Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21287

2026-07-03 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.6442
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-03
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.6442
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Kroatië. procesbelang, MOB, beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.371 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.6442


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser], V-nummer: 297.963.7840, eiser
(gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom)


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smulders).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
4 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is.



1.1.

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 13 april 2026 op zitting behandeld.
De gemachtigde van eiser en eiser zelf zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




1.2.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting vervolgens geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere standpunten in te nemen over de door eiser in beroep ingebrachte medische stukken.





Beoordeling door de rechtbank



Heeft eiser nog procesbelang?

2. De rechtbank heeft op 13 april 2026 uitspraak gedaan ten aanzien van eisers verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.6443), welke bij onderhavig beroep was ingediend. Dit verzoek heeft de rechtbank toegewezen onder de voorwaarde dat eiser binnen zes weken aanvullende medische stukken zou verstrekken ter onderbouwing van zijn medische en psychische omstandigheden. Na het verlopen van deze termijn heeft gemachtigde de rechtbank op 18 juni 2026 laten weten het contact met eiser te zijn verloren en over geen nadere medische stukken te beschikken. In reactie heeft verweerder in het bericht van 29 juni 2026 laten weten dat eiser zelfstandig uit Nederland is vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser met een bericht in het digitale dossier verzocht om hierop te reageren. De gemachtigde van eiser heeft hier op 30 juni 2026 op gereageerd met de mededeling dat hij niet meer weet dan verweerder.



2.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, er in beginsel vanuit mag worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De vreemdeling heeft in dat geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep over het besluit op zijn asielaanvraag. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij nog contact met zijn gemachtigde heeft en dus nog steeds prijs stelt op de door hem gezochte bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde nog contact heeft met de vreemdeling over de voortgang van de procedure en de keuzes die daarin moeten worden gemaakt.



2.2.
Vaststaat dat eiser sinds 12 mei 2026 zelfstandig uit Nederland is vertrokken en dat de gemachtigde van eiser op 18 juni 2026 de rechtbank heeft laten weten niet langer in contact te staan met eiser. In reactie op het bericht van verweerder van 29 juni 2026 heeft gemachtigde op 30 juni 2026 nogmaals bevestigd niets anders te kunnen mededelen anders dan dat hij het contact met eiser heeft verloren. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.





Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van


V. Nooteboom, griffier.


De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:








































Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4049.