Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21385
2026-07-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.28362
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Herhaalde asielaanvraag; 1F staat in rechte vast, asiel aanvraag afgewezen maar uitzetbeletsel Afghanistan. Arrest AA, arrest Tadmur; IRV en EU OO-criterium; evenredigheid en artikel 8 EVRM, Arrest Chavez-Vilchez; beroep ongegrond
Citeert (11)
- ECLI:EU:C:2017:354
- ECLI:EU:C:2023:540
- ECLI:EU:C:2026:397
- ECLI:NL:RVS:2025:4046 Raad van State 27-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8272 Rechtbank Den Haag 27-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5894 Rechtbank Den Haag 02-03-2026
- ECLI:EU:C:2026:257
- ECLI:EU:C:2018:296
- ECLI:NL:RVS:2020:3017 Raad van State 16-12-2020
- ECLI:NL:RVS:2022:2759 Raad van State 26-09-2022
- ECLI:NL:RVS:2025:6037 Raad van State 12-12-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (35.907 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28362
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B.D. Lit),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. N.N. Bontje).
Procesverloop
Bij besluit van 10 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is de ongewenstverklaring van eiser opgeheven, een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar en een besluit tot signalering opgelegd voor de duur van tien jaar.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verder heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 9 juni 2026 heeft eiser aanvullende beroepsgronden en nadere stukken ingediend.
Verweerder heeft op 10 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL24.28363), op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Najafi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft op 20 november 1998 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Op 10 juni 1999 is deze asielaanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen. Wel is aan eiser een voorlopige vergunning tot verblijf verleend. Het bezwaar tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Op 10 oktober 2001 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend, die door verweerder op 1 oktober 2002 is afgewezen. Daarbij is de uitsluitingsgrond van artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) op eiser van toepassing geacht. Ook heeft verweerder een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Bij uitspraak van 8 januari 2004 (AWB 02/82249) heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 april 2004 (zaaknummer 200401189/1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, waarmee het besluit van 1 oktober 2002 in rechte vaststaat.
Eiser heeft op 16 augustus 2004 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 23 mei 2006 is deze aanvraag afgewezen. Dat besluit staat met de uitspraak van 19 juli 2007 (AWB 06/27981), waarin de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond heeft verklaard, in rechte vast.
Op 26 februari 2008 heeft eiser opnieuw een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 17 februari 2009 is deze aanvraag afgewezen, en is een – naar de rechtbank begrijpt: vervangend – terugkeerbesluit uitgevaardigd met als land van terugkeer Afghanistan. Ook dit besluit staat in rechte vast, met de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2012 (zaaknummer 201100646/1/V1).
Bij besluit van 28 januari 2014 is eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Bij besluit van 4 april 2014 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 november 2014 (AWB 14/8333) is het beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank is op 12 februari 2015 ongegrond verklaard, waarmee ook de ongewenstverklaring in rechte vaststaat.
2. Op 17 september 2021 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend, waarover deze procedure gaat. Verweerder heeft deze aanvraag ook opgevat als een verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring. Bij besluit van 13 juni 2022 is deze asielaanvraag en het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring afgewezen. Het beroep hiertegen (NL22.11094) is op 21 juli 2022 door de rechtbank gegrond verklaard omdat eiser ten onrechte niet was gehoord over zijn familieomstandigheden. Nadat eiser aanvullend was gehoord en een nieuw voornemen was uitgebracht waarop eiser zijn zienswijze heeft gegeven, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft in het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw. Omdat sinds 7 april 2004 in rechte vaststaat dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is, en hij daardoor op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde vormt, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vw. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich verzet tegen een gedwongen verwijdering van eiser naar Afghanistan. Aan het eerder uitgevaardigde terugkeerbesluit uit 2009 wordt daarom geen uitvoering gegeven. Onder verwijzing naar paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder geen aanleiding gezien om eiser een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Verweerder heeft de ongewenstverklaring opgeheven en aan eiser een inreisverbod opgelegd van tien jaar met een signalering in het Schengen Informatiesysteem (SIS) voor dezelfde duur, omdat eisers persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Vanwege het openbare ordegevaar is tot slot besloten het afgeleide verblijfsrecht dat eiser op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 10 mei 2017, in de zaak Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354, in beginsel heeft, aan hem te onthouden.
Beroepsgronden
4.1.
Eiser verzoekt de rechtbank allereerst om al wat namens hem eerder in de procedure naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen.
4.2.
In aanvulling daarop voert eiser aan dat het terugkeerbesluit niet gehandhaafd kan blijven, omdat het uitzetbeletsel op grond waarvan hij niet verwijderbaar is naar Afghanistan inmiddels voor onbepaalde tijd is. Eiser doet hierbij een beroep op het arrest A.A. van het Hof van Justitie van 6 juli 2023, ECLI:EU:C:2023:540, waaruit volgt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen de vaststelling van een terugkeerbesluit wanneer vaststaat dat de verwijdering van de vreemdeling naar het beoogde land van bestemming voor onbepaalde tijd is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement. Eiser beroept zich verder op het arrest van het Hof van Justitie van 13 mei 2026, ECLI:EU:C:2026:397, in de zaak Shamsi. Ook verwijst eiser naar een verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4046, waarin in navolging van het arrest van 6 juli 2023 vragen zijn gesteld over de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit als er geen uitvoering aan gegeven kan worden en daarnaast is gevraagd of de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen het nationale stelsel waarbij dergelijke vreemdelingen gedurende tien jaar uitsluitend aanspraak kunnen maken op basale voorzieningen.
4.3.
Eiser voert verder aan dat het inreisverbod geen stand kan houden, allereerst omdat het gebaseerd is op het onrechtmatige terugkeerbesluit. Verder heeft verweerder in de beoordeling of het uitvaardigen van het inreisverbod gerechtvaardigd is, ten onrechte niet eisers sociale omstandigheden in brede zin bij de Unierechtelijke openbare-ordetoets betrokken. Voorts is volgens eiser zowel bij de beoordeling van artikel 8 van het EVRM als bij de beoordeling of eiser een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez kan worden onthouden, onvoldoende rekening gehouden met de belangen van (twee van) eisers kinderen. Eiser doet hierbij onder meer een beroep op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 27 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8272.
4.4.
Eiser voert tot slot aan dat verweerder hem ten onrechte geen verblijfsvergunning regulier verstrekt op grond van het beleid zoals neergelegd in paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vc. Artikel 3 van het EVRM verzet zich duurzaam tegen zijn uitzetting naar Afghanistan. Daarnaast heeft eiser uitzonderlijke omstandigheden aangevoerd, te weten de zorgbehoefte van zijn minderjarige zoon [minderjarige 1] en zijn rol bij de verzorging van zijn zoon, de feitelijke onmogelijkheid van vertrek, de lange verblijfsduur in Nederland, het ontbreken van strafrechtelijke antecedenten in Nederland en de Nederlandse nationaliteit van zijn gezinsleden. Deze omstandigheden heeft verweerder onvoldoende betrokken bij de beoordeling of het besluit proportioneel is en niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiser verwijst hierbij naar een recente uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5894.
Beoordeling door de rechtbank
Herhaald en ingelast
5. De rechtbank stelt voorop dat de enkele verwijzing naar wat eerder in de procedure naar voren is gebracht niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder is hier in het bestreden besluit al op ingegaan. Met deze verwijzing geeft eiser niet concreet aan waarom de reactie van verweerder in het bestreden besluit volgens hem niet toereikend is. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep beoordelen aan de hand van de uitgewerkte beroepsgronden en niet aan de hand van wat eerder in de procedure naar voren is gebracht.
Terugkeerbesluit
6.1.
Uit het arrest A.A. van het Hof van Justitie van 6 juli 2023 volgt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen de vaststelling van een terugkeerbesluit voor een derdelander wanneer vaststaat dat zijn verwijdering naar het beoogde land van bestemming voor onbepaalde tijd is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement. Uit het arrest Tadmur van het Hof van Justitie van 26 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:257, volgt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn zich eveneens verzet tegen het vaststellen van een terugkeerbesluit voor een derdelander wiens subsidiaire bescherming is ingetrokken en wanneer vaststaat dat de vreemdeling bij verwijdering een risico loopt op schending van het non-refoulementbeginsel. In de verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025 is in aanvulling hierop gevraagd of de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling waarbij illegaal in Nederland verblijvende derdelanders die voor onbepaalde tijd niet kunnen worden verwijderd op grond van het non-refoulementbeginsel en geen verblijfsrecht krijgen, gedurende een periode van minstens tien jaar alleen bij wijze van uitzondering aanspraak kunnen maken op elementaire voorzieningen.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het arrest A.A. niet slaagt. De situatie van eiser komt niet overeen met de situatie in dat arrest, en voor zover van belang, ook niet met de situatie in het arrest Tadmur en de verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025. Deze arresten en de verwijzingsuitspraak gaan immers over de situatie dat op het moment dat het terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, vaststaat dat het beginsel van non-refoulement aan terugkeer in de weg staat. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde. In het bestreden besluit is geen terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd, maar verwezen naar het terugkeerbesluit uit 2009, dat al in rechte vaststaat sinds 2 oktober 2012. Pas (veel) later heeft verweerder voor eiser een risico op refoulement vastgesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat op elk toetsingsmoment door verweerder beoordeeld moet worden of een in rechte vaststaand terugkeerbesluit gehandhaafd kan blijven. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Terugkeerrichtlijn kan in zo’n geval wel de verwijdering worden uitgesteld als verwijdering in strijd zou zijn met het non-refoulementbeginsel. Dat is bij eiser gebeurd.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Inreisverbod en Unierechtelijk openbare orde-criterium
7.1.
Nu het terugkeerbesluit naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig is en vaststaat dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan zijn vertrekplicht, was verweerder gehouden om op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw een inreisverbod uit te vaardigen. Op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaar, indien het een vreemdeling betreft die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde vanwege de omstandigheid dat hem artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.
7.2.
De rechtbank dient bij de toets of eiser een ernstige bedreiging vormt in hiervoor bedoelde zin, te beoordelen of verweerder terecht heeft overwogen dat eiser een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving (het Unierechtelijk openbare orde-criterium).
7.3.
Het Hof van Justitie heeft in het arrest in de zaken K. en H.F. van 2 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:296, uiteengezet hoe met het Unierechtelijk openbare-ordecriterium moet worden omgegaan in relatie tot vreemdelingen op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. In dit arrest is geoordeeld dat de enkele aanwezigheid van een persoon op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet automatisch voldoende is om een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging aan te nemen. Er dient rekening te worden gehouden met de aspecten die bij de 1(F)-tegenwerping zijn betrokken, in het bijzonder de aard en de ernst van de verweten gedragingen, de mate van persoonlijke betrokkenheid en het eventuele bestaan van strafuitsluitingsgronden. Dit geldt temeer als een strafrechtelijke veroordeling ontbreekt. Verder is het tijdsverloop sinds de verweten gedragingen relevant. Beoordeeld dient te worden of van het persoonlijke gedrag nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving uitgaat, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke historische en maatschappelijke context waarin de verweten gedragingen zich hebben afgespeeld en met het eventuele recidiverisico. Het bestaan van een bedreiging zoals bedoeld in het Unierechtelijk openbare orde-criterium moet worden vastgesteld op basis van een beoordeling door de bevoegde instanties van het gastland van het persoonlijke gedrag van de betrokken persoon, waarbij rekening moet worden gehouden met alle voornoemde aspecten, met name om uit te maken of uit het gedrag van de betrokkene blijkt dat hij nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde fundamentele waarden aantast en dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking zouden kunnen worden verstoord.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3017 en 26 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2759, nader duiding gegeven aan dit arrest. De Afdeling heeft overwogen dat uit dat arrest volgt dat bij de beoordeling van de vraag of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het persoonlijk gedrag geen actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde (meer) vormt, in het bijzonder (voor wat betreft de actualiteit) betekenis toekomt aan zijn gedrag en houding ná het plegen van de 1(F)-misdrijven en met name aan de momenten waarop hij zich rekenschap geeft van zijn daden, daarvoor de verantwoordelijkheid neemt en oprecht berouw toont voor die daden, met dien verstande dat het niet tonen van oprecht berouw daarbij op zichzelf niet doorslaggevend is. Verder heeft de Afdeling overwogen dat een vreemdeling die het begaan van de 1(F)-misdrijven ontkent of bagatelliseert, niet snel aannemelijk zal kunnen maken dat hij niet (langer) een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Geen doorslaggevende betekenis komt toe aan uitsluitend tijdsverloop en het gegeven dat de vreemdeling geen nieuwe handelingen heeft verricht die maken dat hij een bedreiging voor de openbare orde vormt.
7.4.1.
Deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, heeft in haar uitspraak van 27 maart 2024 geoordeeld dat de afhankelijkheidsrelatie van de vreemdeling met zijn minderjarig kind, het gezinsleven en het sociale leven van de vreemdeling relevant kunnen zijn bij de beoordeling van de houding en het gedrag van de vreemdeling sinds de pleegdatum van het misdrijf. Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch ziet daarvoor aanknopingspunten in de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2022. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder in het kader van de openbare orde, bij de beoordeling van het gedrag en de houding van de vreemdeling, had moeten betrekken dat de vreemdeling, die artikel 1(F) tegengeworpen kreeg vanwege het faciliteren van ernstige misdaden tegen Servische burgers in de periode 1992-1993, al jarenlang in goede harmonie samenleefde met de groep Bosnische Serviërs in [locatie] . Verweerder had volgens de Afdeling nader onderzoek moeten doen naar de situatie van de vreemdeling in [locatie] in relatie tot zijn gedrag en houding. Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch leidt hieruit af dat sociale samenleefomstandigheden een rol kunnen spelen bij de vraag of een vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt.
7.4.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om bovengenoemde uitspraak van zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch in dit geval te volgen. De Afdeling heeft deze uitspraak op 12 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6037, weliswaar bevestigd, maar uit die enkele bevestiging zonder nadere toelichting kan gezien het arrest K. en H.F. en de specifieke situatie in [locatie] die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2022, niet worden opgemaakt dat sociale leefomstandigheden in elke individueel geval zonder meer relevant zijn voor de beoordeling van het openbare orde-gevaar en daarom daarbij moeten worden betrokken. Eiser heeft in de bestuurlijke fase (de fase waarin hij alle feiten en omstandigheden naar voren moet brengen op grond waarvan hij vindt dat geen inreisverbod moet worden opgelegd) niet toegelicht wat de relevantie is van zijn sociale leefomstandigheden voor de beoordeling van zijn houding en gedrag in het kader van het openbare orde-gevaar. De rechtbank neemt daarom de eerdere overwegingen van de Afdeling in de uitspraak van 26 september 2022 als uitgangspunt, te weten: verweerder moet aan de hand van de richtpunten uit het arrest K. en H.F. van het Hof van Justitie de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden onderzoeken en deze vervolgens kenbaar bij zijn beoordeling betrekken en in het licht daarvan motiveren of, en zo ja waarom, hij van mening is dat de vreemdeling nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Pas bij de beoordeling van de evenredigheid van het besluit moet rekening worden gehouden met alle feiten en omstandigheden van de vreemdeling, zoals onder meer (opnieuw) de aard en de ernst van het aan de betrokken persoon verweten gedrag, de duur en, in voorkomend geval, de rechtmatigheid van zijn verblijf in het gastland, de tijd die sinds dat gedrag verstreken is, zijn gedrag gedurende die tijd, de mate waarin hij een actueel gevaar voor de samenleving vormt alsook de hechtheid van de maatschappelijke en culturele banden en familiebanden met die lidstaat.
7.5.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit aan de hand van het hiervoor weergegeven juridische kader zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat van eisers gedragingen in Afghanistan nog steeds een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging uitgaat, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, en dat het tijdsverloop van onvoldoende gewicht is om hier verandering in te brengen. Verweerder heeft in het bestreden besluit alle omstandigheden die volgens het arrest K. en H.F. van belang zijn expliciet en puntsgewijs betrokken en gemotiveerd waarom deze in het voordeel of juist nadeel van eiser dienen mee te wegen. Zo heeft verweerder in dat kader terecht overwogen dat in rechte vaststaat dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag. Eiser wordt in verband gebracht met het martelen en executeren van personen. Het gaat daarbij om zeer ernstige misdrijven die, indien zij hier te lande zouden zijn gepleegd, de rechtsorde aanzienlijk zouden hebben geschokt en die een aantasting vormen van de fundamentele waarden van de Europese Unie. Verweerder heeft ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser willens en wetens persoonlijk heeft deelgenomen aan deze misdrijven. Dat eiser tot op heden niet strafrechtelijk voor deze of andere misdrijven is vervolgd en het lange tijdsverloop sindsdien, weegt volgens verweerder niet op tegen de ernst van de misdrijven, de individuele aansprakelijkheid van eiser en het gedrag en de houding van eiser door de jaren heen. Bij het laatste punt heeft verweerder terecht overwogen dat eiser geen blijk heeft gegeven van enig schuldbesef en verantwoordelijkheidsgevoel voor de misdrijven waarmee hij in verband wordt gebracht.
7.6.
Nu eiser verder geen andere inhoudelijke beroepsgronden heeft gericht tegen de door verweerder verrichte toets aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium en de in dat kader genoemde omstandigheden, slaagt deze beroepsgrond niet.
7.7.
Voor zover eiser aanvoert dat artikel 8 van het EVRM aan het opleggen van een inreisverbod in de weg staat, wijst verweerder er terecht op dat er een uitzetbeletsel is aangenomen vanwege het risico op refoulement indien eiser terug zou keren naar Afghanistan. Eiser kan op dit moment daarom zijn familie- en gezinsleven in Nederland uitoefenen. De rechtbank verwijst verder naar wat hierna onder 8.3 en 8.4 wordt overwogen.
Evenredigheid en artikel 8 EVRM
8.1.
De rechtbank dient verder te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft in een belangenafweging de belangen van de Nederlandse samenleving afgewogen tegen de belangen van eiser. In het voordeel van eiser zijn de belangen van zijn gezinsleden meegewogen, waaronder het gezinsleven dat eiser in Nederland heeft met zijn echtgenote en kinderen die allen de Nederlandse nationaliteit hebben en in het bijzonder de belangen en de zorgbehoefte van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is gediagnostiseerd met een autismespectrumstoornis met bijkomende ontwikkelingsachterstand. Verweerder heeft in het voordeel van eiser meegewogen dat eiser een belangrijke rol speelt bij de verzorging voor [minderjarige 1] en dat het vanuit het oogpunt van [minderjarige 1] beter zou zijn als beide ouders aanwezig zijn voor zijn verzorging.
In het nadeel van eiser heeft verweerder meegewogen dat van eisers gedrag nog steeds een ernstige dreiging uitgaat voor de fundamentele belangen van de samenleving. Verder is in eisers nadeel meegewogen dat hij sinds het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn voorwaardelijke verblijfsvergunning op 20 november 1999 geen rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. Hij heeft meerdere keren de aanzegging gehad om Nederland te verlaten, ook toen zijn echtgenote en kinderen nog niet de Nederlandse nationaliteit hadden en er nog geen sprake was van een uitzetbeletsel. Desondanks heeft eiser Nederland niet verlaten en ervoor gekozen gezinsleven op te bouwen en verder te intensiveren terwijl hij hier niet rechtmatig verbleef. Bij de rol die eiser speelt in de verzorging van [minderjarige 1] tekent verweerder (de rechtbank begrijpt: ter relativering) aan dat professionele ondersteuning wordt geboden bij de zorg voor [minderjarige 1] en dat [minderjarige 1] een specialistisch kinderdagcentrum bezoekt. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het belang van eiser onder deze omstandigheden niet opweegt tegen de belangen van de Nederlandse samenleving.
8.2.
Uit de stukken die eiser in beroep heeft ingediend, die zien op de medische situatie van [minderjarige 1] , de zorg die hij behoeft en de rol die eiser hierbij speelt, blijkt geen ander beeld dan de feiten en omstandigheden die verweerder al bij het bestreden besluit heeft betrokken. Ter zitting heeft eiser dit bevestigd. De stukken zijn ingediend omdat deze recenter zijn en niet omdat de situatie rondom [minderjarige 1] veranderd is. De stukken leiden dan ook niet tot een ander oordeel.
8.3.
Daarnaast heeft verweerder aan de hand van de guiding principles uit de arresten Boultif en Üner van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens getoetst of het niet verlenen van een verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank alle relevante belangen onderkend en tegen elkaar afgewogen. Hierbij heeft verweerder in eisers nadeel kunnen meewegen dat in rechte vaststaat dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is omdat hij in verband kan worden gebracht met het in Afghanistan martelen en executeren van personen in de periode van 1989 tot 1992, in de context van het intern gewapende conflict in Afghanistan tussen het communistisch regime en de verschillende Mudjaheddin-groeperingen. Verweerder heeft terecht overwogen dat het hier gaat om uitzonderlijk ernstige misdrijven. Op grond van die 1(F)-tegenwerpingen is aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Eiser is op 11 november 1998 naar Nederland gekomen en verblijft sinds 20 juni 1999 onrechtmatig in Nederland. Verweerder heeft niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Dat hij in verband met een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet naar Afghanistan, laat immers onverlet dat op eiser nog altijd de verplichting rust uit Nederland en het Schengengebied te vertrekken. Verder heeft verweerder betrokken dat eiser een belangrijke rol heeft binnen het gezin – bestaande uit zijn echtgenote, zijn zoon [minderjarige 1] , zijn dochter [minderjarige 2] en zijn volwassen dochter [naam dochter] – en dat het uitoefenen van het gezinsleven buiten Nederland niet eenvoudig zal zijn. Daarbij heeft verweerder ook de speciale zorgbehoefte van [minderjarige 1] meegewogen in het voordeel van eiser. Verweerder heeft bovendien meegewogen dat eiser niet met uitzetting wordt bedreigd en daardoor feitelijk in de gelegenheid is in Nederland te verblijven en het gezinsleven uit te oefenen.
8.4.
Gelet op het voorgaande en op wat is overwogen in rechtsoverweging 7.7,. heeft verweerder niet ten onrechte het aanzienlijke tijdsverloop sinds de 1(F)-gedragingen en het feit dat eiser sindsdien geen strafbare feiten heeft gepleegd niet van doorslaggevende betekenis geacht in de belangenafweging. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Chavez-Vilchez-arrest
9.1.
Voor zover eiser meent dat hij in aanmerking komt voor een (afgeleid) verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat, hoewel eiser in beginsel voldoet aan de voorwaarden voor een dergelijk afgeleid verblijfsrecht, hem dit verblijfsrecht kan worden ontzegd, omdat van zijn persoonlijk gedrag een actuele, daadwerkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de fundamentele belangen van de Nederlandse samenleving uitgaat. De rechtbank verwijst hiervoor naar wat hierover onder 7.5 en 7.6 van deze uitspraak is overwogen.
9.2.
Een beroep op de eerdergenoemde uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch kan eiser ook op dit punt niet baten. In die zaak had verweerder bij de vraag of de desbetreffende vreemdeling in aanmerking kwam voor een afgeleid verblijfsrecht (onder meer) niet betrokken dat de vreemdeling een afhankelijkheidsrelatie met zijn minderjarig kind had en het gezinsleven en het sociale leven van de vreemdeling in dat verband. Bij eiser heeft verweerder die omstandigheden wel betrokken. Verweerder heeft allereerst vastgesteld dat eiser in beginsel voldoet aan de voorwaarden voor afgifte van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. Vervolgens heeft verweerder het persoonlijk gedrag van eiser in aanmerking genomen, waarvan een actuele, daadwerkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de fundamentele belangen van de Nederlandse samenleving uitgaat. Daarnaast is verweerder, anders dan in de uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, in het voornemen en het bestreden besluit ingegaan op de gezinssituatie van eiser, de belangen van de kinderen en dan met name de zorgbehoefte van [minderjarige 1] en de rol van eiser bij de zorg voor [minderjarige 1] . Verweerder heeft getoetst of het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank kan, onder verwijzing naar rechtsoverweging 8.1 tot en met 8.4, verweerder in zijn beoordeling en standpunt dat van dergelijke strijdigheid geen sprake is, volgen. Verweerder heeft dan ook het afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez aan eiser kunnen onthouden.
Verblijfsvergunning humanitair tijdelijk
10.1.
Op grond van paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vc (geldend ten tijde van het bestreden besluit, thans paragraaf C4/3.6.9.6 van de Vc) wordt aan een vreemdeling die op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onder omstandigheden ambtshalve een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk verleend. Indien de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM beoordeelt de IND alle volgende omstandigheden:
a. of artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja,
b. of de gevolgen voor de vreemdeling van het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zijn, afgewogen tegen de belangen van de Staat om artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag te handhaven.
De term ‘duurzaam’ houdt in dat sprake moet zijn van alle volgende omstandigheden:
de vreemdeling bevindt zich op het moment dat de beslissing wordt genomen al gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie dat de vreemdeling wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;
er is geen vooruitzicht op verandering binnen niet al te lange termijn, gerekend vanaf heden, in de situatie dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet naar het land van herkomst vanwege een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM; en
vertrek van de vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst is ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan vertrekplicht van de vreemdeling niet mogelijk.
De IND neemt disproportionaliteit aan als de vreemdeling aantoont dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat artikel 3 van het EVRM zich niet duurzaam tegen uitzetting verzet, en dat eiser daarom niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk.
Verweerder is niet ten onrechte uitgegaan van 13 juni 2022 als start van de termijn bedoeld onder het eerste punt genoemd in de hiervoor vermelde toelichting in de Vc op de term ‘duurzaam’. Pas bij het besluit van die datum heeft verweerder overwogen dat artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen uitzetting van eiser naar Afghanistan. Met de woorden ‘te rekenen vanaf de datum van de eerste asielaanvraag’, wordt naar het oordeel van de rechtbank aangegeven dat de termijn van tien jaar niet kan aanvangen voor een eerste asielaanvraag is ingediend. De termijn van tien jaar was op het moment dat het bestreden besluit werd genomen nog niet verstreken. Nu artikel 3 van het EVRM zich niet duurzaam verzet tegen uitzetting van eiser naar Afghanistan, hoefde verweerder ingevolge het beleid niet te beoordelen of de gevolgen voor eiser van het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel waren.
10.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzitter, en mr. C.E. Bos en mr. J.G. Bos, leden, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28362
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B.D. Lit),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. N.N. Bontje).
Procesverloop
Bij besluit van 10 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is de ongewenstverklaring van eiser opgeheven, een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar en een besluit tot signalering opgelegd voor de duur van tien jaar.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verder heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 9 juni 2026 heeft eiser aanvullende beroepsgronden en nadere stukken ingediend.
Verweerder heeft op 10 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL24.28363), op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Najafi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft op 20 november 1998 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Op 10 juni 1999 is deze asielaanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen. Wel is aan eiser een voorlopige vergunning tot verblijf verleend. Het bezwaar tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Op 10 oktober 2001 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend, die door verweerder op 1 oktober 2002 is afgewezen. Daarbij is de uitsluitingsgrond van artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) op eiser van toepassing geacht. Ook heeft verweerder een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Bij uitspraak van 8 januari 2004 (AWB 02/82249) heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 april 2004 (zaaknummer 200401189/1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, waarmee het besluit van 1 oktober 2002 in rechte vaststaat.
Eiser heeft op 16 augustus 2004 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 23 mei 2006 is deze aanvraag afgewezen. Dat besluit staat met de uitspraak van 19 juli 2007 (AWB 06/27981), waarin de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond heeft verklaard, in rechte vast.
Op 26 februari 2008 heeft eiser opnieuw een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 17 februari 2009 is deze aanvraag afgewezen, en is een – naar de rechtbank begrijpt: vervangend – terugkeerbesluit uitgevaardigd met als land van terugkeer Afghanistan. Ook dit besluit staat in rechte vast, met de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2012 (zaaknummer 201100646/1/V1).
Bij besluit van 28 januari 2014 is eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Bij besluit van 4 april 2014 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 november 2014 (AWB 14/8333) is het beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank is op 12 februari 2015 ongegrond verklaard, waarmee ook de ongewenstverklaring in rechte vaststaat.
2. Op 17 september 2021 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend, waarover deze procedure gaat. Verweerder heeft deze aanvraag ook opgevat als een verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring. Bij besluit van 13 juni 2022 is deze asielaanvraag en het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring afgewezen. Het beroep hiertegen (NL22.11094) is op 21 juli 2022 door de rechtbank gegrond verklaard omdat eiser ten onrechte niet was gehoord over zijn familieomstandigheden. Nadat eiser aanvullend was gehoord en een nieuw voornemen was uitgebracht waarop eiser zijn zienswijze heeft gegeven, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft in het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw. Omdat sinds 7 april 2004 in rechte vaststaat dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is, en hij daardoor op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde vormt, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vw. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich verzet tegen een gedwongen verwijdering van eiser naar Afghanistan. Aan het eerder uitgevaardigde terugkeerbesluit uit 2009 wordt daarom geen uitvoering gegeven. Onder verwijzing naar paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder geen aanleiding gezien om eiser een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Verweerder heeft de ongewenstverklaring opgeheven en aan eiser een inreisverbod opgelegd van tien jaar met een signalering in het Schengen Informatiesysteem (SIS) voor dezelfde duur, omdat eisers persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Vanwege het openbare ordegevaar is tot slot besloten het afgeleide verblijfsrecht dat eiser op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 10 mei 2017, in de zaak Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354, in beginsel heeft, aan hem te onthouden.
Beroepsgronden
4.1.
Eiser verzoekt de rechtbank allereerst om al wat namens hem eerder in de procedure naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen.
4.2.
In aanvulling daarop voert eiser aan dat het terugkeerbesluit niet gehandhaafd kan blijven, omdat het uitzetbeletsel op grond waarvan hij niet verwijderbaar is naar Afghanistan inmiddels voor onbepaalde tijd is. Eiser doet hierbij een beroep op het arrest A.A. van het Hof van Justitie van 6 juli 2023, ECLI:EU:C:2023:540, waaruit volgt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen de vaststelling van een terugkeerbesluit wanneer vaststaat dat de verwijdering van de vreemdeling naar het beoogde land van bestemming voor onbepaalde tijd is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement. Eiser beroept zich verder op het arrest van het Hof van Justitie van 13 mei 2026, ECLI:EU:C:2026:397, in de zaak Shamsi. Ook verwijst eiser naar een verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4046, waarin in navolging van het arrest van 6 juli 2023 vragen zijn gesteld over de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit als er geen uitvoering aan gegeven kan worden en daarnaast is gevraagd of de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen het nationale stelsel waarbij dergelijke vreemdelingen gedurende tien jaar uitsluitend aanspraak kunnen maken op basale voorzieningen.
4.3.
Eiser voert verder aan dat het inreisverbod geen stand kan houden, allereerst omdat het gebaseerd is op het onrechtmatige terugkeerbesluit. Verder heeft verweerder in de beoordeling of het uitvaardigen van het inreisverbod gerechtvaardigd is, ten onrechte niet eisers sociale omstandigheden in brede zin bij de Unierechtelijke openbare-ordetoets betrokken. Voorts is volgens eiser zowel bij de beoordeling van artikel 8 van het EVRM als bij de beoordeling of eiser een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez kan worden onthouden, onvoldoende rekening gehouden met de belangen van (twee van) eisers kinderen. Eiser doet hierbij onder meer een beroep op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 27 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8272.
4.4.
Eiser voert tot slot aan dat verweerder hem ten onrechte geen verblijfsvergunning regulier verstrekt op grond van het beleid zoals neergelegd in paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vc. Artikel 3 van het EVRM verzet zich duurzaam tegen zijn uitzetting naar Afghanistan. Daarnaast heeft eiser uitzonderlijke omstandigheden aangevoerd, te weten de zorgbehoefte van zijn minderjarige zoon [minderjarige 1] en zijn rol bij de verzorging van zijn zoon, de feitelijke onmogelijkheid van vertrek, de lange verblijfsduur in Nederland, het ontbreken van strafrechtelijke antecedenten in Nederland en de Nederlandse nationaliteit van zijn gezinsleden. Deze omstandigheden heeft verweerder onvoldoende betrokken bij de beoordeling of het besluit proportioneel is en niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiser verwijst hierbij naar een recente uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5894.
Beoordeling door de rechtbank
Herhaald en ingelast
5. De rechtbank stelt voorop dat de enkele verwijzing naar wat eerder in de procedure naar voren is gebracht niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder is hier in het bestreden besluit al op ingegaan. Met deze verwijzing geeft eiser niet concreet aan waarom de reactie van verweerder in het bestreden besluit volgens hem niet toereikend is. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep beoordelen aan de hand van de uitgewerkte beroepsgronden en niet aan de hand van wat eerder in de procedure naar voren is gebracht.
Terugkeerbesluit
6.1.
Uit het arrest A.A. van het Hof van Justitie van 6 juli 2023 volgt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen de vaststelling van een terugkeerbesluit voor een derdelander wanneer vaststaat dat zijn verwijdering naar het beoogde land van bestemming voor onbepaalde tijd is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement. Uit het arrest Tadmur van het Hof van Justitie van 26 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:257, volgt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn zich eveneens verzet tegen het vaststellen van een terugkeerbesluit voor een derdelander wiens subsidiaire bescherming is ingetrokken en wanneer vaststaat dat de vreemdeling bij verwijdering een risico loopt op schending van het non-refoulementbeginsel. In de verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025 is in aanvulling hierop gevraagd of de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling waarbij illegaal in Nederland verblijvende derdelanders die voor onbepaalde tijd niet kunnen worden verwijderd op grond van het non-refoulementbeginsel en geen verblijfsrecht krijgen, gedurende een periode van minstens tien jaar alleen bij wijze van uitzondering aanspraak kunnen maken op elementaire voorzieningen.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het arrest A.A. niet slaagt. De situatie van eiser komt niet overeen met de situatie in dat arrest, en voor zover van belang, ook niet met de situatie in het arrest Tadmur en de verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025. Deze arresten en de verwijzingsuitspraak gaan immers over de situatie dat op het moment dat het terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, vaststaat dat het beginsel van non-refoulement aan terugkeer in de weg staat. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde. In het bestreden besluit is geen terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd, maar verwezen naar het terugkeerbesluit uit 2009, dat al in rechte vaststaat sinds 2 oktober 2012. Pas (veel) later heeft verweerder voor eiser een risico op refoulement vastgesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat op elk toetsingsmoment door verweerder beoordeeld moet worden of een in rechte vaststaand terugkeerbesluit gehandhaafd kan blijven. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Terugkeerrichtlijn kan in zo’n geval wel de verwijdering worden uitgesteld als verwijdering in strijd zou zijn met het non-refoulementbeginsel. Dat is bij eiser gebeurd.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Inreisverbod en Unierechtelijk openbare orde-criterium
7.1.
Nu het terugkeerbesluit naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig is en vaststaat dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan zijn vertrekplicht, was verweerder gehouden om op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw een inreisverbod uit te vaardigen. Op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaar, indien het een vreemdeling betreft die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde vanwege de omstandigheid dat hem artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.
7.2.
De rechtbank dient bij de toets of eiser een ernstige bedreiging vormt in hiervoor bedoelde zin, te beoordelen of verweerder terecht heeft overwogen dat eiser een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving (het Unierechtelijk openbare orde-criterium).
7.3.
Het Hof van Justitie heeft in het arrest in de zaken K. en H.F. van 2 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:296, uiteengezet hoe met het Unierechtelijk openbare-ordecriterium moet worden omgegaan in relatie tot vreemdelingen op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. In dit arrest is geoordeeld dat de enkele aanwezigheid van een persoon op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet automatisch voldoende is om een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging aan te nemen. Er dient rekening te worden gehouden met de aspecten die bij de 1(F)-tegenwerping zijn betrokken, in het bijzonder de aard en de ernst van de verweten gedragingen, de mate van persoonlijke betrokkenheid en het eventuele bestaan van strafuitsluitingsgronden. Dit geldt temeer als een strafrechtelijke veroordeling ontbreekt. Verder is het tijdsverloop sinds de verweten gedragingen relevant. Beoordeeld dient te worden of van het persoonlijke gedrag nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving uitgaat, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke historische en maatschappelijke context waarin de verweten gedragingen zich hebben afgespeeld en met het eventuele recidiverisico. Het bestaan van een bedreiging zoals bedoeld in het Unierechtelijk openbare orde-criterium moet worden vastgesteld op basis van een beoordeling door de bevoegde instanties van het gastland van het persoonlijke gedrag van de betrokken persoon, waarbij rekening moet worden gehouden met alle voornoemde aspecten, met name om uit te maken of uit het gedrag van de betrokkene blijkt dat hij nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde fundamentele waarden aantast en dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking zouden kunnen worden verstoord.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3017 en 26 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2759, nader duiding gegeven aan dit arrest. De Afdeling heeft overwogen dat uit dat arrest volgt dat bij de beoordeling van de vraag of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het persoonlijk gedrag geen actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde (meer) vormt, in het bijzonder (voor wat betreft de actualiteit) betekenis toekomt aan zijn gedrag en houding ná het plegen van de 1(F)-misdrijven en met name aan de momenten waarop hij zich rekenschap geeft van zijn daden, daarvoor de verantwoordelijkheid neemt en oprecht berouw toont voor die daden, met dien verstande dat het niet tonen van oprecht berouw daarbij op zichzelf niet doorslaggevend is. Verder heeft de Afdeling overwogen dat een vreemdeling die het begaan van de 1(F)-misdrijven ontkent of bagatelliseert, niet snel aannemelijk zal kunnen maken dat hij niet (langer) een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Geen doorslaggevende betekenis komt toe aan uitsluitend tijdsverloop en het gegeven dat de vreemdeling geen nieuwe handelingen heeft verricht die maken dat hij een bedreiging voor de openbare orde vormt.
7.4.1.
Deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, heeft in haar uitspraak van 27 maart 2024 geoordeeld dat de afhankelijkheidsrelatie van de vreemdeling met zijn minderjarig kind, het gezinsleven en het sociale leven van de vreemdeling relevant kunnen zijn bij de beoordeling van de houding en het gedrag van de vreemdeling sinds de pleegdatum van het misdrijf. Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch ziet daarvoor aanknopingspunten in de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2022. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder in het kader van de openbare orde, bij de beoordeling van het gedrag en de houding van de vreemdeling, had moeten betrekken dat de vreemdeling, die artikel 1(F) tegengeworpen kreeg vanwege het faciliteren van ernstige misdaden tegen Servische burgers in de periode 1992-1993, al jarenlang in goede harmonie samenleefde met de groep Bosnische Serviërs in [locatie] . Verweerder had volgens de Afdeling nader onderzoek moeten doen naar de situatie van de vreemdeling in [locatie] in relatie tot zijn gedrag en houding. Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch leidt hieruit af dat sociale samenleefomstandigheden een rol kunnen spelen bij de vraag of een vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt.
7.4.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om bovengenoemde uitspraak van zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch in dit geval te volgen. De Afdeling heeft deze uitspraak op 12 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6037, weliswaar bevestigd, maar uit die enkele bevestiging zonder nadere toelichting kan gezien het arrest K. en H.F. en de specifieke situatie in [locatie] die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2022, niet worden opgemaakt dat sociale leefomstandigheden in elke individueel geval zonder meer relevant zijn voor de beoordeling van het openbare orde-gevaar en daarom daarbij moeten worden betrokken. Eiser heeft in de bestuurlijke fase (de fase waarin hij alle feiten en omstandigheden naar voren moet brengen op grond waarvan hij vindt dat geen inreisverbod moet worden opgelegd) niet toegelicht wat de relevantie is van zijn sociale leefomstandigheden voor de beoordeling van zijn houding en gedrag in het kader van het openbare orde-gevaar. De rechtbank neemt daarom de eerdere overwegingen van de Afdeling in de uitspraak van 26 september 2022 als uitgangspunt, te weten: verweerder moet aan de hand van de richtpunten uit het arrest K. en H.F. van het Hof van Justitie de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden onderzoeken en deze vervolgens kenbaar bij zijn beoordeling betrekken en in het licht daarvan motiveren of, en zo ja waarom, hij van mening is dat de vreemdeling nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Pas bij de beoordeling van de evenredigheid van het besluit moet rekening worden gehouden met alle feiten en omstandigheden van de vreemdeling, zoals onder meer (opnieuw) de aard en de ernst van het aan de betrokken persoon verweten gedrag, de duur en, in voorkomend geval, de rechtmatigheid van zijn verblijf in het gastland, de tijd die sinds dat gedrag verstreken is, zijn gedrag gedurende die tijd, de mate waarin hij een actueel gevaar voor de samenleving vormt alsook de hechtheid van de maatschappelijke en culturele banden en familiebanden met die lidstaat.
7.5.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit aan de hand van het hiervoor weergegeven juridische kader zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat van eisers gedragingen in Afghanistan nog steeds een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging uitgaat, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, en dat het tijdsverloop van onvoldoende gewicht is om hier verandering in te brengen. Verweerder heeft in het bestreden besluit alle omstandigheden die volgens het arrest K. en H.F. van belang zijn expliciet en puntsgewijs betrokken en gemotiveerd waarom deze in het voordeel of juist nadeel van eiser dienen mee te wegen. Zo heeft verweerder in dat kader terecht overwogen dat in rechte vaststaat dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag. Eiser wordt in verband gebracht met het martelen en executeren van personen. Het gaat daarbij om zeer ernstige misdrijven die, indien zij hier te lande zouden zijn gepleegd, de rechtsorde aanzienlijk zouden hebben geschokt en die een aantasting vormen van de fundamentele waarden van de Europese Unie. Verweerder heeft ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser willens en wetens persoonlijk heeft deelgenomen aan deze misdrijven. Dat eiser tot op heden niet strafrechtelijk voor deze of andere misdrijven is vervolgd en het lange tijdsverloop sindsdien, weegt volgens verweerder niet op tegen de ernst van de misdrijven, de individuele aansprakelijkheid van eiser en het gedrag en de houding van eiser door de jaren heen. Bij het laatste punt heeft verweerder terecht overwogen dat eiser geen blijk heeft gegeven van enig schuldbesef en verantwoordelijkheidsgevoel voor de misdrijven waarmee hij in verband wordt gebracht.
7.6.
Nu eiser verder geen andere inhoudelijke beroepsgronden heeft gericht tegen de door verweerder verrichte toets aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium en de in dat kader genoemde omstandigheden, slaagt deze beroepsgrond niet.
7.7.
Voor zover eiser aanvoert dat artikel 8 van het EVRM aan het opleggen van een inreisverbod in de weg staat, wijst verweerder er terecht op dat er een uitzetbeletsel is aangenomen vanwege het risico op refoulement indien eiser terug zou keren naar Afghanistan. Eiser kan op dit moment daarom zijn familie- en gezinsleven in Nederland uitoefenen. De rechtbank verwijst verder naar wat hierna onder 8.3 en 8.4 wordt overwogen.
Evenredigheid en artikel 8 EVRM
8.1.
De rechtbank dient verder te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft in een belangenafweging de belangen van de Nederlandse samenleving afgewogen tegen de belangen van eiser. In het voordeel van eiser zijn de belangen van zijn gezinsleden meegewogen, waaronder het gezinsleven dat eiser in Nederland heeft met zijn echtgenote en kinderen die allen de Nederlandse nationaliteit hebben en in het bijzonder de belangen en de zorgbehoefte van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is gediagnostiseerd met een autismespectrumstoornis met bijkomende ontwikkelingsachterstand. Verweerder heeft in het voordeel van eiser meegewogen dat eiser een belangrijke rol speelt bij de verzorging voor [minderjarige 1] en dat het vanuit het oogpunt van [minderjarige 1] beter zou zijn als beide ouders aanwezig zijn voor zijn verzorging.
In het nadeel van eiser heeft verweerder meegewogen dat van eisers gedrag nog steeds een ernstige dreiging uitgaat voor de fundamentele belangen van de samenleving. Verder is in eisers nadeel meegewogen dat hij sinds het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn voorwaardelijke verblijfsvergunning op 20 november 1999 geen rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. Hij heeft meerdere keren de aanzegging gehad om Nederland te verlaten, ook toen zijn echtgenote en kinderen nog niet de Nederlandse nationaliteit hadden en er nog geen sprake was van een uitzetbeletsel. Desondanks heeft eiser Nederland niet verlaten en ervoor gekozen gezinsleven op te bouwen en verder te intensiveren terwijl hij hier niet rechtmatig verbleef. Bij de rol die eiser speelt in de verzorging van [minderjarige 1] tekent verweerder (de rechtbank begrijpt: ter relativering) aan dat professionele ondersteuning wordt geboden bij de zorg voor [minderjarige 1] en dat [minderjarige 1] een specialistisch kinderdagcentrum bezoekt. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het belang van eiser onder deze omstandigheden niet opweegt tegen de belangen van de Nederlandse samenleving.
8.2.
Uit de stukken die eiser in beroep heeft ingediend, die zien op de medische situatie van [minderjarige 1] , de zorg die hij behoeft en de rol die eiser hierbij speelt, blijkt geen ander beeld dan de feiten en omstandigheden die verweerder al bij het bestreden besluit heeft betrokken. Ter zitting heeft eiser dit bevestigd. De stukken zijn ingediend omdat deze recenter zijn en niet omdat de situatie rondom [minderjarige 1] veranderd is. De stukken leiden dan ook niet tot een ander oordeel.
8.3.
Daarnaast heeft verweerder aan de hand van de guiding principles uit de arresten Boultif en Üner van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens getoetst of het niet verlenen van een verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank alle relevante belangen onderkend en tegen elkaar afgewogen. Hierbij heeft verweerder in eisers nadeel kunnen meewegen dat in rechte vaststaat dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is omdat hij in verband kan worden gebracht met het in Afghanistan martelen en executeren van personen in de periode van 1989 tot 1992, in de context van het intern gewapende conflict in Afghanistan tussen het communistisch regime en de verschillende Mudjaheddin-groeperingen. Verweerder heeft terecht overwogen dat het hier gaat om uitzonderlijk ernstige misdrijven. Op grond van die 1(F)-tegenwerpingen is aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Eiser is op 11 november 1998 naar Nederland gekomen en verblijft sinds 20 juni 1999 onrechtmatig in Nederland. Verweerder heeft niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Dat hij in verband met een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet naar Afghanistan, laat immers onverlet dat op eiser nog altijd de verplichting rust uit Nederland en het Schengengebied te vertrekken. Verder heeft verweerder betrokken dat eiser een belangrijke rol heeft binnen het gezin – bestaande uit zijn echtgenote, zijn zoon [minderjarige 1] , zijn dochter [minderjarige 2] en zijn volwassen dochter [naam dochter] – en dat het uitoefenen van het gezinsleven buiten Nederland niet eenvoudig zal zijn. Daarbij heeft verweerder ook de speciale zorgbehoefte van [minderjarige 1] meegewogen in het voordeel van eiser. Verweerder heeft bovendien meegewogen dat eiser niet met uitzetting wordt bedreigd en daardoor feitelijk in de gelegenheid is in Nederland te verblijven en het gezinsleven uit te oefenen.
8.4.
Gelet op het voorgaande en op wat is overwogen in rechtsoverweging 7.7,. heeft verweerder niet ten onrechte het aanzienlijke tijdsverloop sinds de 1(F)-gedragingen en het feit dat eiser sindsdien geen strafbare feiten heeft gepleegd niet van doorslaggevende betekenis geacht in de belangenafweging. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Chavez-Vilchez-arrest
9.1.
Voor zover eiser meent dat hij in aanmerking komt voor een (afgeleid) verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat, hoewel eiser in beginsel voldoet aan de voorwaarden voor een dergelijk afgeleid verblijfsrecht, hem dit verblijfsrecht kan worden ontzegd, omdat van zijn persoonlijk gedrag een actuele, daadwerkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de fundamentele belangen van de Nederlandse samenleving uitgaat. De rechtbank verwijst hiervoor naar wat hierover onder 7.5 en 7.6 van deze uitspraak is overwogen.
9.2.
Een beroep op de eerdergenoemde uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch kan eiser ook op dit punt niet baten. In die zaak had verweerder bij de vraag of de desbetreffende vreemdeling in aanmerking kwam voor een afgeleid verblijfsrecht (onder meer) niet betrokken dat de vreemdeling een afhankelijkheidsrelatie met zijn minderjarig kind had en het gezinsleven en het sociale leven van de vreemdeling in dat verband. Bij eiser heeft verweerder die omstandigheden wel betrokken. Verweerder heeft allereerst vastgesteld dat eiser in beginsel voldoet aan de voorwaarden voor afgifte van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. Vervolgens heeft verweerder het persoonlijk gedrag van eiser in aanmerking genomen, waarvan een actuele, daadwerkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de fundamentele belangen van de Nederlandse samenleving uitgaat. Daarnaast is verweerder, anders dan in de uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, in het voornemen en het bestreden besluit ingegaan op de gezinssituatie van eiser, de belangen van de kinderen en dan met name de zorgbehoefte van [minderjarige 1] en de rol van eiser bij de zorg voor [minderjarige 1] . Verweerder heeft getoetst of het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank kan, onder verwijzing naar rechtsoverweging 8.1 tot en met 8.4, verweerder in zijn beoordeling en standpunt dat van dergelijke strijdigheid geen sprake is, volgen. Verweerder heeft dan ook het afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez aan eiser kunnen onthouden.
Verblijfsvergunning humanitair tijdelijk
10.1.
Op grond van paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vc (geldend ten tijde van het bestreden besluit, thans paragraaf C4/3.6.9.6 van de Vc) wordt aan een vreemdeling die op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onder omstandigheden ambtshalve een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk verleend. Indien de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM beoordeelt de IND alle volgende omstandigheden:
a. of artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja,
b. of de gevolgen voor de vreemdeling van het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zijn, afgewogen tegen de belangen van de Staat om artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag te handhaven.
De term ‘duurzaam’ houdt in dat sprake moet zijn van alle volgende omstandigheden:
de vreemdeling bevindt zich op het moment dat de beslissing wordt genomen al gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie dat de vreemdeling wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;
er is geen vooruitzicht op verandering binnen niet al te lange termijn, gerekend vanaf heden, in de situatie dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet naar het land van herkomst vanwege een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM; en
vertrek van de vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst is ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan vertrekplicht van de vreemdeling niet mogelijk.
De IND neemt disproportionaliteit aan als de vreemdeling aantoont dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat artikel 3 van het EVRM zich niet duurzaam tegen uitzetting verzet, en dat eiser daarom niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk.
Verweerder is niet ten onrechte uitgegaan van 13 juni 2022 als start van de termijn bedoeld onder het eerste punt genoemd in de hiervoor vermelde toelichting in de Vc op de term ‘duurzaam’. Pas bij het besluit van die datum heeft verweerder overwogen dat artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen uitzetting van eiser naar Afghanistan. Met de woorden ‘te rekenen vanaf de datum van de eerste asielaanvraag’, wordt naar het oordeel van de rechtbank aangegeven dat de termijn van tien jaar niet kan aanvangen voor een eerste asielaanvraag is ingediend. De termijn van tien jaar was op het moment dat het bestreden besluit werd genomen nog niet verstreken. Nu artikel 3 van het EVRM zich niet duurzaam verzet tegen uitzetting van eiser naar Afghanistan, hoefde verweerder ingevolge het beleid niet te beoordelen of de gevolgen voor eiser van het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel waren.
10.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzitter, en mr. C.E. Bos en mr. J.G. Bos, leden, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld.