Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21297
2026-06-18
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.22532, NL26.22533, NL26.22530 en NL26.22531
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Bulgarije, interstatelijk vertrouwensbeginsel, AIDA (update 2024), artikel 17 Dv.
Citeert (5)
- ECLI:EU:C:2019:218
- ECLI:NL:RVS:2025:2387 Raad van State 26-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17552 Rechtbank Den Haag 08-05-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5536 Raad van State 17-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19860 Rechtbank Den Haag 27-10-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.629 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.22532, NL26.22533, NL26.22530 en NL26.22531
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser/verzoeker
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres/verzoekster
hierna tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 20 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije ervoor verantwoordelijk is.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen van eisers op 11 juni 2026 op zitting behandeld.
De gemachtigde van eisers en eisers zelf zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua.
1.2.
Eisers hebben een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.22533 en NL26.22531) ingediend. De rechtbank houdt in deze zaken geen zitting.
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers zijn geboren op [geboortedatum 1] 1980 en [geboortedatum 2] 1991. Eisers hebben de Libanese nationaliteit. Op 27 januari 2026 hebben eisers in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen, omdat zij een visum hadden in Bulgarije dat ten tijde van hun asielaanvraag in Nederland nog geldig was. Bulgarije is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Verweerder had in eisers geval niet zonder meer uit kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. Eisers voeren onder verwijzing naar het AIDA-rapport (update 2024) aan dat zij na overdracht, gelet op hun status als Dublin-terugkeerders zonder bijzondere kwetsbaarheden en de structurele capaciteits- en kwaliteitsproblemen in het Bulgaarse opvangsysteem, het reële risico lopen om buiten hun wil en keuzes om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht te komen zoals bedoeld in het arrest Jawo. Uit voornoemd rapport blijkt tevens dat er in Bulgarije geen sprake is van een effectief rechtsmiddel. Daarnaast is er informatie waaruit blijkt dat de medische zorg tekortschiet in Bulgarije. Subsidiair verzoeken eisers de rechtbank om, indien deze van oordeel is dat wel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, te oordelen dat verweerder in elk geval gehouden is om voorafgaand aan een eventuele overdracht bij de Bulgaarse autoriteiten individuele, concrete en afdwingbare garanties te vragen over de daadwerkelijke toegang tot opvang, basisvoorzieningen en medische zorg. Tot slot beroepen eisers zich op artikel 17 van de Dublinverordening. Eisers menen namelijk slachtoffer te zijn geweest van discriminatie. Zij geven aan dat klagen hierover geen zin heeft en verwijzen in dat verband naar een rapport van Migration Policy Group.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eisers niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
5. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eisers aannemelijk maken dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico lopen op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
6.1.
Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van Bulgarije mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dit onder meer bekrachtigd in de uitspraken van 26 mei 2025, waarin de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 8 mei 2025 wordt bevestigd, en van 17 november 2025, waarin de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 27 oktober 2025 wordt bevestigd. Daarin is ook het AIDA rapport (update 2024) ten aanzien van Bulgarije betrokken, waar eisers in hun gronden naar verwijzen. Daarbij heeft de Afdeling bevestigd dat uit het AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld blijkt van de opvangsituatie in Bulgarije voor Dublinterugkeerders en over de toegang tot rechtsbijstand, dan uit de informatie uit eerdere AIDA-rapporten (update 2023 en update 2022). Eisers hebben geen concrete punten aangegeven waaruit blijkt dat de (opvang)situatie relevant slechter is dan voorheen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder zich bovendien op het standpunt stellen dat eisers toegang zullen hebben tot de medische voorzieningen in Bulgarije en dat deze van dezelfde kwaliteit zullen zijn als die in Nederland. Van eisers mag verder worden verwacht dat zij zich bij voorkomende problemen in de Bulgaarse asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins beklagen bij de (hogere) Bulgaarse autoriteiten. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hen niet is of dat de Bulgaarse autoriteiten niet kunnen of willen helpen. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Ten aanzien van hetgeen door eisers subsidiair is aangevoerd, oordeelt de rechtbank dat er geen aanleiding bestaat om verweerder op te dragen individuele garanties te vragen over de daadwerkelijke toegang van eisers tot opvang, basisvoorzieningen en medische zorg. Op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag immers ervan uitgegaan worden dat eisers hiertoe daadwerkelijk toegang zullen hebben. Verder volgt uit de bijlage van het GZA die eisers hebben overgelegd met betrekking tot eisers gezondheidssituatie niet dat eiser zonder individuele garanties geen adequate zorg in Bulgarije zal verkrijgen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Tot slot komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in de door eisers aangevoerde individuele omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eisers aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat een overdracht aan Bulgarije van onevenredige hardheid getuigt. Eisers hebben gesteld dat zij in Bulgarije gediscrimineerd werden. Eisers hebben echter niet (met stukken) onderbouwd dat zij zijn gediscrimineerd. Daarnaast mag in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit worden gegaan dat Bulgarije zich aan de internationale regels houdt in dit kader.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank begrijpt dat eisers graag hadden gewild dat hun aanvraag zou worden behandeld in Nederland, maar ziet in hetgeen zij hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de verantwoordelijkheid draagt voor deze behandeling.
10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat de beroepen ongegrond zijn en de besluiten van verweerder om de asielaanvragen van eisers niet in behandeling te nemen omdat Bulgarije ervoor verantwoordelijk is, in stand blijven.
11. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.
Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
ECLI:EU:C:2019:218.
Bulgaria - Country report non-discrimination 2025 (https://www.migpolgroup.com/wp-content/uploads/2025/08/2025-BG-Country-report-ND_final-for-web.pdf)
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest voor de Grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2025:2387.
ECLI:NL:RBDHA:2025:17552.
ECLI:NL:RVS:2025:5536.
ECLI:NL:RBDHA:2025:19860.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.22532, NL26.22533, NL26.22530 en NL26.22531
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser/verzoeker
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres/verzoekster
hierna tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 20 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije ervoor verantwoordelijk is.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen van eisers op 11 juni 2026 op zitting behandeld.
De gemachtigde van eisers en eisers zelf zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua.
1.2.
Eisers hebben een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.22533 en NL26.22531) ingediend. De rechtbank houdt in deze zaken geen zitting.
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers zijn geboren op [geboortedatum 1] 1980 en [geboortedatum 2] 1991. Eisers hebben de Libanese nationaliteit. Op 27 januari 2026 hebben eisers in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen, omdat zij een visum hadden in Bulgarije dat ten tijde van hun asielaanvraag in Nederland nog geldig was. Bulgarije is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Verweerder had in eisers geval niet zonder meer uit kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. Eisers voeren onder verwijzing naar het AIDA-rapport (update 2024) aan dat zij na overdracht, gelet op hun status als Dublin-terugkeerders zonder bijzondere kwetsbaarheden en de structurele capaciteits- en kwaliteitsproblemen in het Bulgaarse opvangsysteem, het reële risico lopen om buiten hun wil en keuzes om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht te komen zoals bedoeld in het arrest Jawo. Uit voornoemd rapport blijkt tevens dat er in Bulgarije geen sprake is van een effectief rechtsmiddel. Daarnaast is er informatie waaruit blijkt dat de medische zorg tekortschiet in Bulgarije. Subsidiair verzoeken eisers de rechtbank om, indien deze van oordeel is dat wel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, te oordelen dat verweerder in elk geval gehouden is om voorafgaand aan een eventuele overdracht bij de Bulgaarse autoriteiten individuele, concrete en afdwingbare garanties te vragen over de daadwerkelijke toegang tot opvang, basisvoorzieningen en medische zorg. Tot slot beroepen eisers zich op artikel 17 van de Dublinverordening. Eisers menen namelijk slachtoffer te zijn geweest van discriminatie. Zij geven aan dat klagen hierover geen zin heeft en verwijzen in dat verband naar een rapport van Migration Policy Group.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eisers niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
5. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eisers aannemelijk maken dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico lopen op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
6.1.
Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van Bulgarije mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dit onder meer bekrachtigd in de uitspraken van 26 mei 2025, waarin de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 8 mei 2025 wordt bevestigd, en van 17 november 2025, waarin de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 27 oktober 2025 wordt bevestigd. Daarin is ook het AIDA rapport (update 2024) ten aanzien van Bulgarije betrokken, waar eisers in hun gronden naar verwijzen. Daarbij heeft de Afdeling bevestigd dat uit het AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld blijkt van de opvangsituatie in Bulgarije voor Dublinterugkeerders en over de toegang tot rechtsbijstand, dan uit de informatie uit eerdere AIDA-rapporten (update 2023 en update 2022). Eisers hebben geen concrete punten aangegeven waaruit blijkt dat de (opvang)situatie relevant slechter is dan voorheen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder zich bovendien op het standpunt stellen dat eisers toegang zullen hebben tot de medische voorzieningen in Bulgarije en dat deze van dezelfde kwaliteit zullen zijn als die in Nederland. Van eisers mag verder worden verwacht dat zij zich bij voorkomende problemen in de Bulgaarse asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins beklagen bij de (hogere) Bulgaarse autoriteiten. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hen niet is of dat de Bulgaarse autoriteiten niet kunnen of willen helpen. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Ten aanzien van hetgeen door eisers subsidiair is aangevoerd, oordeelt de rechtbank dat er geen aanleiding bestaat om verweerder op te dragen individuele garanties te vragen over de daadwerkelijke toegang van eisers tot opvang, basisvoorzieningen en medische zorg. Op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag immers ervan uitgegaan worden dat eisers hiertoe daadwerkelijk toegang zullen hebben. Verder volgt uit de bijlage van het GZA die eisers hebben overgelegd met betrekking tot eisers gezondheidssituatie niet dat eiser zonder individuele garanties geen adequate zorg in Bulgarije zal verkrijgen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Tot slot komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in de door eisers aangevoerde individuele omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eisers aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat een overdracht aan Bulgarije van onevenredige hardheid getuigt. Eisers hebben gesteld dat zij in Bulgarije gediscrimineerd werden. Eisers hebben echter niet (met stukken) onderbouwd dat zij zijn gediscrimineerd. Daarnaast mag in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit worden gegaan dat Bulgarije zich aan de internationale regels houdt in dit kader.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank begrijpt dat eisers graag hadden gewild dat hun aanvraag zou worden behandeld in Nederland, maar ziet in hetgeen zij hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de verantwoordelijkheid draagt voor deze behandeling.
10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat de beroepen ongegrond zijn en de besluiten van verweerder om de asielaanvragen van eisers niet in behandeling te nemen omdat Bulgarije ervoor verantwoordelijk is, in stand blijven.
11. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.
Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
ECLI:EU:C:2019:218.
Bulgaria - Country report non-discrimination 2025 (https://www.migpolgroup.com/wp-content/uploads/2025/08/2025-BG-Country-report-ND_final-for-web.pdf)
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest voor de Grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2025:2387.
ECLI:NL:RBDHA:2025:17552.
ECLI:NL:RVS:2025:5536.
ECLI:NL:RBDHA:2025:19860.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.