Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21282

2026-03-18 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.5723 en NL26.5724
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-18
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.5723 en NL26.5724
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Polen, procesbelang, herhaald en ingelast, zorgvuldigheid en motiveringsbeginsel, interstatelijk vertrouwensbeginsel, indirect refoulement.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.600 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL26.5723 (beroep) en NL26.5724 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen




[eiser]
, V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier)


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. de Graaf).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
30 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Polen ervoor verantwoordelijk is.



1.1

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 5 maart 2026 op zitting behandeld.
Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




1.2

Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.5724) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.






Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?


2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit. Op
16 december 2025 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Polen asiel heeft aangevraagd. Polen is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.



Wat vindt eiser in beroep?


3. Eiser stelt dat al hetgeen hij eerder in de asielprocedure naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Daarnaast stelt eiser dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld nu verweerder niet een kopie van het rapport van het aanmeldgehoor naar eisers gemachtigde heeft toegestuurd, ondanks dat werd medegedeeld dat dit zou gebeuren. Daarnaast stond in het rapport dat verweerder stukken zou toevoegen ten aanzien van eisers procedure in Polen, ook dit is niet gebeurd. Hieruit had echter moeten blijken dat ten aanzien van Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is namelijk eerder in Polen slachtoffer geweest van pushbacks en is destijds gedetineerd. Na een eerdere uitzetting door Nederland naar Polen in september 2025 werd eiser wederom gedetineerd en met uitzetting naar Jemen bedreigd. Hoewel in het voornemen gesteld is dat deze stukken wel in het dossier zijn opgenomen, betoogt gemachtigde van eiser dat ze niet zijn toegevoegd. Verweerder dient die documenten aan het dossier toe te voegen waaruit mogelijkerwijs afgeleid kan worden waarom eiser in Polen zou zijn afgewezen. Ook is door het ontbreken van de stukken nu niet duidelijk hoe een deugdelijk inhoudelijk oordeel tot stand heeft kunnen komen inzake een schending van het verbod op refoulement. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen. Verweerder heeft niet adequaat gereageerd op eisers stelling dat hij geen eten, bad en opvang heeft gekregen in Polen, dat hij twee keer is gedetineerd en dat hij onmenselijk werd behandeld.
Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvragen van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.



Procesbelang


6. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep omdat uit informatie van verweerder is gebleken dat eiser op
24 februari 2026 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er in dat geval in beginsel vanuit gegaan mag worden dat de vreemdeling niet langer prijs stelt op de door hem gezochte bescherming. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd op 3 maart 2026 laten weten nog contact met haar cliënt te hebben. Eiser had inderdaad het AZC verlaten door de constante druk die hij ervaart door gesprekken met DT&V en het COA. De rechtbank gaat er gelet op de uitspraak van de Afdeling bij deze stand van zaken vanuit dat er sprake is van procesbelang, zodat eiser ontvankelijk is zijn beroep.



Herhaald en ingelast


7. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder en in de zienswijze en de rest van de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.




Zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel


8. De stellingen van eiser dat er stukken met betrekking tot zijn asielprocedure in Polen in het dossier ontbraken en dat verweerder ook overige stukken met betrekking tot onderhavige procedure niet aan het dossier heeft toegevoegd treffen geen doel. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat niet wordt betwist dat de stukken niet tijdig in het dossier zijn geplaatst. Kennelijk is er iets verkeerd gegaan met het uploaden van de bijlagen uit Polen. Verweerder is er namelijk van uitgegaan dat deze stukken op 29 december 2025 zijn geüpload. Ter onderbouwing heeft verweerder een screenshot overgelegd betreffende de registratie van de stukken in het INDiGo-systeem, waaruit blijkt dat de stukken destijds al wel in INDiGo stonden. Verweerder ging op basis van die registratie ervan uit dat het uploaden van de stukken gelukt was en benadrukt dat hierbij niet te kwader trouw gehandeld is. Op 4 februari 2026 zijn de bijlagen uit Polen uiteindelijk aan het dossier toegevoegd. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank dat hoewel er kennelijk iets fout is gegaan met betrekking tot het toevoegen van de stukken aan het dossier, dit niet een tekortkoming van zodanige aard is dat niet langer van het zorgvuldigheidsbeginsel kan worden uitgegaan. Daarvoor is van belang dat de rechtbank verweerder volgt in het standpunt dat eiser ook zelf actie had kunnen ondernemen om ervoor te zorgen dat alle relevante stukken aanwezig zouden zijn in het dossier. Eiser had immers telefonisch contact kunnen opnemen met verweerder om navraag te doen met betrekking tot de ontbrekende stukken en had zelf om de stukken kunnen vragen. Uit het aanmeldgehoor blijkt dat er immers kopieën zijn gemaakt van de stukken, zodat eiser kennelijk nog in het bezit is van de originelen. De rechtbank overweegt hiertoe dat het op de weg van gemachtigde en eiser ligt om ervoor te zorgen dat zij met elkaar in contact treden en dat zij alle relevante informatie met elkaar uitwisselen. Daarnaast acht de rechtbank ook van belang dat verweerder – gelet op Werkinstructie 2024/5 – ervan uit heeft mogen gaan dat het vertalen van deze stukken niet noodzakelijk was, omdat de stukken niet relevant zijn. Door eiser is immers niet gesteld dan wel aannemelijk gemaakt dat zijn asielaanvragen ten onrechte in Polen zijn afgewezen of dat hij ten onrechte in Polen is gedetineerd. Eiser heeft hier immers niet concreet over verklaard. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid.

8.1.
Tot slot oordeelt de rechtbank ten aanzien van eisers stelling dat het gestelde in alinea 5, pagina 3, van het bestreden besluit een onbegrijpelijke motivering betreft als volgt. De rechtbank kan verweerders stelling ter zitting volgen dat hiermee moet zijn bedoeld dat eiser in Polen een herhaalde aanvraag kan doen. Nu Polen het claimverzoek heeft geaccepteerd wordt eiser opnieuw in de gelegenheid gesteld om zijn asielaanvraag te onderbouwen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel

9. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser om te beginnen aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Polen een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.




9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat ten aanzien van Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft dit uitgangspunt in diverse uitspraken nog bevestigd. Eisers stelling dat hij eerder in Polen te maken heeft gehad met pushbacks, is niet onderbouwd. Daarbij heeft de Afdeling in de uitspraak van 4 september 2024 ook geoordeeld dat uit de beschikbare informatie niet blijkt dat asielzoekers die in het kader van de Dublinverordening worden overgedragen, het risico lopen om in Polen slachtoffer te worden van pushbacks. De rechtbank ziet in de enkele, niet onderbouwde stelling dat uit het verslag van eisers aanmeldgehoor en de stukken uit Polen moet blijken waarom niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan ten aanzien van Polen, geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. Ook de stelling dat verweerder niet adequaat heeft gereageerd op eisers stellingen dat hij geen eten, bad en opvang heeft gekregen in Polen, dat hij twee keer is gedetineerd en dat hij onmenselijk werd behandeld, treft geen doel. Verweerder heeft deze stellingen kenbaar betrokken in het bestreden besluit en kunnen volstaan met de motivering dat eiser hiermee niet voldoende (met stukken) heeft onderbouwd dat Polen zich niet aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel houdt. Indien eiser zich na overdracht aan Polen alsnog geconfronteerd zou zien met problemen, geldt dat hij zich hierover dient te beklagen bij de Poolse (hogere) autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Poolse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen of dat klagen voor Dublinclaimanten in Polen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.



Indirect refoulement




9.2.
Ten opzichte van eisers stellingen dat hij na overdracht naar Polen zal worden teruggestuurd naar Jemen overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024 kan de rechtbank binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordelen of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders indien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Dat is in dit geval, zoals hiervoor overwogen, niet aan de orde. Het bestreden besluit is zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.




Conclusie en gevolgen

10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Polen ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.

11. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:








































Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.



Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.


Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Zie bijvoorbeeld de uitspraak van van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4049.


Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.


Zie de uitspraken van 14 augustus 2025 ECLI:NL:RVS:2025:3800, 4 september 2024 ECLI:NL:RVS:2024:3455 en 27 oktober 2025 ECLI:NL:RVS:2025:5145.


ECLI:EU:C:2023:934.


ECLI:NL:RVS:2024:2359.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.