Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21426
2026-07-01
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/708227 / JE RK 26-1146
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.240 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/708227 / JE RK 26-1146
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
hierna tezamen te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats].
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 1 juli 2026.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.2.
De kinderen wonen bij de moeder. Zij zijn op dit moment vrijwillig uithuisgeplaatst.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening ([minderjarige 1]) respectievelijk een voorziening voor pleegzorg ([minderjarige 2]) te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4De beoordeling
4.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.
4.2.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. Er zijn zorgen over de veiligheid van de kinderen in de opvoedsituatie bij de moeder. De moeder is op dit moment onvoldoende stabiel om de zorgen voor de kinderen zelfstandig te dragen. Er zijn al langere tijd zorgen over haar psychische welzijn. De moeder lijkt overbelast en doet ook regelmatig zorgelijke uitspraken, waarbij zij dreigt suïcide te plegen of de kinderen iets aan te doen. Daarbij zou de moeder de kinderen ook weleens fysiek straffen. Ondanks de al betrokken hulpverlening is het niet gelukt de zorgen te verminderen. Beide kinderen zijn sinds kort vrijwillig uit huis geplaatst, op afzonderlijke plekken. De moeder is echter wisselend in haar toestemming daarvoor en wil [minderjarige 2] vandaag ophalen. De kinderrechter vindt het onverantwoord om [minderjarige 2] (of [minderjarige 1]) op dit moment terug te laten keren naar huis. De kinderrechter vindt het noodzakelijk dat er met spoed een jeugdbeschermer aan het gezin gekoppeld wordt, die de juiste hulpverlening in kan zetten. Daarnaast is een nodig dat de kinderen voorlopig uit huis geplaatst blijven op een veilige plek. De kinderrechter zal het spoedverzoek dan ook toewijzen.
4.3.
De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
4.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.5.
De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 1 juli 2026 tot 15 juli 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 1 juli 2026 tot 15 juli 2026;
5.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 1 juli 2026 tot 15 juli 2026;
5.4.
verklaart de beslissing onder 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van
mr. M. Kramer op 10 juli 2026 om 14.30 uur;
5.6.
gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:
de Raad;
de moeder;
de gecertificeerde instelling.
Deze beschikking is gegeven door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/708227 / JE RK 26-1146
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
hierna tezamen te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats].
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 1 juli 2026.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.2.
De kinderen wonen bij de moeder. Zij zijn op dit moment vrijwillig uithuisgeplaatst.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening ([minderjarige 1]) respectievelijk een voorziening voor pleegzorg ([minderjarige 2]) te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4De beoordeling
4.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.
4.2.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. Er zijn zorgen over de veiligheid van de kinderen in de opvoedsituatie bij de moeder. De moeder is op dit moment onvoldoende stabiel om de zorgen voor de kinderen zelfstandig te dragen. Er zijn al langere tijd zorgen over haar psychische welzijn. De moeder lijkt overbelast en doet ook regelmatig zorgelijke uitspraken, waarbij zij dreigt suïcide te plegen of de kinderen iets aan te doen. Daarbij zou de moeder de kinderen ook weleens fysiek straffen. Ondanks de al betrokken hulpverlening is het niet gelukt de zorgen te verminderen. Beide kinderen zijn sinds kort vrijwillig uit huis geplaatst, op afzonderlijke plekken. De moeder is echter wisselend in haar toestemming daarvoor en wil [minderjarige 2] vandaag ophalen. De kinderrechter vindt het onverantwoord om [minderjarige 2] (of [minderjarige 1]) op dit moment terug te laten keren naar huis. De kinderrechter vindt het noodzakelijk dat er met spoed een jeugdbeschermer aan het gezin gekoppeld wordt, die de juiste hulpverlening in kan zetten. Daarnaast is een nodig dat de kinderen voorlopig uit huis geplaatst blijven op een veilige plek. De kinderrechter zal het spoedverzoek dan ook toewijzen.
4.3.
De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
4.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.5.
De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 1 juli 2026 tot 15 juli 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 1 juli 2026 tot 15 juli 2026;
5.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 1 juli 2026 tot 15 juli 2026;
5.4.
verklaart de beslissing onder 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van
mr. M. Kramer op 10 juli 2026 om 14.30 uur;
5.6.
gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:
de Raad;
de moeder;
de gecertificeerde instelling.
Deze beschikking is gegeven door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).