsnaam] .






Zorg-/omgangsregeling

In de voorgaande beschikking is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] , in afwachting van de uitkomst van het DNA-onderzoek. Nu uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het vaderschap van de man over [de minderjarige 1] zal vaststellen, zal zij ook de omgangsregeling definitief vaststellen.






Kinderalimentatie

De moeder heeft verzocht om de vaststelling van een kinderalimentatie van € 294,- per maand. Omdat de man [de minderjarige 2] heeft erkend en daarmee al zijn juridisch vader was, is in de voorgaande beschikking de kinderalimentatie voor hem al vastgesteld. Ten aanzien van [de minderjarige 1] is dit verzoek aangehouden, omdat niet vaststond dat de man de verwekker is van [de minderjarige 1] , zoals vereist op grond van artikel 1:392 in samenhang met artikel 1:394 BW.



Nu het vaderschap van de man wordt vastgesteld, is hij op grond van voornoemde artikelen als juridisch ouder ook onderhoudsplichtig jegens [de minderjarige 1] . Na het uitblijven van medewerking aan het DNA-onderzoek door de man, is hij in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de procedure en het door hem gewenste verdere verloop. De rechtbank heeft hierop geen reactie van de man ontvangen. Zij zal daarom ook ten aanzien van [de minderjarige 1] het door de moeder verzochte bedrag aan kinderalimentatie van € 294,- per maand vaststellen, zodat de man in totaal gehouden is om aan de moeder voor beide kinderen een bedrag van € 589,- per maand te betalen met ingang van 19 augustus 2024, gelijk aan de voor [de minderjarige 2] te betalen alimentatie. De man kon vanaf deze datum rekening houden met een door hem te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen. Geïndexeerd naar 2026 is dit een bedrag van in totaal € 615,- per maand.






Ontslag bijzondere curator

Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige 1] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.







Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.




Beslissing

De rechtbank:



stelt vast het ouderschap van:

- [de vader] , geboren op [geboortedatum 2] 1983 te [geboorteplaats 2] , Frans-Guyana;
over:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ;
uit:
- [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1986 te [geboorteplaats 3] ,
waarbij [de minderjarige 1] gelet op het bepaalde in artikel 1:5 lid 8 van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam] ’ verkrijgt;


bepaalt dat de minderjarigen:




[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 4] 2020 te [geboorteplaats 1] ;



[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ;


bij de man zullen zijn:


iedere woensdag, waarbij de man de kinderen uit school haalt en om 19.00 uur (na het avondeten) weer bij de moeder terugbrengt;


eenmaal per veertien dagen van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man de kinderen bij de moeder ophaalt en ook weer terugbrengt;


in de zomervakantie minimaal één week aansluitend, in overleg met de moeder te bepalen;


in de overige schoolvakanties minimaal één dag, in overleg met de moeder te bepalen;


gedurende de helft van de feestdagen, in overleg met de moeder te bepalen;




bepaalt dat de man aan de moeder met ingang 19 augustus 2024 een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] van € 294,- per maand zal betalen, zodat de man over 2024 voor beide kinderen een bedrag van in totaal € 589,- per maand zal voldoen, over de inmiddels verstreken maanden in 2025 en 2026 de geïndexeerde bedragen zal voldoen, en met ingang van heden telkens bij vooruitbetaling het verschuldigde bedrag aan kinderalimentatie zal voldoen;



beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;



bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.











Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.