Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21288

2026-05-07 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.14592 en NL26.14593
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-07
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.14592 en NL26.14593
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland, herhaald en ingelast, interstatelijk vertrouwenbeginsel, zorgvuldigheid, rechtsgrond claimakkoord, AIDA rapportages (update 2023 en 2024), artikel 17 Dv.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.483 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL26.14592 (beroep) en NL26.14593 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen





[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. B. de Haan),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.





Beoordeling door de rechtbank



Geen zitting



2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.



Waar gaat deze zaak over?



3. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.



Wat vindt eiser in beroep?



4. Allereerst verwijst eiser naar de zienswijze en wenst daarbij de inhoud hier als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarnaast stelt eiser dat het claimakkoord berust op een verkeerde grondslag, namelijk op artikel 19 lid 2 van de Dublinverordening in plaats van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Er is derhalve sprake van een materieel gebrek, ofwel een motiveringsgebrek. Daarnaast heeft verweerder informatie uit het AIDA-rapport (update 2024) niet betrokken in de beoordeling over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst in dit kader specifiek naar passages uit het rapport inhoudende de uitbreiding van de detentiegronden door het Rückführungsverbesserungsgesetz en het inzetten van dwangmiddelen en onaangekondigde ophaalacties door de politie bij Dublin-overdrachten. Eiser vreest bij overdracht aan Duitsland in bewaring te worden genomen, nu hij in een categorie valt die het AIDA-rapport als risicovol identificeert. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende beoordeeld en gemotiveerd of er in Duitsland effectieve rechtsbijstand beschikbaar is en of eiser effectief kan klagen. Ook had verweerder, mede in het kader van artikel 17 van de Dubliverordening, onderzoek moeten doen naar eisers verklaring dat de Duitse autoriteiten hem hadden gezegd dat hij Duitsland diende te verlaten. Verder heeft verweerder bij de beoordeling in het kader van voornoemd artikel niet alle relevante omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, wat mogelijk tot een andere afweging had kunnen leiden.



Wat is het oordeel van de rechtbank?





Herhaald en ingelast


5. De rechtbank overweegt allereerst dat het uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze en de overige stukken naar voren heeft gebracht, niet zonder meer kan worden afgeleid waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.



Zorgvuldigheid en rechtsgrond claimakkoord


6. Dat Duitsland het claimverzoek heeft geaccepteerd op grond van artikel 19 lid 2 van de Dublinverordening, maakt niet dat er sprake is van een (zorgvuldigheids-)gebrek. Nu het niet mogelijk is een claimverzoek te accepteren op grond van voornoemd artikel, merkt de rechtbank dit aan als een kennelijke verschrijving. Vaststaat dat de Duitse autoriteiten het claimakkoord hebben geaccepteerd en dat zij daarmee hun verantwoordelijkheid hebben erkend. Dat de acceptatie van de aangezochte lidstaat een onjuiste bepaling vermeldt, maakt dus niet maakt dat er geen geldig claimakkoord tot stand is gekomen. Verder is door eiser niet gesteld noch gebleken dat hij door het gebruik van de onjuiste claimgrond is benadeeld. Het claimverzoek en het bestreden besluit vermelden immers naast de bepaling ook overige feiten en omstandigheden krachtens welke Duitsland verantwoordelijk wordt gehouden.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel


7. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.


7.1.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 14 februari 2025 overwogen dat op basis van het AIDA-rapport (update 2023) niet geconcludeerd kan worden dat de tekortkomingen in de Duitse asielprocedure de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank is van oordeel dat het AIDA-rapport (update 2024) geen wezenlijk ander beeld schetst dan in het eerdere rapport, dat reeds is beoordeeld door de Afdeling, is weergegeven. De passages uit het meest recente AIDA-rapport die eiser aanhaalt, geven verder geen aanleiding om van de hiervoor genoemde Afdelingsjurisprudentie af te wijken. Daartoe oordeelt de rechtbank als volgt. Ten eerste overweegt de rechtbank dat eiser toegang heeft tot rechtsbijstand in Duitsland. Hoewel een vreemdeling in Duitsland alleen kosteloze rechtsbijstand krijgt als een beroep een reële kans van slagen heeft, biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn deze mogelijkheid aan de lidstaten. Een procedure over de kosteloze rechtsbijstand mag volgens die bepaling niet de daadwerkelijke toegang tot de rechter belemmeren. Als eiser vindt dat de toegang tot de rechtsbijstand niet goed is, dan kan hij hierover procederen en klagen in Duitsland. Ten tweede wordt, voor zover eiser vreest bij terugkeer in Duitsland in vreemdelingendetentie te worden geplaatst, overwogen dat lidstaten de mogelijkheid hebben om een vreemdeling in detentie te zetten wanneer er een risico op onderduiken bestaat. Dit betekent echter niet dat er sprake is van systematische detentie van Dublinterugkeerders. Eiser heeft zijn vrees voor detentie onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder in had moeten gaan op eisers verklaring dat de Duitse autoriteiten hem hebben weggestuurd, overweegt de rechtbank dat dit onvoldoende aanleiding biedt om een nadere onderzoeksplicht voor verweerder aan te nemen. De rechtbank overweegt dat in het geval eiser problemen ondervindt ten aanzien van de Duitse asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins van eiser mag worden verwacht dat hij zich beklaagt bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Gelet op het voorgaande is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van het uitgangspunt zoals genoemd in 7. moet worden afgeweken.



Artikel 17 van de Dublinverordening

8. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat zijn overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Ook wanneer de door eiser aangevoerde omstandigheden in cumulatie worden bezien, leidt dit niet tot een ander oordeel. Tot slot overweegt de rechtbank dat het bestreden besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd.





Conclusie en gevolgen

9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.

10. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel


Bent u het niet eens met deze uitspraak?


Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.




Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.


Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2025:588.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.