Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21292
2026-05-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.14963 en NL26.14964
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Slovenië. herhaald en ingelast, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dv.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18966 Rechtbank Den Haag 10-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:2644 Raad van State 08-09-2022
- ECLI:NL:RVS:2023:1106 Raad van State 21-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2026:120 Raad van State 09-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.606 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14963 (beroep) en NL26.14964 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Slovenië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Ten eerste verzoekt eiser de inhoud van de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarnaast stelt eiser niet veilig te zijn in Slovenië, omdat daar een groot aantal leden van de stam Al Busaraia actief is. Deze mensensmokkelaars zijn voor eiser een bedreiging, mede omdat hij al eens eerder is aangevallen door vertegenwoordigers van deze stam en daar blijvend ernstig letsel aan heeft overgehouden. Daarnaast verwijst eiser naar een uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 10 oktober 2025, waaruit volgt dat er niet langer zonder meer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Slovenië. Niet is gebleken of verweerder inmiddels in dit kader nader onderzoek heeft gedaan, zoals is opgedragen in voornoemde uitspraak in overweging 9.3. Dat verweerder stelt in hoger beroep te zijn gegaan tegen deze uitspraak doet niet aan de geldigheid van de uitspraak af.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Herhaald en ingelast
5. De rechtbank overweegt allereerst dat het uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze en de overige stukken naar voren heeft gebracht, niet zonder meer kan worden afgeleid waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling in verschillende uitspraken heeft geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Slovenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Slovenië zijn verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zal nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Slovenië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat door verweerder hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam, zodat deze nog niet definitief is. De enkele verwijzing naar voornoemde uitspraak leidt niet tot het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers stellingen over de mogelijke problemen met betrekking tot de Sloveense opvangvoorzieningen, asielprocedure en rechtsbijstand, zijn onvoldoende geconcretiseerd om tot de conclusie te komen dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is behaald of dat er daadwerkelijk sprake is van een systeemfout in de Sloveense asiel- en opvangprocedure. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het aannemen van een nadere onderzoeksplicht voor verweerder. De persoonlijke ervaringen van eiser bieden ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Slovenië. Met betrekking tot eisers relaas omtrent de mensensmokkelaars van de Al Busaraia-stam oordeelt de rechtbank dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat Slovenië partij is bij de Europese verdragen en richtlijnen. Dat betekent dat verweerder ervan uit mag gaan dat eiser voor het verkrijgen van bescherming zich kan wenden tot de Sloveense autoriteiten. Ook in het geval van andere problemen in de Sloveense asielprocedure en opvangvoorzieningen mag van eiser worden verwacht dat hij zich beklaagt bij de (hogere) Sloveense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Sloveense autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat zijn overdracht aan Slovenië van een onevenredige hardheid getuigt. De enkele stelling dat het voor eiser niet veilig is in Slovenië vanwege de mensensmokkelaars van de Al-Busaraia stam en dat hij eerder door vertegenwoordigers van die stam is aangevallen, zijn onvoldoende (met stukken) onderbouwd om tot een andere conclusie te komen. Het bestreden besluit is voldoende gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RBDHA:2025:18966.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraken van 8 september 2022 ECLI:NL:RVS:2022:2644, 21 maart 2023 ECLI:NL:RVS:2023:1106 en 9 januari 2026 ECLI:NL:RVS:2026:120.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14963 (beroep) en NL26.14964 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Slovenië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Ten eerste verzoekt eiser de inhoud van de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarnaast stelt eiser niet veilig te zijn in Slovenië, omdat daar een groot aantal leden van de stam Al Busaraia actief is. Deze mensensmokkelaars zijn voor eiser een bedreiging, mede omdat hij al eens eerder is aangevallen door vertegenwoordigers van deze stam en daar blijvend ernstig letsel aan heeft overgehouden. Daarnaast verwijst eiser naar een uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 10 oktober 2025, waaruit volgt dat er niet langer zonder meer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Slovenië. Niet is gebleken of verweerder inmiddels in dit kader nader onderzoek heeft gedaan, zoals is opgedragen in voornoemde uitspraak in overweging 9.3. Dat verweerder stelt in hoger beroep te zijn gegaan tegen deze uitspraak doet niet aan de geldigheid van de uitspraak af.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Herhaald en ingelast
5. De rechtbank overweegt allereerst dat het uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze en de overige stukken naar voren heeft gebracht, niet zonder meer kan worden afgeleid waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling in verschillende uitspraken heeft geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Slovenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Slovenië zijn verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zal nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Slovenië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat door verweerder hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam, zodat deze nog niet definitief is. De enkele verwijzing naar voornoemde uitspraak leidt niet tot het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers stellingen over de mogelijke problemen met betrekking tot de Sloveense opvangvoorzieningen, asielprocedure en rechtsbijstand, zijn onvoldoende geconcretiseerd om tot de conclusie te komen dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is behaald of dat er daadwerkelijk sprake is van een systeemfout in de Sloveense asiel- en opvangprocedure. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het aannemen van een nadere onderzoeksplicht voor verweerder. De persoonlijke ervaringen van eiser bieden ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Slovenië. Met betrekking tot eisers relaas omtrent de mensensmokkelaars van de Al Busaraia-stam oordeelt de rechtbank dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat Slovenië partij is bij de Europese verdragen en richtlijnen. Dat betekent dat verweerder ervan uit mag gaan dat eiser voor het verkrijgen van bescherming zich kan wenden tot de Sloveense autoriteiten. Ook in het geval van andere problemen in de Sloveense asielprocedure en opvangvoorzieningen mag van eiser worden verwacht dat hij zich beklaagt bij de (hogere) Sloveense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Sloveense autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat zijn overdracht aan Slovenië van een onevenredige hardheid getuigt. De enkele stelling dat het voor eiser niet veilig is in Slovenië vanwege de mensensmokkelaars van de Al-Busaraia stam en dat hij eerder door vertegenwoordigers van die stam is aangevallen, zijn onvoldoende (met stukken) onderbouwd om tot een andere conclusie te komen. Het bestreden besluit is voldoende gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RBDHA:2025:18966.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraken van 8 september 2022 ECLI:NL:RVS:2022:2644, 21 maart 2023 ECLI:NL:RVS:2023:1106 en 9 januari 2026 ECLI:NL:RVS:2026:120.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.