Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21337

2026-06-30 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/678019 / FA RK 25-3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/678019 / FA RK 25-3
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Scheiding met nevenvoorzieningen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (54.172 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 25-3 (echtscheiding) en FA RK 25-5085 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/678019 (echtscheiding) en C/09/688017 (verdeling)
Datum beschikking: 30 juni 2026


Scheiding met nevenvoorzieningen



Beschikking op het op 24 december 2024 ingekomen verzoek van:




[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.A. Merhottein te Beverwijk.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B. Kochheim-Bossink te Aerdenhout.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift van 31 december 2025;


het F9 formulier van 16 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de man;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 16 mei 2025;


het verweer op de zelfstandige verzoeken tevens houdend aanvullend verzoekschrift van 6 mei 2026;


het F9 formulier van 15 mei 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;


het F9 formulier van 18 mei 2026 van de zijde van de man;


het bericht van 20 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.




Op 27 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:



de man, bijgestaan door zijn advocaat;


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.





Feiten


Partijen zijn gehuwd op [datum] 1996 te [plaats 1] .


Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.


Partijen zijn de ouders van [persoon] , geboren op [geboortedatum] 1997.






Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt tot echtscheiding, met een nevenvoorziening tot vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.


De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.



Bovendien heeft de vrouw na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:



vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 6.857,- per maand, althans van € 5.652,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;


vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw onder randnummer 3.23 van het verweerschrift/verzoekschrift (gewijzigd conform productie 36) althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen wijze onder toekenning van een overbedelingsuitkering/vergoeding aan de vrouw van € 762.067,- althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen uitkering;


afstorting van de helft van de waarde van de opgebouwde oudedagsvoorziening door de man zoals weergegeven onder randnummer 3.27 van het verweerschrift op een nog door de vrouw op te geven bestemming;


teruggave door de man aan de vrouw van de zegelring uit de nalatenschap van de vader van de vrouw;


de man te gelasten op grond van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) jo. artikel 194 Rv om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn de navolgende bescheiden over te leggen:



a. de volledige vastgestelde jaarrekeningen 2022, 2023 en 2024 van [bedrijfsnaam 1] B.V., inclusief winst-en-verliesrekening, toelichting op de balansposten en winstbestemming - de man heeft tot op heden uitsluitend interne kolommenbalansen verstrekt, waarvan de jaarrekeningen 2022 en 2023 bovendien niet bij de Kamer van Koophandel zijn gepubliceerd (schending artikel 2:394 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);
b. de volledige vastgestelde jaarrekening 2024 van [bedrijfsnaam 2] , inclusief winst-en-verliesrekening, toelichting op de balansposten en grondslagen voor waardering;
c. de ‘Letter of Intent’ gesloten met de projectontwikkelaar ten aanzien van het bedrijfspand aan [adres] , dan wel – zo de ‘Letter of Intent’ reeds is omgezet in een definitieve overeenkomst – die koopovereenkomst;
d. een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag dat de man na het verstrijken van voornoemde termijn in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen, tot een maximum van € 25.000,-, zulks op grond van artikel 611a Rv,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.



De man voert verweer– onder referte voor de afstorting van de helft van de door hem opgebouwde oudedagsvoorziening aan de vrouw – nog verweer tegen het overige, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.




De man verzoekt aanvullend – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – :



te bepalen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 1.810,- bruto per maand dient te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage;


te bepalen dat de man op een datum gelegen binnen vier weken na de beschikking in de gelegenheid wordt gesteld om de voormalige echtelijke woning te betreden om de inboedel te inspecteren, zodat de man daarna een verzoek voor de verdeling van de inboedel aan de rechtbank kan voorleggen;


de verdeling van de (ontbonden) gemeenschap van goederen vast te stellen conform het voorstel van de man in randnummer 28 van het aanvullend verzoekschrift tevens houdende verweer op zelfstandige verzoeken en om te bepalen dat de man aan de vrouw op grond van deze vastgestelde verdeling een bedrag dient te voldoen;


te bepalen dat de man de helft van de opgebouwde oudedagsvoorziening afstort op een door de vrouw aan te geven bankrekening.





Beoordeling
Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.



Echtscheiding

De man en de vrouw hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de rechtbank de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond zal toewijzen.

Partneralimentatie

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal betalen van € 6.857,- per maand, althans van € 5.652,- per maand. De man voert hiertegen verweer en verzoekt te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal betalen van € 1.810,- bruto per maand.



Bij de vaststelling van de partneralimentatie en de berekening hiervan neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt.




Ingangsdatum

Op grond van artikel 1:157 BW kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom met ingang van deze datum een eventueel te bepalen bedrag aan partneralimentatie vaststellen.




Behoefte

Tussen partijen is de behoefte van de vrouw in geschil zodat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw zal vaststellen.



De man en de vrouw zijn het met elkaar eens dat de behoefte van de vrouw moet worden berekend aan de hand van de hofnorm zodat de rechtbank aan de hand van de hofnorm de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw zal berekenen. Hierbij wordt de behoefte van de vrouw vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan van partijen.




Partijen zijn het ook met elkaar eens dat zij eind 2023 definitief uit elkaar zijn gegaan en dat voor de berekening van de behoefte moet worden uitgegaan van het inkomen van partijen in 2023. De rechtbank zal voor de bepaling van de behoefte daarom uitgaan van de tarieven 2023-II.




NBI vrouw

Het inkomen van de vrouw in 2023 is niet tussen partijen in geschil. Het jaarloon van de vrouw bedroeg € 35.174,- en de vrouw ontving daarnaast een jaarlijkse uitkering van Achema van € 254,-. De rechtbank zal daarom uitgaan van een inkomen van de vrouw in 2023 van € 35.428,- (35.174 + 254) .



De rechtbank berekent het NBI van de vrouw in 2023 op € 2.468,- per maand.




NBI man

Het inkomen van de man is tussen partijen in geschil. De vrouw stelt dat partijen tijdens het huwelijk leefden van het DGA-salaris van de man en zijn opnames uit de onderneming van gemiddeld € 30.000 – € 40.000 per jaar. Volgens de vrouw verricht de man ook al jaren vast vrijwilligerswerk als penningmeester bij [vereniging] en is hij voorzitter bij de [sporthal] te [plaats 2] , voor welke functies de man een vrijwilligersvergoeding ontvangt. De vrouw gaat daarom uit van het DGA-salaris van de man van € 90.179,- vermeerderd met € 30.000,- aan dividend en een vrijwilligersvergoeding van € 2.100,- per jaar.



De man betwist dat naast zijn jaarinkomen als DGA van € 90.179,- rekening moet worden gehouden met dividenduitkeringen, omdat er geen dividend is uitgekeerd door de holding. De man erkent dat in het verleden opnames zijn gedaan waardoor er een rekening courant schuld is ontstaan. Volgens de man is in de grootboekrekeningen te zien dat de opnames zijn gedaan ten behoeve van de woning van de vrouw, aanschaf van inboedel en gezamenlijke reizen. De man ontvangt ook geen vrijwilligersvergoeding.



De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat gedurende het huwelijk geen dividenduitkeringen vanuit de holding aan de man hebben plaatsgevonden, maar wel dat de man gelden heeft opgenomen via de rekening courant-verhouding met [bedrijfsnaam 1] B.V. Beide partijen erkennen dat er door hen gedurende het huwelijk naast het inkomen van partijen ook is geleefd van de opnames in rekening courant. Nu partijen ook van dit geld hebben geleefd, is het medebepalend geweest voor het uitgavenpatroon en dus de welstand waarin partijen hebben geleefd. Daarom zal de rechtbank rekening houden met de gemiddelde toename van de rekening courant schuld aan [bedrijfsnaam 1] B.V. over de jaren 2022 t/m 2024. De toename was in 2022 € 21.297,- in 2023 € 32.735,- en in 2024 € 22.342,-. In totaal is de rekening courant toegenomen met
€ 76.374 en is gemiddeld € 25.458,- per jaar opgenomen in rekening courant. De rechtbank zal uitgaan van het DGA-salaris van de man van € 90.179,- en een gemiddelde rekening courantopname van € 25.458,- netto per jaar. De rechtbank zal geen rekening houden met een vrijwilligersvergoeding nu de man de ontvangst daarvan gemotiveerd heeft betwist en de vrouw haar stelling niet nader heeft onderbouwd.



De rechtbank berekent het NBI van de man in 2023 op € 6.514,- per maand.




Gelet op het bovenstaande bedraagt het NBGI van partijen ten tijde van het uiteengaan (€ 2.468,- + € 6.514,- =) € 8.982,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 5.389,- netto per maand (60% van € 8.982,-). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de vrouw € 6.375,- netto per maand.




Aanvullende behoefte

Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 6.375,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. De vrouw stelt dat rekening moet worden gehouden met haar huidige salaris. Zij heeft verschillende loonstroken hiertoe overgelegd. Ook moet volgens de vrouw rekening worden gehouden met de pensioenuitkering van Achmea van € 254,- bruto per jaar.



De man heeft op de zitting aangegeven dat de vrouw voor 90% werkzaam is en voor 100% aan het werk kan gaan.



De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat zij een dienstverband heeft voor 32 uur en uitbetaald krijgt voor 33 uur. Binnen haar huidige functie is het niet mogelijk om uit te breiden naar een full time dienstverband, aldus de vrouw. Gelet op de leeftijd van de vrouw en de stappen die zij al heeft gezet ten opzichte van het jaar van feitelijk uiteengaan ziet de rechtbank geen aanleiding om een verdiencapaciteit aan te nemen die hoger is dan het salaris dat de vrouw nu verdient.



Voor de berekening van het NBI van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een bruto maandinkomen van € 2.815,- per maand, exclusief 8% vakantietoeslag, zoals volgt uit haar salarisspecificatie van januari 2026. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met:



de eindejaarsuitkering van € 234,- per maand;


de tijdelijke arbeidsmarkttoelage van € 220,- per maand;


de oktober toelage van € 113,- per maand;


de BHV toelage van € 25,- per maand;


de premie AOP van € 6,- per maand;


de premie pensioen/NP van € 201,- per maand;


de Achmea uitkering van € 254,- per jaar.



Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:


de algemene heffingskorting;


de arbeidskorting.




Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 2.874,- per maand.



Dit NBI van de vrouw moet in mindering worden gebracht op haar behoefte van € 6.375,- per maand, zodat de vrouw een aanvullende behoefte heeft van € 3.501,- netto per maand. Dat is € 6.880,- bruto per maand.




Draagkracht van de man

De draagkracht van de man is tussen partijen in geschil. Partijen zijn het eens over het DGA salaris van de man van € 90.179,- per jaar. De vrouw voert aan dat er daarnaast ook rekening moet worden gehouden met de volledige winst uit [bedrijfsnaam 1] B.V. na belasting. De vrouw gaat uit van een gemiddelde winst over de jaren 2022 t/m 2024 van € 92.666,- per jaar en stelt zich op het standpunt dat deze winst geheel via een dividenduitkering door de holding ten gunste van de man kan worden uitgekeerd en dat daarom bij de man moet worden uitgegaan van een dividenduitkering van
€ 92.666,- per jaar.



De man bestrijdt dit en voert daartoe het volgende aan. De man zit aan het eind van zijn carrière en moet gaan aflossen op de hoge rekening courant schuld van zijn onderneming. De rekening courant is per 31 december 2024 € 455.586,- en dus onder de op basis van de Wet tegengaan excessief lenen bij de eigen vennootschap bepaalde grens van € 500.000,-. De man is gehouden om hierop te gaan aflossen. Het resultaat van de deelneming van de holding in [bedrijfsnaam 2] in [bedrijfsnaam 1] B.V. van € 37.475 en de ontvangen rente op de RC directie van € 12.231,- zijn daarom geen inkomen voor de man en dienen buiten beschouwing gelaten te worden bij het berekenen van de draagkracht van de man. De man gaat het gehele resultaat in de deelneming gebruiken voor de aflossing van de rekening courant schuld. Op grond van de uitkeringstest kan er geen dividend worden uitgekeerd omdat dit financieel onverantwoord is.



De vrouw verweert zich en voert aan dat dit een keuze is van de man om dit in het licht van de echtscheiding te gaan doen. Het is geen verplichting om de gehele opbrengst in te zetten voor de aflossing van de rekening courant schuld. De man kiest er zelf voor om af te lossen en hij bepaalt hierin zelf het tempo en de omvang van de aflossing.



De rechtbank overweegt als volgt. Bij het bepalen van de draagkracht van de man wordt niet alleen gekeken naar de inkomsten die de man feitelijk verwerft, maar ook naar de inkomsten die de man zich in redelijkheid kan verwerven. De vraag die voorligt is of de man zijn inkomen kan verhogen door een dividenduitkering door de holding. De rechtbank dient bij de beoordeling hiervan rekening te houden met het vennootschappelijk belang waaronder onder meer wordt verstaan dat de continuïteit van de vennootschap wordt gewaarborgd hetgeen het geval is als wordt voldaan aan de uitkeringstest in de zin van artikel 2:216 lid 2 BW. Uit de stukken is gebleken dat het resultaat na belasting in [bedrijfsnaam 1] B.V. inclusief het resultaat deelnemingen in 2022 € 77.030,-, in 2023 € 67.528,-, en in 2024
€ 134.029,- bedroeg. Bij elkaar is dat € 278.587,-. Gemiddeld is dat een resultaat van
€ 92.862,- per jaar. De rechtbank ziet dat de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap een rol speelt en dat de man daarom de rekening courant schuld niet tot een hoger bedrag dan € 500.000,- zal laten oplopen om zo belastingheffing over het meerdere te voorkomen. De man zal op enig moment moeten gaan aflossen op deze rekening courant schuld. De rechtbank ziet ook dat er op enig moment moet worden afgelost op de rekening courant tussen [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] . De rechtbank ziet dat deze rekening courant schuld in 2024 € 470.281,- bedroeg en net onder de € 500.000,- is. De rechtbank acht het realistisch dat de man en de holding gaan aflossen op de rekening courant schulden, maar tot op heden is dat niet gebeurd en de noodzaak om daarvoor vanaf heden het gehele jaarlijkse resultaat aan te wenden is niet aangetoond. De man heeft zich op de uitkeringstest beroepen en dat het doen van en dividenduitkering onverantwoord is. De man is accountant en mede daarom had het op de weg van de man gelegen dit standpunt te onderbouwen met een berekening en een nadere toelichting. Dat is niet gebeurd. De rechtbank gaat er daarom in redelijkheid van uit dat de man zich € 30.000,- per jaar aan dividend kan uitkeren uit de holding.





Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de arbeidskorting.


Op grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 3.138,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 1.883,- netto per maand. Dat is gebruteerd € 3.015,- per maand.




Inkomensvergelijking

De rechtbank heeft een inkomensvergelijking gemaakt om te zien of de vrouw bij de ontvangst van een partneralimentatie naast haar eigen inkomen over een hoger te besteden inkomen beschikt dan de man. Dat is niet het geval.




Conclusie

De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, een partneralimentatie van € 3.015,- bruto per maand aan de vrouw moet betalen.




Aanhechten berekeningen

De rechtbank zal de alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten.




Verdeling van de huwelijksgemeenschap

De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 1996. Nu partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Als uitgangspunt geldt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte tussen hen wordt verdeeld (artikel 1:100 BW, zoals dat gold voor 1 januari 2018).




Peildatum

De rechtbank overweegt dat voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap als peildatum 24 december 2024, de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, geldt. Voor de waardering geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.




Omvang

De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen gesteld die in de verdeling zouden moeten worden betrokken:



de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V.;


de inboedel;


de muntenverzameling van de vader van de vrouw;


de zegelring van de vader van de vrouw;


het financieel belang in de [sporthal] ;


het flexibel krediet;


de levensverzekeringspolis [polisnummer] ;


de auto en de caravan;


diverse schulden.







Ad 1. de aandelen van [bedrijfsnaam 1] B.V.

Partijen zijn het met elkaar eens dat de aandelen van [bedrijfsnaam 1] B.V. aan de man worden toegedeeld onder verrekening bij helfte van de waarde van de aandelen met de vrouw. Partijen zijn het echter niet met elkaar eens over de waarde van de aandelen.



Partijen zijn het wel eens over de wijze van berekening en de uitgangspunten. Deze is als volgt: de waarde bestaat uit het eigen vermogen van [bedrijfsnaam 1] vermeerderd met de meerwaarde van deelneming in [bedrijfsnaam 2] , dat wil zeggen het verschil tussen de feitelijke waarde en de boekwaarde. De meerwaarde bestaat volgens de man uit de stille reserve in het kantoorpand omdat de marktwaarde hoger is dan de boekwaarde en daarnaast uit goodwill. De vrouw is het op deze punten met de man eens en is van mening dat daarnaast ook sprake is van materiele vaste activa die meer waard is dan in de boeken staat vermeld.



De berekeningswijze van de meerwaarde van de deelneming in [bedrijfsnaam 2] ziet er volgens partijen als volgt uit:
taxatiewaarde pand
– boekwaarde pand + meerwaarde materiele vaste activa
+ goodwill – vennootschapsbelasting latentie
+ eigen vermogen
50% van de som want de holding heeft een deelneming van 50%
– boekwaarde deelneming




Eigen vermogen [bedrijfsnaam 1]
Partijen zijn het met elkaar eens dat moet worden uitgegaan van het eigen vermogen van [bedrijfsnaam 1] B.V. op 31 december 2024 en dat dit € 620.668,- bedraagt.



Taxatie van het pand

Partijen zijn het met elkaar eens dat de boekwaarde van het pand € 369.500,- bedraagt.
Partijen zijn het niet met elkaar eens van welke getaxeerde waarde van het pand moet worden uitgegaan.



De man heeft een taxatie laten verrichten om de huidige waarde te laten vaststellen. Deze taxatie heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026 en is € 1.300.000,-. Als de man het pand laat verduurzamen dan kan de waarde van het pand volgens het taxatierapport stijgen naar € 1.635.000,-.



De vrouw betwist de door de man gestelde waarde van het pand. Volgens de vrouw zal het stuk grond waarop het pand staat worden ontwikkeld. Het kantoorpand zal worden gesloopt en er zullen in de plaats appartementen worden gebouwd. De waarde hiervan zal € 2.600.000,- zijn. Dit is het bedrag dat de man in het verleden heeft genoemd. Subsidiair stelt de vrouw dat de taxatie van € 1.635.000,- meer aansluit bij de taxatie die is gedaan in 2019 van € 1.390.000,-.



De man heeft op de zitting aangegeven dat er inderdaad een plan lag om de grond waarop het kantoorpand staat te ontwikkelen, maar dat dit nu niet kan worden uitgevoerd. Door de gemeente is een bouwvergunning afgegeven voor de bouw van appartementen, maar er loopt nu een aanvraag om het kantoorpand een monumentale status te geven. Als dit wordt goedgekeurd dan kan het kantoorpand niet worden gesloopt. Dat heeft tot gevolg dat er geen appartementen kunnen worden gebouwd zodat het project voor de projectontwikkelaar financieel niet meer interessant is en dus niet zal worden uitgevoerd. De man heeft tegen de monumentale status aanvraag bezwaar gemaakt. Het bezwaar is voor een second opinion doorgestuurd naar de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit. Gelet op de pensionering van de man had hij gehoopt dat het project zou worden uitgevoerd, maar nu dat niet zo is, is dat een fikse financiële tegenvaller voor de man.



De man heeft aan de vrouw voorgesteld om nu af te rekenen tegen de taxatiewaarde van € 1.300.000,- en af te spreken dat als het project doorgang vindt de vrouw ook een deel van de meeropbrengst zal ontvangen. Met het oog hierop is de zitting voor korte tijd geschorst geweest, maar dit heeft niet tot concrete afspraken tussen partijen geleid zodat de rechtbank een beslissing zal nemen.

Nu de doorgang van het project op losse schroeven staat en zeer twijfelachtig is, betreft het een onzekere toekomstige omstandigheid. Daarom zal de rechtbank uitgaan van de huidige waarde zoals die blijkt uit de taxatie van 28 mei 2024 van € 1.390.000,-, waarbij wordt uitgegaan van de feitelijke situatie waarin er geen werkzaamheden met het oog op verduurzaming hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de waarde van het pand daarna is afgenomen naar € 1.300.000,-.




Boekwaarde pand
Partijen zijn het met elkaar eens dat de boekwaarde van het pand € 369.500,- bedraagt.



Materiele vaste activa
Partijen verschillen van mening over de waarde van de materiele vaste activa. De vrouw stelt dat de huidige boekwaarde laat zien dat er fors is afgeschreven op de materiele vaste activa en dat de feitelijke waarde hoger is. De vrouw schat de waarde van de materiele vaste activa daarom op € 50.000,-. De man verweert zich en voert aan dat op de materiele vaste activa is afgeschreven en deze nauwelijks nog waarde vertegenwoordigen. De materiele vaste activa staan per 31 december 2024 voor € 1.990,- op de balans.


Nu de materiele vaste activa voor een bedrag van € 1.990,- op de balans staat en de vrouw gezien de gemotiveerde betwisting door de man het bedrag van € 50.000,- niet nader heeft onderbouwd ziet de rechtbank geen aanleiding om met een hogere waarde aan materiele vaste activa rekening te houden.



Goodwill
Partijen zijn het met elkaar eens dat de jaarwinst € 135.000,- bedraagt, maar zijn het niet met elkaar eens over de multiple die moet worden toegepast om de omvang van de goodwill te bepalen. De vrouw ging in beginsel uit van de informatie van Brookz die zij als productie 12 heeft overgelegd en voert aan dat de jaarwinst dient te worden vermenigvuldigd met een multiple van 4,8. Uiteindelijk gaat de vrouw uit van een multiple van 5. Zij onderbouwt dit met recente informatie van Brookz die is overgelegd als productie 35. De man betwist dat er met een multiple van 5 moet worden gerekend. Volgens de man dient in de specifieke situatie waarin [bedrijfsnaam 2] verkeert een multiple van maximaal 4,5 te worden gehanteerd. Deze lagere multiple wordt veroorzaakt door de hoge leeftijd van de beide partners, de sterke verbondenheid van het klantenbestand aan beide partners en de relatief hoge leeftijd van het personeel alsmede het risico kleine onderneming(MKB).


De rechtbank overweegt als volgt. Uit de informatie van Brookz zoals overgelegd in productie 12 volgt een gemiddelde multiple van 4,75. Uit de recente informatie van Brookz zoals overgelegd in productie 35 volgt een gemiddelde multiple van 5. De rechtbank zal de informatie van Brookz volgen nu de informatie van Brookz als onafhankelijk wordt aangemerkt. De rechtbank zal daarom uitgaan van een multiple van 5. De rechtbank berekent de goodwill op € 135.000 x 5 = € 675.000,-. Vennootschapsbelastinglatentie
Partijen zijn het eens dat rekening moet worden gehouden met de vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn als de activa in het economisch verkeer te gelde zouden zijn gemaakt. Partijen verschillen echter van mening over het te hanteren belastingpercentage. De man is van mening dat gerekend moet worden met 20% omdat het nominale tarief 19% is en hij op korte termijn met de vrouw moet afrekenen. De vrouw meent dat de contante waarde van de belastingclaim in mindering moet worden gebracht en stelt deze op een percentage van 15%. De vennootschapsbelasting bedraagt 19%. Partijen hebben ieder een ander percentage genoemd waarmee gerekend dient te worden, maar hebben hun standpunten niet nader onderbouwd. De rechtbank zal daarom voor de vennootschapsbelasting aansluiten bij het daarvoor gebruikelijke tarief van 19%.




Eigen vermogen
Partijen zijn het met elkaar eens dat moet worden uitgegaan van het eigen vermogen van [bedrijfsnaam 2] op 31 december 2024 en dat dit € 716.526,- bedraagt.



Boekwaarde deelneming
Partijen zijn het met elkaar eens dat de boekwaarde van de deelneming € 695.885,- bedraagt.



Conclusie
Gelet het bovenstaande berekent de rechtbank de waarde van de aandelen als volgt:


Eigen Vermogen [bedrijfsnaam 1] B.V.: € 620.668,-– waarde deelneming in [bedrijfsnaam 2] :
Taxatie pand: € 1.390.000,-
– boekwaarde pand: € 369.500,-
€ 1.020.500,-
+ goodwill: € 675.000,-
€ 1.695.500,- – VPB latentie 19%: € 322.145,-
€ 1.373.355,-
+ eigen vermogen: € 716.526,-
€ 2.089.881,-
50% deelneming: € 1.044.940,50,-
– boekwaarde deelneming: € 695.885,-
+ meerwaarde deelneming € 349.055,50,-
= waarde van de aandelen € 969.723,50,-
De rechtbank berekent de waarde van de aandelen op € 969.723,50,- zodat de rechtbank zal bepalen dat de aandelen voor die waarde aan de man worden toegedeeld onder de verplichting om de helft van de waarde, zijnde € 484.861,75 aan de vrouw te voldoen.




Ad 2. de inboedel
De man verzoekt te bepalen dat hij nog de gelegenheid krijgt om binnen vier weken na de beschikking de voormalige echtelijke woning te betreden om de inboedel te inspecteren, zodat de man daarna een verzoek voor de verdeling van de inboedel aan de rechtbank kan voorleggen. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij over de jaren heen gereedschappen heeft verzameld die hij graag terug wil hebben.



De vrouw verweert zich en stelt dat de voormalige echtelijke woning haar privé eigendom is en dat de man geen recht heeft om de woning te betreden. Daarnaast heeft de man drie jaar geleden toen hij de woning heeft verlaten afstand gedaan van de spullen in de woning. De persoonlijke eigendommen van de man, zoals kleding, heeft de vrouw toen al aan de man gegeven. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij het prima vindt om de man toegang te geven tot de garage van de woning zodat als hij spullen wil hebben die daar staan, hij die mag meenemen, met uitzondering van de fiets van de vrouw.



De rechtbank gaat ervan uit dat de inboedel in de gemeenschap van goederen valt. Ten aanzien van de inboedel overweegt de rechtbank als volgt. De man heeft op de zitting erkend dat hij na zijn vertrek in 2023 persoonlijke spullen van de vrouw heeft ontvangen. Er zijn door de man verder geen inboedellijsten overgelegd en de man heeft op de zitting, met uitzondering van de gereedschappen in de garage, niet aangegeven welke inboedelgoederen hij nog wenst te ontvangen. Nu de man niet specifiek heeft aangegeven welke spullen hij toegedeeld wil krijgen is de rechtbank onder deze omstandigheden niet in staat de inboedel te verdelen. Er is ook geen wettelijke grondslag om de man toegang te verlenen tot de privé woning van de vrouw. De rechtbank zal daarom vaststellen dat partijen de inboedel in onderling overleg zullen verdelen.



Partijen hebben verder op de zitting met elkaar afgesproken dat de man binnenkort toegang krijgt tot de garage van de voormalige echtelijk woning. De man kan, met uitzondering van de fiets van de vrouw, de gereedschappen en andere spullen die hij wil uit de garage meenemen. Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum, maar geldt wel tussen partijen.




Ad 3. de muntenverzameling van de vader van de vrouw
De man wenst de door de vader van de vrouw aan de man gelegateerde muntenverzameling te ontvangen dan wel een vergoeding van de helft van de waarde van de muntenverzameling te ontvangen. De man heeft de muntenverzameling bij zijn vertrek uit de echtelijke woning niet meegenomen.



De vrouw is het hier in beginsel niet mee eens. Op de zitting heeft de vrouw erkend dat de man de muntenverzameling onder een legaat heeft verkregen. Zij weet niet waar de muntenverzameling is.



De rechtbank stelt vast dat de man een muntenverzameling onder legaat heeft gekregen van de vader van de vrouw. De vrouw heeft op de zitting toegezegd de muntenverzameling te zullen zoeken en vervolgens te overhandigen aan de man.



De rechtbank zal bepalen dat de muntenverzameling aan de man wordt toegedeeld.




Ad 4. de zegelring van de vader van de vrouw
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man de zegelring uit de nalatenschap van de vader van de vrouw aan haar teruggeeft. Zij wenst deze te geven aan de zoon van partijen.

De man heeft aangegeven dat hij niet weet waar de zegelring van haar vader is gebleven. De man heeft deze samen met zijn trouwring weliswaar meegenomen, maar weet niet waar hij deze heeft gelaten.



De rechtbank stelt vast dat de man op de zitting heeft toegezegd de zegelring te zullen zoeken en vervolgens aan de vrouw te zullen overhandigen. De rechtbank zal bepalen dat de zegelring van de vader van de vrouw aan de vrouw zal worden toegedeeld.




Ad 5. het financieel belang in de [sporthal]
De vrouw voert aan dat de man sinds 2009 betrokken is bij de [sporthal] te [plaats 2] . De [sporthal] is eigendom van een Stichting en de man is bestuurder van deze stichting. Volgens de vrouw heeft man meermaals tijdens het huwelijk voorgehouden dat de stichting de man meerdere financiële voordelen biedt waaronder dat verkoop van de hal in de toekomst zou resulteren in gelden voor partijen.

De man heeft op de zitting erkend dat hij in de veronderstelling was dat bij verkoop van de sporthal hij als bestuurder mede gerechtigd zou zijn tot een deel van de opbrengst. Inmiddels is gebleken dat dit niet het geval is.



De rechtbank overweegt als volgt. Dat de man bestuurder is van de sporthal maakt niet dat de man medegerechtigd is tot eigendom en/of geld dat in de stichting zit. Naar oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van vermogen dat deel uitmaakt van de gemeenschap van goederen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af.

Ad 6. het ABN AMRO flexibel krediet [nummer]
Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat het saldo van het flexibel krediet dat op
14 juli 2008 is afgesloten en aanvankelijk € 15.000,- bedroeg begin 2024 volledig is afgelost. Nu het krediet voor de peildatum is afgelost, stelt de rechtbank vast dat zij hier niet meer op hoeft te beslissen.




Ad 7. de levensverzekeringspolis [polisnummer]
Uit de stukken is gebleken dat de levensverzekeringspolis is verpand aan de ABN AMRO als hypotheeknemer van de woning die privé eigendom is van de vrouw. Partijen zijn het met elkaar eens dat deze polis tegen de actuele waarde van € 49.779,- aan de vrouw wordt toegedeeld onder de verplichting tot betaling van de helft, zijnde € 24.889,50 aan de man.


Ad 8. de auto en de caravan
Op de zitting is gebleken dat partijen het met elkaar eens zijn dat de vrouw de auto tegen een waarde van € 7.500,- en de caravan tegen eveneens een waarde van € 7.500,- toegedeeld zal krijgen zodat de rechtbank de auto en de caravan aan de vrouw zal toedelen onder de verplichting tot betaling van helft van de waarde, zijnde € 7.500,- aan de man.






Ad 9. de schulden


Wettelijk kader

Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.



In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.



Partijen hebben de volgende schulden aangevoerd:



de ABN AMRO lening;


de rekening-courant schuld;


de schuld aan [persoon] .





ABN AMRO lening

Zoals hierboven weergegeven zijn partijen een lening aangegaan bij de ABN AMRO voor € 45.000,-. De stand van de lening is op de peildatum € 24.750,- en valt in de gemeenschap zodat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn.


Rekening courant schuld [bedrijfsnaam 1] B.V.
De man stelt dat partijen een rekening courant schuld hebben bij [bedrijfsnaam 1] B.V., die op 31 december 2024 € 455.586,- bedraagt en dat partijen beiden hiervoor ieder voor de helft draagplichtig zijn. De rekening courant opnames zijn volgens de man grotendeels ten goede gekomen aan beide partijen waarvan het grootste deel aan de woning van de vrouw. De opnames na 2023 zijn volgens de man besteed aan de dubbele lasten van de man. De man betaalt tot heden een groot deel van de vaste lasten van de vrouw. Deze lasten ten behoeve van de vrouw bedragen gemiddeld meer dan € 1.4750,- netto per maand. Ook is de man van mening dat de rekening courant schuld moet worden gebruteerd, hetgeen leidt tot een aanvullend bedrag aan belasting van € 200.000,-.



De vrouw betwist het door de man gestelde en voert daartoe het volgende aan. De vrouw was niet op de hoogte van de hoge rekening courant schuld. De man heeft pas na zijn vertrek de schuld aan de vrouw gepresenteerd. De man heeft de vrouw slechts rekening courant overzichten gepresenteerd waarop hij handmatig kosten vermeldde die de vrouw niet kan controleren. Volgens de vrouw ontbreekt ook de noodzaak tot opbouw van een rekening courant schuld nu de man zichzelf al jaren een hoger salaris of dividend had kunnen toekennen om de kosten van de huishouding te kunnen betalen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat er sprake was van een aanzienlijke ongelijkheid in draagkracht tussen partijen waardoor het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de rekening courant schuld tussen partijen gelijk te verdelen zoals de man stelt. Volgens de vrouw dient de rekening-courantschuld primair voor 100% voor rekening van de man te komen. Subsidiair is de vrouw van mening dat de redelijkheid en billijkheid zich ook verzetten tegen een gelijke verdeling vanaf 2023 nu de opnames door de man vanaf 2023 niet meer kunnen zijn aangewend voor de gezamenlijke huishouding. De vrouw heeft op de zitting wel erkend dat de man een groot deel van de vaste lasten van de vrouw heeft betaald ter voorkoming van een procedure voorlopige voorziening tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie.



De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het hier gaat om een schuld die in de gemeenschap valt. De rekening courant schuld was aanwezig op de peildatum. Dat de vrouw niet op de hoogte was van de rekening courant schuld maakt dat niet anders. Dat er in het verleden niet voor is gekozen om het salaris van de man te verhogen of dividend te laten uitkeren, maar de uitgaven van partijen via de rekening courant schuld te financieren is een vaststaand gegeven. Op 1 januari 2024 bedroeg de rekening courant schuld € 433.244,- en op 31 december 2024 bedroeg de rekening courant schuld € 455.586,-. De stand van de rekening courant schuld op de peildatum is niet bekend. Nu tussen de peildatum, 24 december 2024, en 31 december 2024 geen groot verschil zal zijn, zal de rechtbank uitgaan van de stand van de rekening-courant schuld per 31 december 2024 van € 455.586,- en vaststellen dat dat de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de rekening courant schuld bij [bedrijfsnaam 1] B.V..




Schuld aan [persoon] in verband met zijn studieschuld
De vrouw voert aan dat partijen aan hun zoon [persoon] hebben toegezegd dat zijn studieschuld van € 15.272,- door hen zal worden afgelost waardoor de studieschuld van [persoon] als gemeenschapsschuld moet worden aangemerkt.

De man voert aan dat [persoon] geen partij is bij deze echtscheidingsprocedure. [persoon] is de schuld als volwassen persoon aangegaan en de schuld staat op zijn naam. Daarom kan de studieschuld van [persoon] niet in de verdeling tussen partijen worden betrokken.



De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft op de zitting erkend dat partijen met [persoon] hadden afgesproken dat zij zijn studieschuld zullen aflossen. De door de vrouw gestelde omvang van de studieschuld is niet door de man betwist. De man wil echter over de betaling van zijn helft rechtstreeks met [persoon] in gesprek gaan. De rechtbank stelt daarom vast dat partijen met [persoon] hebben afgesproken dat zij aan [persoon] een bedrag zullen overmaken waarmee hij zijn studieschuld zal kunnen aflossen waardoor de rechtbank deze afspraak aanmerkt als een schuld van partijen en dus van de gemeenschap aan [persoon] .



In de onderlinge verhouding geldt dat de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de schuld aan [persoon] .




Vergoedingsrechten

Vergoedingsrecht van de man/gemeenschap jegens de vrouw

De man stelt dat hij een vordering heeft op de vrouw. Hij voert daartoe het volgende aan. Partijen hebben een bedrag van € 45.000,- geleend bij de ABN AMRO om de woning van de vrouw te laten verbouwen. Als productie 21 heeft de man de huidige stand van de lening overgelegd. De man stelt dat € 20.250,- op de lening is afgelost met gemeenschapsgeld. Er is dus geld van de gemeenschap geïnvesteerd in de woning van de vrouw waardoor de gemeenschap een vergoedingsrecht heeft op de vrouw voor het verschil tussen de beginstand en stand op de peildatum.



De vrouw betwist dat er een lening is aangegaan voor de verbouwing van de woning. De vrouw was niet op de hoogte van deze lening. De vrouw was in de veronderstelling dat er een hypotheek was afgesloten voor de kosten van de verbouwing. Als de lening tijdens het huwelijk van partijen is aangegaan dan valt deze in beginsel in de gemeenschap, maar de vrouw kan hier niks over zeggen omdat zij geen inzicht had in de financiën van partijen.



De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is tussen partijen vast komen te staan dat het om een normale lening gaat die tijdens het huwelijk van partijen is afgesloten. Op de lening is € 20.250,- afgelost. Door de vrouw is niet weersproken dat de aflossingen op de lening hebben plaatsgevonden met gemeenschapsgeld. De vrouw heeft wel weersproken dat het geld is gebruikt om haar woning te verbouwen. In het licht van deze betwisting door de vrouw heeft de man geen stukken laten zien waaruit blijkt dat het geleende geld is gebruikt voor de verbouwing van de woning van de vrouw. De rechtbank kan niet vaststellen dat de gemeenschap een vordering heeft op de vrouw en wijst het verzoek van de man daarom af.

Vergoedingsrecht van de vrouw jegens de gemeenschap

De vrouw heeft op 8 oktober 2004 een erfenis onder uitsluitingsclausule verkregen van haar vader. Tot de nalatenschap behoorde een woning. De man heeft ooit voor de vrouw een overzicht gemaakt waaruit blijkt dat de vrouw contant een bedrag van afgerond
€ 89.800,- diende te ontvangen uit de nalatenschap met uitsluitingsclausule. De vrouw heeft dit bedrag niet zelf ontvangen en het bedrag is nu ook niet meer voorhanden zodat de vrouw meent dat dit is besteed aan de man dan wel aan de gemeenschap. De vrouw stelt dat zij een vordering heeft op de gemeenschap van € 89.800,-.



De man verweert zich en voert aan dat het geld is opgegaan aan de verbouwing van het huis van de vrouw dat haar privé eigendom is.



De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft pas een vergoedingsrecht als privégeld van de vrouw in de gemeenschap van goederen terecht is gekomen. De man betwist dat het geld in de gemeenschap terecht is gekomen nu hij stelt dat het geld is opgegaan aan de verbouwing van het huis dat privé eigendom is van de vrouw. De vrouw heeft vervolgens haar stelling, dat het geld in de gemeenschap terecht is gekomen, niet nader onderbouwd. De vrouw heeft geen bankafschriften getoond, zodat niet via geldstromen zichtbaar is geworden waar het geld naartoe is overgemaakt. Voor de rechtbank is daarom niet vast komen staan dat privé vermogen van de vrouw tot het gemeenschapsvermogen is gaan behoren. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af.




Nakoming afspraken over betaling advieskosten van de financieel adviseur van de vrouw

De vrouw voert aan dat partijen voorafgaand aan de procedure in mediation zijn gegaan en dat de man had toegezegd dat de vrouw financiële hulp mocht inschakelen en dat de kosten hiervan ten laste van de gemeenschap zouden komen althans tussen partijen zouden worden gedeeld. Deze kosten bedragen volgens de vrouw € 10.000,-.



De man kan zich niet verenigen met het standpunt van de vrouw en voert hiertoe het volgende aan. Nu de mediation niet is geslaagd zijn alle afspraken in het kader van de mediation komen te vervallen.



De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen erkennen dat zij hebben deelgenomen aan mediation en dat de mediation niet is geslaagd. De regel bij mediation is dat partijen pas gebonden zijn aan in het kader van mediation gemaakte afspraken als deze zijn vastgelegd in een door partijen getekende (deel)overeenkomst. Op zitting is vast komen te staan dat een dergelijke getekende overeenkomst niet bestaat en daarom zal de rechtbank dit verzoek van de vrouw afwijzen.

Afstorting aandeel vrouw in oudedagsvoorziening van de man

De man heeft tijdens het huwelijk pensioen in eigen beheer opgebouwd en dit is omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in artikel 38p Wet op de loonbelasting. Partijen zijn het erover eens dat de helft aan de vrouw toekomt en door de man dient te worden afgestort op een door de vrouw aan te geven bankrekening. De vrouw heeft gesteld dat de stand € 128.000,- bedraagt en aan haar de helft ofwel € 64.000,- toekomt. Nu dit niet door de man is bestreden en beide partijen hebben verzocht te bepalen dat de man de helft moet overmaken op een door de vrouw aan te geven rekening, zal de rechtbank deze verzoeken toewijzen zodat de man verplicht is een bedrag van € 64.000,- af te storten.



De man heeft aangegeven dat hij andersom aanspraak maakt op zijn aandeel in het door de vrouw in loondienst opgebouwde ouderdomspensioen. Nu het recht van de man op pensioenverevening al volgt uit de wet heeft de man geen belang bij vastlegging daarvan in het dictum van deze beschikking en daarom wijst de rechtbank dit verzoek af.


Verzoek overleggen van stukken

De vrouw verzoekt de man te gelasten op grond van artikel 22 Rv jo. artikel 194 Rv om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn de navolgende bescheiden over te leggen:



de volledige vastgestelde jaarrekeningen 2022, 2023 en 2024 van [bedrijfsnaam 1] B.V., inclusief winst-en-verliesrekening, toelichting op de balansposten en winstbestemming - de man heeft tot op heden uitsluitend interne kolommenbalansen verstrekt, waarvan de jaarrekeningen 2022 en 2023 bovendien niet bij de Kamer van Koophandel zijn gepubliceerd;


de volledige vastgestelde jaarrekening 2024 van [bedrijfsnaam 2] , inclusief winst-en-verliesrekening, toelichting op de balansposten en grondslagen voor waardering;


de ‘Letter of Intent’ gesloten met de projectontwikkelaar ten aanzien van het bedrijfspand aan [adres] , dan wel – zo de ‘Letter of Intent’ reeds is omgezet in een definitieve overeenkomst – die koopovereenkomst.



De vrouw verzoekt aan de overlegging van bovengenoemde documenten een dwangsom te verbinden van € 500,- per dag voor iedere dag dat de man na het verstrijken van voornoemde termijn in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen, tot een maximum van € 25.000,-.


Op de zitting heef de vrouw haar verzoek gewijzigd en aangegeven ook de stukken van de onderneming van de man van 2025 te willen ontvangen.
De man is van mening dat de jaarrekeningen zijn ingediend zoals verzocht. De ‘letter of intent’ is volgens de man niet relevant voor het bepalen van de waarde van het kantoorpand.



Naar oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende stukken ingediend om een beeld te geven van zijn onderneming om te kunnen beslissen op de partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de man niet alle stukken heeft ingediend zoals de vrouw heeft verzocht ziet de rechtbank geen aanleiding om de man hiertoe te gelasten nu de vrouw haar belang bij deze stukken niet nader heeft onderbouwd. Ten aanzien van de ‘letter of intent’ overweegt de rechtbank dat hier geen belang meer bij is nu de rechtbank bij de bepaling van de waarde van het kantoorpand uitgaat van het taxatierapport uit 2019.



De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Nu het verzoek van de vrouw wordt afgewezen zal de rechtbank ook het verzoek om een dwangsom afwijzen.





Beslissing
De rechtbank:


*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 1996 te [plaats 1] ;



*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 3.015,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:



met betrekking tot de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V: de aandelen worden voor de waarde van € 969.723,50 aan de man toegedeeld onder de verplichting € 484.861,75 aan de vrouw te betalen;


met betrekking tot de inboedel: de inboedel zal in onderling overleg tussen partijen worden verdeeld zonder nadere verrekening;


met betrekking tot de muntenverzameling van de vader van de vrouw: de muntenverzameling wordt aan de man toegedeeld, zonder nadere verrekening met de vrouw;


met betrekking tot de zegelring van de vader van de vrouw: de zegelring wordt aan de vrouw toegedeeld zonder nadere verrekening met de man;


met betrekking tot de levensverzekeringspolis [polisnummer] : de polis wordt tegen een waarde van € 49.779,- toegedeeld aan de vrouw onder de verplichting € 24.889,50 aan de man te betalen;


met betrekking tot de auto en de caravan: de auto en de caravan worden voor een waarde van € 7.500,- per stuk aan de vrouw toegedeeld, onder de verplichting in totaal € 7.500,- aan de man te betalen;




*
bepaalt dat partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de volgende schulden:



de ABN AMRO lening van € 24.750,-;


de rekening-courant schuld bij [bedrijfsnaam 1] B.V. van € 455.586,-;


de schuld aan [persoon] van € 15.272,-;







*
bepaalt met betrekking tot de oudedagsvoorziening van de man (pensioenopbouw in eigen beheer die is omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in artikel 38p Wet op de loonbelasting) dat de man verplicht is een bedrag van € 64.000,- af te storten op een door de vrouw aan te geven bankrekening;



*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



*
wijst af het meer of anders verzochte.











Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juni 2026.