Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21342

2026-06-30 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/696340 / FA RK 25-9593
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/696340 / FA RK 25-9593
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorziening in de voogdij, schorsing gezag van rechtswege, vaststelling gezagsverhouding naar Syrisch recht artikel 16 HKBV.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.869 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 25-9593
Zaaknummer: C/09/696340
Datum beschikking: 30 juni 2026


Voorziening in de voogdij ex artikel 1:253q jo 1:253r BW



Beschikking op het op 16 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:




[de tante] ,

hierna: de tante,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. Kocak in Rotterdam.



Als belanghebbenden worden aangemerkt:





[de tijdelijke voogd] ,

hierna: de tijdelijke voogd,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. C. Goudkamp in Woerden,



en:





[de moeder 1] ,

hierna: de moeder van [de minderjarige 1] ,
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres in het buitenland,





[de vader] ,

hierna: de vader van [de minderjarige 1] ,
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres in het buitenland,





[de moeder 2] ,

hierna: de moeder van [de minderjarige 2] ,
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres in het buitenland.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift, met bijlagen;


het bericht van 12 januari 2026 van de beoogd voogdes, met bijlage;


het bericht van 20 april 2026 van de beoogd voogdes, met bijlage.




Op 2 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:



de advocaat van de tante;


de advocaat van de tijdelijke voogd.




De ouders van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] zijn op de hoogte van onderhavige procedure maar konden vanwege hun situatie in Syrië niet op de zitting verschijnen.



De minderjarigen [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hebben in een gesprek met de kinderrechter hun mening kenbaar gemaakt.




Feiten


Uit het huwelijk tussen de vader en de moeder van [de minderjarige 1] , is [de minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] (Syrië).


Uit de moeder van [de minderjarige 2] is, [de minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats] (Syrië);


Op 5 november 2024 is de (tijdelijke) voogdij over de kinderen aan [de tijdelijke voogd] overgedragen.



[de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] verblijven sinds 27 april 2025 feitelijk bij de tante.



[de minderjarige 2] , zijn moeder en [de minderjarige 1] en zijn ouders hebben de Syrische nationaliteit en de tante heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.





Verzoek
De beoogd voogdes verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


te bepalen dat aan haar de voogdij over [de minderjarige 1] en Hasan wordt toegekend;


te bepalen dat de huidige voogd, [de tijdelijke voogd] , wordt ontheven van zijn voogdijbevoegdheid over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;


te bepalen dat aan de beoogd voogdes, een tijdelijke voogdij wordt toegekend totdat een definitieve uitspraak over de voogdij wordt gedaan;


alle overige maatregelen worden getroffen die rechtbank noodzakelijk acht ter bescherming, veiligheid en continuïteit van de verzorging van de minderjarigen.




De voogd stemt in met de verzoeken.




Beoordeling


Schorsing gezag


Vooraf

Uit de door de tante overgelegde voogdijverklaring is gebleken dat, voor zover er sprake was van voogdij over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] , deze op 5 februari 2025 is afgelopen. Dit was bij zowel de tante als de tijdelijke voogd niet bekend. De rechtbank zal eerst ambtshalve de huidige gezagssituatie vaststellen en de vragen over de bevoegdheid en het toepasselijk recht beantwoorden, voordat zij toekomt aan de beoordeling van de verzoeken van de tante.




Absolute bevoegdheid

Artikel 7, eerste lid, van de Verordening Brussel II-ter bepaalt dat in zaken over ouderlijke verantwoordelijkheid – zoals hier het geval is – bevoegd zijn de rechtbanken van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak aanhangig wordt gemaakt. De rechtbank stelt vast dat de moeder van [de minderjarige 2] en de ouders van [de minderjarige 1] de kinderen naar Nederland hebben gestuurd met de tijdelijke voogd om in Nederland asiel aan te vragen. In december 2024 zijn [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] dan ook naar Nederland gekomen met hun tijdelijke voogd. Zij verbleven eerst in een AZC en sinds 27 april 2025 verblijven zij bij hun tante in [plaats] . De kinderen verblijven nu anderhalf jaar in Nederland en de intentie is dat de ouders van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hiernaartoe afreizen om in Nederland hun gezinsleven voort te zetten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het indienen van de verzoeken door de tante de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] in Nederland was, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is.




Gezagspositie ouders [de minderjarige 1]

Uit artikel 16 lid 1 HKBV 1996 volgt dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de kinderen. Derhalve zou naar Nederlands recht beoordeeld moeten worden wat de gezagspositie van de ouders van [de minderjarige 1] is. Artikel 30 lid 3 van de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming bepaalt echter dat de inwerkingtreding van het HKBV 1996 de ouderlijke verantwoordelijkheid die voordien – vóór 1 mei 2011 – van rechtswege aan een persoon is toegekomen onverlet laat.



Nu [de minderjarige 1] vóór 1 mei 2011 is geboren, dient per die datum te worden onderzocht of van rechtswege een gezagsverhouding tussen zijn ouders en hemzelf is ontstaan. Voor de beoordeling van deze vraag dient het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen van 5 oktober 1961, Trb. 1968, 101 (hierna: HKBV 1961) te worden gehanteerd.



Uit artikel 3 van het HKBV 1961 volgt dat een gezagsverhouding die van rechtswege voortvloeit uit de interne wet van de Staat waarvan de minderjarigen onderdaan zijn in alle Verdragsstaten wordt erkend. [de minderjarige 1] heeft de Syrische nationaliteit waardoor naar het Syrische recht beoordeeld moet worden wat de gezagspositie van de ouders van [de minderjarige 1] is. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) gevraagd zich uit te laten over de inhoud van het Syrisch recht op dit punt. De rechtbank leidt uit de uitspraak van 10 april 2020 van voormelde rechtbank (ECLI:NL:RBZWB:2020:2149; JPF 2020/98 met annotatie van I. Sumner), waarin zij de bevindingen van het IJI heeft gevolgd, het volgende af.



Naar het Islamitische recht, zoals dit ook in Syrië wordt gevolgd, heeft zowel de vader als de moeder van rechtswege gezag over hun minderjarige kinderen waarbij iedere ouder een specifieke vorm van gezag heeft. Het begrip gezag valt in twee sub-begrippen uiteen. De hadana komt aan de moeder toe en betreft de dagelijkse materiële zorg over het kind, zoals het verschaffen van kleding en voedsel, fysieke en geestelijke ontwikkeling, opvoeding in het geloof van de vader. De hadana loopt tot het kind een bepaalde leeftijd heeft bereikt, waarna het meestal (maar niet altijd) overgaat naar de vader. In Syrië loopt de hadana tot het kind 15 jaar is, zowel voor jongens als voor meisjes. De vader heeft de wilaya, waarmee een soort ‘vaderlijke macht’ wordt bedoeld. Deze ziet zowel op het vermogen van de minderjarige als op de persoon van de minderjarige. De vader is de wettelijk vertegenwoordiger van het kind, beheert het vermogen van het kind, heeft de zorg voor de persoon van het kind, de zorg voor diens opvoeding, dient altijd het kind te kunnen bezoeken (als hij niet bij het kind woont) en heeft in de regel een beslissende stem waar het gaat om het bepalen van de gewone verblijfplaats van het kind. De wilaya bestaat gedurende de minderjarigheid van het kind. In het Syrië wordt de meerderjarigheid bereikt bij 18 jaar. De hier genoemde vormen van gezag staan in verband met elkaar en vullen elkaar aan. De grondslag van deze gezagsvormen is religieus van aard.



Gelet op het bovenstaande hadden de ouders van [de minderjarige 1] op het moment van de indiening van het verzoekschrift beiden het gezag over [de minderjarige 1] .




Gezagspositie moeder [de minderjarige 2]

Voor de vraag of de moeder van [de minderjarige 2] gezag over hem heeft is het HKBV 1996 leidend. Hij is immers na datum van inwerkingtreding van 1 mei 2011 geboren. Uit de hierboven aangehaalde conclusie van het IJI leidt de rechtbank af dat de ouders van [de minderjarige 2] het gezag over hem hebben verkregen bij zijn geboorte. Zijn vader is overleden. De rechtbank gaat ervan uit dat het gezag van zijn moeder naar Syrisch recht onveranderd doorloopt.



De volgende vraag die dient te worden beantwoord is of deze gezagsverhouding in Nederland wordt erkend. Uit artikel 16, derde lid, van het HKBV 1996 volgt dat de op grond van het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind – Syrisch recht in het onderhavige geval – bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere Staat. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat de moeder haar gezag over de kinderen heeft behouden nadat hun gewone verblijfplaats is verplaatst naar Nederland.



Concluderend hadden de ouders van [de minderjarige 1] gezag over [de minderjarige 1] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift en had de moeder van [de minderjarige 2] het gezag over hem ten tijde van de indiening van het verzoekschrift.




Relatieve bevoegdheid

Artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat in zaken betreffende minderjarigen bevoegd is de rechter van de woonplaats van de minderjarige. Een minderjarige volgt de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent, zo volgt uit artikel 1:12, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Nu de gezaghebbers van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , zoals hierboven vastgesteld, geen woonplaats in Nederland hebben maar [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wel in Nederland verblijven, wordt er gekeken naar de feitelijke verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Sinds 27 april 2025 verblijven zij bij de tante in [plaats] waardoor de rechtbank in Den Haag bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken.




Toepasselijk recht

De rechtbank past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht toe op de verzoeken.




Inhoudelijke beoordeling

Op grond van artikel 1:253q, tweede en vierde lid, in samenhang met artikel 1:253r, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) benoemt de rechtbank op verzoek van (onder meer) bloed- en aanverwanten van een minderjarige een voogd wanneer een ouder die alleen het gezag over zijn/haar minderjarige kind uitoefent, indien:




l dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen; of


het bestaan of de verblijfplaats van de ouder die het gezag uitoefent, onbekend is.




Gedurende de periode waarin één van voornoemde omstandigheden zich voordoet is het gezag van de ouder (tijdelijk) geschorst op grond van artikel 1:253r, lid 2, BW.



Op grond van de stukken stelt de rechtbank vast dat verzoekster een zus van zowel de vader van [de minderjarige 1] als van de overleden vader van [de minderjarige 2] is. Daarbij staat zij in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] mede omdat zij sinds 27 april 2025 de zorg en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op zich heeft genomen. Verzoekster is daarom ontvankelijk in haar verzoek.

Geen ontslag tijdelijke voogd

Zowel de tante als de tijdelijke voogd waren bij de indiening van het verzoek in de veronderstelling dat de tijdelijke voogdij van de heer [plaats] nog steeds geldig was. De tante verzoekt dan ook om haar tot voogdes te benoemen en de heer [plaats] te ontslaan uit de voogdij omdat zij sinds 27 april 2025 voor de kinderen zorgt en tegen veel praktische bezwaren aanloopt, waaronder de inschrijving in het BRP van de kinderen waardoor zij tot op heden niet naar school kunnen. De veronderstelling dat de heer [plaats] met de tijdelijke voogdij over de kinderen is belast vloeit voort uit een in Syrië opgemaakt document, de “temporary legal guardianship”. Voor zover uit dit stuk al een in Nederland te erkennen voogdijverhouding voortvloeit, geldt dat het stuk een duidelijke einddatum noemt voor de erin geregelde gezagsverhouding. Deze eindigt namelijk op 5 februari 2025. Sinds die tijd hebben de kinderen daarom in ieder geval geen voogd meer. Hun ouders hebben, zoals hierboven uiteengezet, het gezag.



Uit het overgelegde stukken en hetgeen op de zitting besproken is het de rechtbank gebleken dat de ouders van [de minderjarige 1] en de moeder van [de minderjarige 2] – al dan niet tijdelijk - in de onmogelijkheid verkeren om het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit te oefenen.



De rechtbank komt tot deze vaststelling omdat de ouders tot op heden in Syrië verblijven en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in Nederland verblijven. Hoewel de ouders telefonisch contact hebben met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] vanuit Syrië, zijn zij nog nooit in Nederland geweest en kennen zij de Nederlandse samenleving en de praktische gang van zaken hier niet. Daardoor kunnen zij op dit moment niet goed de noodzakelijke gezagsbeslissingen nemen die wel snel nodig zijn. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om beslissingen over de school van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , de inschrijving bij instanties en andere praktische zaken die in Nederland geregeld moeten worden. De ouders hebben onvoldoende zicht op hoe dit in Nederland werkt en het is hen in het afgelopen jaar bijvoorbeeld niet gelukt om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op een school in te schrijven. Daarmee verkeren zij voor nu in de onmogelijkheid om het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit te oefenen.



Aldus is de conclusie dat het gezag van de ouders van [de minderjarige 1] en de moeder van [de minderjarige 2] van rechtswege is geschorst. Er is hierdoor een gezagsvacuüm ontstaan en daarom dient er in de voogdij over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te worden voorzien.



Omdat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] reeds bij de tante verblijven en daar feitelijk binnen haar gezin worden verzorgd, zij via het COA bij haar zijn geplaatst en waarmee zij nog steeds nauw contact heeft, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om te vrezen dat toewijzing van het verzoek in strijd is met de belangen van de [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Daarbij weegt ook mee dat de tante samenwoont met haar partner, beschikt over voldoende financiële middelen om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verzorgen en te ondersteunen, en dat zij regelmatig contact onderhoudt met de ouders, die op de hoogte zijn van de situatie en achter haar benoeming als voogd staan.



Concluderend zal de tante worden belast met de voogdij over de [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Zodra de ouders van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] weer in staat zijn om het gezag uit te oefenen – bijvoorbeeld als zij zich in Nederland bij hun kinderen hebben gevoegd – kunnen zij verzoeken om de schorsing van hun gezag op te heffen.






Beslissing
De rechtbank:


*
stelt vast dat het gezag van [de moeder 1] en [de vader] , over de minderjarige [de minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] (Syrië), is geschorst;



*
stelt vast dat het gezag van [de moeder 2] , over de minderjarige [de minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats] (Syrië), is geschorst;



*
benoemt tot voogdes over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] :

[de tante] , geboren op [geboortedatum 3] 1968 in [geboorteplaats] (Syrië);



*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.



*
wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. T.D. Somer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juni 2026.