Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21277

2026-07-28 Strafrecht 09/343249-21
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
09/343249-21
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van tien gevallen van bankhelpdeskfraude (het medeplegen van: oplichting, computervredebreuk en diefstal met valse sleutel, alle meermalen gepleegd), kwetsbare ouderen, grote bedragen. Vrijspraak witwassen. Oplegging van een gevangenisstraf van 535 dagen waarvan 360 dagen voorwaardelijk, alsmede taakstraf van 120 uur. Forse overschrijding redelijke termijn. Schadevergoedingsmaatregel rechtspersoon.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (62.373 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Strafrecht



Meervoudige kamer



Parketnummer: 09/343249-21



Datum uitspraak: 28 juli 2026



Tegenspraak



De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:






[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .






1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 14 juli 2026.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.R.C. Polderman, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. T.W. Gijsberts, naar voren is gebracht.



Deze strafzaak is gelijktijdig behandeld met de tegen de verdachte onder hetzelfde parketnummer aanhangig gemaakte ontnemingsvordering.






2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 14 juli 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Zakelijk samengevat wordt de verdachte verdacht van betrokkenheid bij twaalf gevallen van bankhelpdeskfraude (ten laste gelegd als oplichting in vereniging (feit 1), computervredebreuk in vereniging (feit 2) en gekwalificeerde diefstal in vereniging (feit 3). Daarnaast is de verdachte het witwassen van geldbedragen en/of voorwerpen (feit 4) ten laste gelegd.





3De geldigheid van de dagvaarding (ten aanzien van feit 4)


3.1.
Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging, voor zover die ziet op feit 4, ook wanneer de tenlastelegging in samenhang met het procesdossier gelezen wordt, onvoldoende specifiek is om als grondslag voor het onderzoek ter terechtzitting te dienen en derhalve nietig dient te worden verklaard. In de tenlastelegging is namelijk niet gespecificeerd om welke geldbedragen of voorwerpen het gaat, waardoor het voor de verdediging onvoldoende duidelijk is waartegen zij zich moet verweren.




3.2.
Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is.




3.3.
Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging voldoende specifiek is en de dagvaarding derhalve geldig is. De rechtbank overweegt hiertoe dat op de terechtzitting van 13 mei 2024 door het Openbaar Ministerie is verduidelijkt dat de verdenking ziet op het aanschaffen van crypto’s en de Volkswagen Polo. Het voorgaande, mede bezien in het licht van de inhoud van het procesdossier, maakt dat het voor de verdachte voldoende duidelijk moet zijn wat hem wordt verweten en tegen welke beschuldiging hij zich dient te verdedigen.







4De bewijsbeslissing


4.1.
Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde en tot partiële vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde ten aanzien van zaken 10 tot en met 12. Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde ten aanzien van zaken 1 tot en met 9.




4.2.
Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 4 tenlastegelegde, van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde ten aanzien van zaken 6, 7, 9, 10, 11 en 12 en van het onder 1 en 2 tenlastegelegde ten aanzien van zaken 2, 4, 5 en 8.




4.3.
Vrijspraak


Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit en de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten ten aanzien van zaken 10 en 12 van oordeel dat deze feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen en zal zij de verdachte hiervan vrijspreken.




4.4.
Gebruikte bewijsmiddelen


De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.




4.5.
Bewijsoverwegingen



Inleiding

Door twaalf personen is aangifte gedaan van – kort gezegd – bankhelpdeskfraude. Uit de aangiften komt een beeld naar voren, waarbij door de daders in grote lijnen steeds een soortgelijke handelswijze is gehanteerd. De beoogde slachtoffers, telkens personen op leeftijd, werden telefonisch gecontacteerd door iemand die zich voordeed als een medewerker van de bank en aan hen werd verteld dat er iets mis was met hun bankrekening, bijvoorbeeld dat ongebruikelijke transacties hadden plaatsgevonden. De slachtoffers werden lange tijd, soms uren, aan de praat gehouden en werden doorgaans geïnstrueerd om het programma Anydesk op hun computer te installeren. Dit programma werd door de daders gebruikt om de controle over de computers van de slachtoffers over te nemen. Soms werden de slachtoffers overgehaald tot het afgeven van hun pincode. De slachtoffers werden vervolgens overgehaald om hun bankpassen schuin door te knippen en/of in een envelop te stoppen en af te geven aan een persoon die aan de deur zou komen. Met de slachtoffers werd een verificatiecode afgesproken, die de ‘koerier’ aan de deur ook had. Zo werden de slachtoffers overgehaald tot afgifte van hun spullen. Ook werden bij het ophalen van de bankpassen dikwijls foto’s van identiteitsbewijzen gemaakt. Vervolgens werden met de bankpassen (grote) geldbedragen opgenomen bij een pinautomaat, dan wel geldbedragen overgemaakt via de overgenomen computers. Bij het ophalen van de bankpassen en het pinnen waren vaak, maar niet altijd, meerdere personen betrokken, onder wie een chauffeur.




Medeplegen: betrokkenheid als pinner of chauffeur

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de zaken, waarin vaststaat dat de verdachte slechts een of meer geldbedragen gepind heeft met de bankpassen van de aangevers, vrijspraak dient te volgen van het medeplegen van oplichting en computervredebreuk. Deze feiten zouden ten tijde van het pinnen reeds zijn voltooid, waardoor de verdachte daar geen bijdrage aan geleverd zou hebben.



Ook heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit van de feiten 1, 2 en 3 ten aanzien van de zaken, waarin vaststaat dat de verdachte de chauffeur is geweest van degene die de pas ophaalde en/of ging pinnen. Het enkel zijn van chauffeur zou onvoldoende zijn om tot een bewezenverklaring te komen van het medeplegen van – kort gezegd – bankhelpdeskfraude, omdat dit betekent dat de verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen zou hebben gepleegd.



De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard, wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.



De hierboven omschreven modus operandi van de onderhavige gevallen van bankhelpdeskfraude wordt gekenmerkt door de betrokkenheid van meerdere personen. De wijze waarop de feiten werden gepleegd, vergde een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen, die ieder een eigen min of meer inwisselbare rol vervulden. Elke rol was noodzakelijk om de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde strafbare feiten te kunnen plegen. De verdachte heeft meerdere van deze rollen, sommige daarvan zelfs gelijktijdig, op zich genomen, namelijk die van koerier, pinner en chauffeur. Deze rollen in het bijzonder waren inwisselbaar. Dit blijkt uit het feit dat de verdachte deze rollen in sommige zaken gelijktijdig heeft kunnen vervullen.




Daarnaast volgt uit het dossier dat de verdachte, wanneer hij niet de rol van koerier had en aan de deur bij de aangevers kwam, ten tijde van de strafbare feiten wel altijd in de omgeving van de woning van de aangevers is geweest. De iPhone X van de verdachte, straalde op de dag van de ten laste gelegde feiten immers telkens aan in de omgeving van de desbetreffende woningen en enkele malen ook in de omgeving van de pinautomaten waar geld van de bankrekeningen van de slachtoffers werd gepind. Dit geldt ook voor de iPhone 7 die aan de verdachte wordt toegeschreven (zie onder zaak 7). Ook wanneer de verdachte dus niet fysiek aan de deur van slachtoffers is geweest, had hij dus een rol in het grotere geheel als pinner of chauffeur.



Dat de verdachte op de hoogte was van dit grotere geheel en bredere context van de bankhelpdeskfraude, blijkt uit zijn eigen verklaring. De verdachte wist hoe het samenwerkingsverband in elkaar zat waarvan hij deel uitmaakte, welke rollen er waren en hoe zij gezamenlijk tot een geslaagde bankhelpdeskfraude konden komen. Uit zijn verklaring en het dossier blijkt dat de verdachte voor, tijdens en na afloop van het uitvoeren van de door hem op zich genomen rollen, in contact stond met degenen die de andere rollen vervulden. Vooraf kreeg de verdachte te horen waar hij naartoe moest, gedurende het bellen met de slachtoffers hadden de verdachte en de mededaders onderling snapchat contact en de verdachte wachtte in de auto in de buurt van de woning van de aangever tot hij een seintje kreeg dat hij, of een ander, als koerier kon aanbellen. De verdachte heeft bovendien verklaard telkens gedeeld te hebben in de buit, ook wanneer hij ‘slechts’ als pinner of chauffeur optrad.



De rechtbank concludeert dat elk van de betrokkenen, ongeacht hun rol, gedurende het gehele proces, op ieder onderdeel nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt om te komen tot een geslaagde bankhelpdeskfraude. Dat maakt dat zij het medeplegen van de verdachte bij feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen acht. Tot slot merkt de rechtbank op dat onderdelen van deze bankhelpdeskfraude oplichting, computervredebreuk en de diefstal met valse sleutel zijn. Gelet op de modus operandi en al hetgeen hierboven is overwogen verwerpt de rechtbank het verweer dat vrijspraak zou moeten volgen voor de verdachte als chauffeur of pinner, omdat de feiten reeds voltooid zouden zijn.




Zaken 1 tot en met 6, 8 en 9

Ten aanzien van de zaken 1 tot en met 6, 8 en 9 heeft de verdachte bekend daar in verschillende hoedanigheden bij betrokken te zijn geweest. De verdachte heeft zijn betrokkenheid als koerier en als pinner bij de zaken 1 en 3, als pinner bij de zaken 2, 4, 5, 8 en als chauffeur bij zaken 6 en 9 bekend. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, komt de rechtbank ten aanzien van deze zaken tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.




Zaak 7

De verdachte heeft verklaard niet meer te weten of hij betrokken is geweest bij zaak 7 en de raadsman heeft vrijspraak bepleit.



De rechtbank acht betrokkenheid van de verdachte bij deze bankhelpdeskfraude wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt. De aangeefster heeft verklaard dat op 14 oktober 2021 omstreeks 13:00 uur een man bij haar woning in Tilburg is geweest, die een foto heeft gemaakt van haar identiteitsbewijs en haar bankpas heeft meegenomen. Eén van de telefoons van de verdachte, voornoemde iPhone X, straalde om 12:23 uur voor het eerst en om 14:15 uur voor het laatst aan in Tilburg in de directe omgeving van het woonadres van de aangeefster.
Ook heeft de verdachte verklaard die dag in Tilburg geweest te zijn.



Onder de verdachte is voorts een iPhone 7 in beslag genomen, waarin een foto van het identiteitsbewijs van de aangeefster is aangetroffen. Deze foto is met deze telefoon op 14 oktober 2021 genomen. Aan deze foto zijn coördinaten gekoppeld, die overeenkomen met de straat waarin de aangeefster woont. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het zeer waarschijnlijk is dat deze iPhone 7 in gebruik was bij de verdachte. Het emailadres van de verdachte was als Apple ID gekoppeld aan de iPhone 7. Ook bevonden van de ruim 8.000 in de telefoon opgeslagen locatiegegevens meer dan 1.000 zich in Naarden, de toenmalige woonplaats van de verdachte. Een groot deel hiervan concentreerde zich bovendien rondom het toenmalige woonadres van de verdachte in Naarden. Daarnaast zijn in de telefoon WhatsApp-gesprekken aangetroffen, waarin de gebruiker van de telefoon zich voorstelt met de voornaam van de verdachte en een emailadres bestaande uit diens voor-en achternaam doorstuurt. Ten slotte zijn ook meerdere zogeheten selfies van de verdachte aangetroffen in de telefoon. Het voorgaande, in samenhang bezien, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat deze telefoon bij de verdachte in gebruik is geweest.



Gelet op het voorgaande en de overeenkomende modus operandi tussen deze zaak en de overige zaken waarin de betrokkenheid van de verdachte vaststaat, in onderlinge samenhang bezien, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte bij zaak 7 betrokken is geweest. Aldus komt de rechtbank ook ten aanzien van zaak 7 tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.




Zaak 11

De verdachte heeft verklaard niet meer te weten of hij betrokken is geweest bij zaak 11 en de officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte wel bij deze bankhelpdeskfraude betrokken is geweest en overweegt daartoe als volgt.



De aangever heeft verklaard dat hij op 24 november 2021 (naar later bleek: 25 november 2021) werd gebeld door een medewerker van de bank en onder meer Anydesk moest installeren op zijn computer. Diezelfde dag omstreeks 17:30 uur kwamen twee koeriers langs bij de woning van de aangever in Purmerend. Een dag later – naar de rechtbank begrijpt 26 november 2021 – omstreeks 11:00 uur – kwam een andere koerier langs bij de woning van de aangever. Deze koerier heeft een foto gemaakt van het paspoort van de aangever.



Uit het onderzoek naar de iPhone X van de verdachte blijkt dat deze telefoon op 26 november 2021 tussen 11:16 uur en 11:54 uur in Purmerend is geweest. In dit tijdsbestek werd onder meer de camera van de telefoon geactiveerd. Daarnaast blijkt uit het onderzoek naar de auto van de verdachte dat de straat waar de aangever woonachtig is, namelijk de [straatnaam] te Purmerend, als ingevoerde navigatielocatie zichtbaar is in het overzicht van ‘laatste reisdoelen’.



Gelet op het voorgaande en de overeenkomende modus operandi tussen deze zaak en de overige zaken waarin de betrokkenheid van de verdachte vaststaat, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het de verdachte is geweest die op 26 november 2021 als koerier bij de woning van de aangever is geweest en daar een foto van diens paspoort heeft gemaakt. Dat een dergelijke foto niet in de iPhone X is aangetroffen, maakt dit niet anders. Foto’s kunnen immers na verzending daarvan weer verwijderd worden. Aldus komt de rechtbank, anders dan de raadsman en de officier van justitie, ook ten aanzien van zaak 11 tot de conclusie dat het medeplegen van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kan worden bewezen.




4.6.
De bewezenverklaring


De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wat betreft de zaken 1 tot en met 9 en zaak 11 wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:



1
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 10 september 2021 tot en met 22 december 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederechtelijk te bevoordelen, telkens door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen, onder wie:

- [benadeelde 1] (zaak 1) en
- [benadeelde 2] (zaak 2) en
- [benadeelde 3] (zaak 3) en
- [benadeelde 4] (zaak 4) en
- [benadeelde 5] (zaak 5) en
- [benadeelde 6] (zaak 6) en
- [benadeelde 7] (zaak 7) en
- [benadeelde 8] (zaak 8) en
- [benadeelde 9] (zaak 9) en
- [benadeelde 10] (zaak 11)
heeft bewogen tot de afgifte van een mobiele telefoon en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten (inlog)gegevens (gebruikersnaam en/of het wachtwoord en/of toegangscode) waarmee kon worden ingelogd in het account van hun internetbankierenomgeving en/of waarmee de betaallimiet kon worden verhoogd en/of gegevens van hun identiteitsbewijs, hebbende de verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:
- telefonisch contact opgenomen met voornoemde personen en zich voorgedaan als (een) bankmedewerker(s) en
- tegen voornoemde personen gezegd dat er fraude is gepleegd met hun bankrekening en/of
- tegen voornoemde personen gezegd dat hun geld moest worden veiliggesteld door het programma Anydesk te downloaden en in te loggen op Anydesk en/of (inlog)gegevens te delen met de persoon aan de telefoon en/of
- tegen voornoemde personen gezegd dat zij hun bankpas(sen) door moesten knippen en dat hun bankpas(sen) zou(den) worden opgehaald en/of
- ( vervolgens) zich naar de woning van voornoemde personen begeven en zich aldaar uitgegeven als PostNL- of DHL-medewerker of koerier en/of hun bankpas(sen) meegenomen en/of handelingen op hun computer verricht en/of
- een foto en/of scan gemaakt van het paspoort/identiteitsbewijs van voornoemde personen;


2
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 10 september 2021 tot en met 22 december 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan, te weten: meerdere computers, althans een deel daarvan, van:

- [benadeelde 1] (zaak 1) en
- [benadeelde 2] (zaak 2) en
- [benadeelde 4] (zaak 4) en
- [benadeelde 6] (zaak 6) en
- [benadeelde 8] (zaak 8) en
- [benadeelde 9] (zaak 9) en
- [benadeelde 10] (zaak 11)
door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als zijnde medewerker van PostNL of DHL en/of de bank;


en/of



één of meer servers van de (beveiligde) internetbankierenomgeving van de ABN Amro of Rabobank of één andere bank, althans een deel daarvan, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) telkens de toegang tot de geautomatiseerde werken (of een deel daarvan) hebben verworven:

- met behulp van een valse sleutel, te weten de door oplichting verkregen (inlog)gegevens (te weten de gebruikersnaam en/of het wachtwoord en/of toegangscode) van de internetbankierenomgeving van:
- [benadeelde 1] (zaak 1) en- [benadeelde 2] (zaak 2) en
- [benadeelde 4] (zaak 4) en
- [benadeelde 6] (zaak 6) en
- [benadeelde 7] (zaak 7) en
- [benadeelde 8] (zaak 8) en
- [benadeelde 9] (zaak 9) en
- [benadeelde 10] (zaak 11)
door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als zijnde een geautoriseerde gebruiker van die bankrekening;


3
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 10 september 2021 tot en met 22 december 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen telkens met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen:

- € 1.000,-, toebehorende aan [benadeelde 1] (zaak 1) en
- € 4.804,-, toebehorende aan [benadeelde 2] (zaak 2) en
- € 1.800,-, toebehorende aan [benadeelde 3] (zaak 3) en
- € 25.006,10, toebehorende aan [benadeelde 4] (zaak 4) en
- € 500,-, toebehorende aan [benadeelde 5] (zaak 5) en
- € 4.950,-, toebehorende aan [benadeelde 6] (zaak 6) en
- € 10.900,-, toebehorende aan [benadeelde 7] (zaak 7) en
- € 10.000,-, toebehorende aan [benadeelde 8] (zaak 8) en
- € 780,-, toebehorende aan [benadeelde 9] (zaak 9) en
- € 500,-, toebehorende aan [benadeelde 10] (zaak 11),


waarbij de verdachte en zijn mededader(s) het weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten:

- door met behulp van de inloggegevens (gebruikersnaam en/of wachtwoord en/of toegangscode) van de internetbankierenomgeving van voornoemde personen, tot welk gebruik hij, verdachte en zijn mededader(s) niet gerechtigd waren, wederrechtelijk in te loggen in de internetbankierenomgeving van voornoemde personen of
- door gebruik te maken van de pinpas en pincode van voornoemde personen zonder dat zij daartoe gerechtigd waren.


Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.







5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.





6De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.





7De strafoplegging


7.1.
De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.




7.2.
Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.




7.3.
Het oordeel van de rechtbank


Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.




Vormverzuim

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), omdat verbalisanten onderzoek hebben gedaan naar onder meer locatiegegevens en belgeschiedenis in de onder de verdachte in beslag genomen telefoons zonder voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris. Het hierdoor veroorzaakte nadeel zou tot strafvermindering moeten leiden.



De rechtbank overweegt dat, overeenkomstig hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht, de rechter-commissaris vooraf toestemming had moeten geven voor voornoemde onderzoekshandelingen. Dit blijkt uit het na deze strafbare feiten, op 18 maart 2025, door de Hoge Raad gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2025:409), dat volgde op het Landeck-arrest (Hof van Justitie van de Europese Unie 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830). Achteraf bezien is dus sprake geweest van een vormverzuim, maar tijdens het politieonderzoek was dit niet voorzienbaar. De vraag is vervolgens of en, zo ja, welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beantwoording van die vraag dient rekening te worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.



Het onderzoek heeft in overeenstemming met de toen geldende waarborgen plaatsgehad. Ook is van belang dat de rechtbank van oordeel is dat de rechter-commissaris, wanneer deze wel vooraf om toestemming voor voornoemd onderzoek aan de telefoons gevraagd was, deze gelet op de ernst van de toen voorliggende verdenking zonder meer had gegeven. De verdachte is derhalve door het vormverzuim niet in een nadeliger positie geraakt. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering dat het vormverzuim heeft plaatsgevonden en ziet de rechtbank geen aanleiding om het hierdoor geleden nadeel te compenseren met strafvermindering.




De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer vier maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan tien gevallen van bankhelpdeskfraude. Door middel van babbeltrucs zijn van meerdere slachtoffers op leeftijd op slinkse en schaamteloze wijze bankpassen met de bijbehorende pincodes en inloggegevens van de internetbankieromgeving bemachtigd, waarna met die passen en/of gegevens, soms grote, geldbedragen van de bankrekeningen van die slachtoffers zijn opgenomen of overgeschreven.



De verdachte en zijn medeverdachten hebben op een georganiseerde en doortrapte wijze misbruik gemaakt van het gewekte vertrouwen bij hun slachtoffers. Dit soort feiten raakt de slachtoffers vanzelfsprekend in financiële zin, maar het is vooral hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens die ernstig worden aangetast en zorgen voor gevoelens van schaamte, stress en angst. Daarnaast is bankhelpdeskfraude een misdrijf dat het vertrouwen ondermijnt dat bankrekeninghouders in het algemeen in het betalingsverkeer en het bankwezen mogen hebben. Dit vertrouwen is van groot belang voor het maatschappelijk en economisch verkeer. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen en enkel aan zijn eigen financiële gewin gedacht. De rechtbank rekent de verdachte dit zwaar aan.




Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 juni 2026, waaruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.




Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het meest recente reclasseringsadvies over de verdachte van 23 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van een gemiddeld recidiverisico. Het recidive risico is onder meer gelegen in het justitieel verleden (sepot drugsrelateerde feiten 2026), mogelijke beïnvloedbaarheid door derden en het nastreven van snel financieel gewin. Ook zijn er zorgen en ten aanzien van het maken pro criminele keuzes en het sociale netwerk. De verdachte heeft zich gedurende de schorsingsperiode overwegend meewerkend opgesteld. De reclassering heeft geconcludeerd dat de verdachte inmiddels een positieve draai aan zijn leven gegeven heeft. De verdachte heeft een eigen woning, een dagbesteding, een inkomen en hij heeft zijn schulden grotendeels afgelost. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.




De op te leggen straf

Gelet op de ernst van de feiten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur zonder meer op zijn plaats. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds door hem ondergane voorarrest. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.



Onderhavige strafbare feiten zijn gepleegd in het najaar van 2021, nu bijna vijf jaren geleden. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een strafzaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis in eerste aanleg binnen twee jaar nadat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM is aangevangen. In deze zaak is die termijn aangevangen op 23 december 2021, met de inverzekeringstelling van de verdachte. De rechtbank overweegt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet te wijten is aan de verdediging. Zowel het tijdsverloop in het algemeen als de ruime overschrijding van de redelijke termijn heeft, naar het oordeel van de rechtbank, een sterk matigend effect op een op te leggen straf. Voorts was de verdachte nog jong, namelijk 21 jaar oud, toen hij de bewezen verklaarde strafbare feiten beging. Daarnaast blijkt uit het reclasseringsadvies en uit de eigen verklaring van de verdachte dat hij zijn leven op dit moment redelijk goed op orde heeft. Deze positieve ontwikkeling zou doorkruist worden wanneer de verdachte wederom de gevangenis in moet. Ten slotte heeft de verdachte ter terechtzitting getoond te beschikken over inzicht in het laakbare van zijn handelen en heeft hij daarvan spijt betuigd.



Daarnaast acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een forse taakstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.



De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, een gevangenisstraf van 535 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 360 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 120 uren passend en geboden.



Aangezien het onvoorwaardelijk deel van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf gelijk is aan het reeds door hem ondergane voorarrest zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.







8De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen



[benadeelde 1] heeft zich in zaak 1 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.




[benadeelde 2] heeft zich in zaak 2 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.804,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.




[benadeelde 5] , vertegenwoordigd door M.C.P. Borghols, heeft zich in zaak 5 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.678,60, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.178,60 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade.




[benadeelde 6] heeft zich in zaak 6 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.




[benadeelde 11] heeft zich in zaak 12 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.950,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.



De Rabobank, vertegenwoordigd door [naam] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 16.184,85, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.



8.1
Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.



De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] geconcludeerd tot afwijzing van € 500,- aan materiële schade, tot toewijzing van € 500,- aan immateriële schade en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.



De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] geconcludeerd tot toewijzing van een bedrag van € 500,- en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.



De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11] geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij.



De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij de Rabobank geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 6.230,- en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.



Ten aanzien van alle toe te wijzen vorderingen heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.




8.2
Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , en [benadeelde 11] dienen te worden afgewezen, omdat de door hen geleden schade integraal is vergoed door de bank. Ook de vorderingen van [benadeelde 5] en [benadeelde 6] dienen volgens de verdediging te worden afgewezen, omdat voor vergoeding geen grondslag zou bestaan.



De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij de Rabobank niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, wegens de bepleite vrijspraken. Subsidiair heeft de raadsman verzocht geen schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de Rabobank op te leggen en de wettelijke rente in te laten gaan vanaf het moment dat de Rabobank de schade aan de aangevers vergoed heeft.




8.3
Het oordeel van de rechtbank



Benadeelde partijen [benadeelde 1] (zaak 1) en [benadeelde 2] (zaak 2)

De door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gevorderde materiële schade bestaat geheel uit de geldbedragen die als gevolg van de bankhelpdeskfraude van hun bankrekeningen zijn opgenomen. Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat deze bedragen vergoed zijn door de banken van de benadeelde partijen, zodat ze reeds schadeloos zijn gesteld. De rechtbank zal de vorderingen daarom afwijzen.




Benadeelde partij [benadeelde 5] (zaak 5)





Materiële schade

De door [benadeelde 5] gevorderde materiële schade bestaat voor een deel, te weten een bedrag van € 500,-, uit het geldbedrag dat als gevolg van de bankhelpdeskfraude van haar bankrekening(en) is opgenomen. Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat dit bedrag reeds vergoed is door haar bank, zodat zij reeds schadeloos is gesteld. De rechtbank zal de vordering daarom in zoverre afwijzen.



Voor het overige bestaat de gevorderde materiële schade (ter hoogte van € 678,60) uit reis- en verzorgingskosten die beweerdelijk door de vertegenwoordiger van de benadeelde partij gemaakt zijn. Ten aanzien van deze schade kan niet worden vastgesteld dat deze schade rechtstreeks door de benadeelde partij zelf geleden is door het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren.




Immateriële schade

Voor toewijzing van de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade (ter hoogte van € 500,-) moet op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek sprake zijn van een aantasting in de persoon op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.



Voor de beoordeling of sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze is het van belang dat degene die zich hierop beroept, dit met concrete gegevens onderbouwt, zodat het bestaan van geestelijk letsel objectief kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders wanneer de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vlg. ECLI:NL:HR:2019:793).



De benadeelde partij heeft toegelicht dat het bewezen verklaarde feit impact op haar heeft gehad, waaronder angst, slaapproblemen en het niet meer naar buiten durven gaan.



De rechtbank is, in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:1118 en ECLI:NL:HR:2021:1127) van oordeel dat, hoewel de gevolgen van het delict voor het slachtoffer goed invoelbaar zijn, de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij niet zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon van rechtswege kan worden aangenomen. Dit betekent dat door de benadeelde partij dient te worden onderbouwd dat de aard en de ernst van de normschending voor de benadeelde partij psychisch dermate nadelige gevolgen heeft veroorzaakt dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.




Benadeelde partij [benadeelde 6] (zaak 6)


[benadeelde 6] heeft vergoeding van immateriële schade (ter hoogte van € 5.000,-) gevorderd met als grondslag de aantasting in de persoon op andere wijze. Zij heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat zij erg geschrokken is, slecht slaapt, geen vertrouwen meer heeft in anderen en zich erg schaamt. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.




Benadeelde partij [benadeelde 11] (zaak 12)


[benadeelde 11] heeft aangifte gedaan van bankhelpdeskfraude in zaak 12. De verdachte zal ten aanzien van deze zaak worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.




Benadeelde partij de Rabobank

Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de Rabobank een aantal van de slachtoffers van onderhavige bankhelpdeskfraudes schadeloos heeft gesteld. Dit betreft: [benadeelde 5] (zaak 5) à € 500,-, [benadeelde 6] (zaak 6) à € 4.950,-, [benadeelde 9] (zaak 9) à € 780,-, [benadeelde 12] (zaak 10) à € 5.004,85 en [benadeelde 11] (zaak 12) à € 4.950,-.



De verdachte zal ten aanzien van de zaken 10 en 12 worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank zal de Rabobank daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de in die zaken geleden schade (ter hoogte van in totaal € 9.954,85).



De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de in de overige zaken geleden schade (ter hoogte van in totaal € 6.230,-), is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag.



De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 6.230,-, bestaande uit materiële schade.



De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf de dag waarop de individuele slachtoffers door de Rabobank schadeloos zijn gesteld (conform de eerste bijlage bij de door de Rabobank ingediende vordering). Aldus zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 februari 2022 over een bedrag van € 1.280,- (zaken 5 en 9) en met ingang van 4 december 2021 over een bedrag van € 4.950,- (zaak 6).




Proceskosten

Aangezien de vordering van de Rabobank gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die deze benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.



De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en [benadeelde 11] worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen hun vorderingen heeft moeten maken, omdat ze ofwel niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun vorderingen, ofwel hun vorderingen zijn afgewezen. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.




Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn ze daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.




Schadevergoedingsmaatregel Rabobank

De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de raadsman heeft verzocht, geen schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de Rabobank op te leggen, omdat van een rechtspersoon zou mogen worden verwacht dat hij zelf zijn vorderingen incasseert. Dat de Rabobank een rechtspersoon is, is geen criterium dat bij het al dan niet opleggen van de schadevergoedingsmaatregel een rol dient te spelen. Op grond van artikel 51a Sv wordt een rechtspersoon (zoals de bank) met het slachtoffer gelijk gesteld. Daarbij komt dat de Rabobank schade heeft geleden doordat zij de bij de benadeelde partijen weggenomen geldbedragen heeft vergoed. Hiermee heeft de bank geprobeerd te bewerkstelligen dat de benadeelde partijen zo min mogelijk met de nadelige financiële gevolgen van de helpdeskfraude werden geconfronteerd. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het aangewezen ervoor zorg te dragen dat de Rabobank de geleden schade op relatief eenvoudige wijze kan verhalen. De rechtbank zal daarom ten behoeve van de Rabobank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.



De verdachte zal voor de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de Rabobank aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.230,-, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.280,- vanaf 3 februari 2022 en over een bedrag van € 4.950,- vanaf 4 december 2021, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van de Rabobank.







9De in beslag genomen voorwerpen


9.1.
De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1 genoemde voorwerp (te weten: een telefoontoestel in beslag genomen onder PL1500-2021375600-2698956) zal worden verbeurd verklaard en dat het onder 2 genoemde voorwerp (te weten: een telefoontoestel in beslag genomen onder PL1500-2021375600-2698964) zal worden teruggegeven aan de verdachte.




9.2.
Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.




9.3.
Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp verbeurd verklaren. Dit voorwerp betreft de telefoon die in het voorgaande is aangeduid als de iPhone 7. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten zijn begaan.



Omdat het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 2 genoemde voorwerp.







10De toepasselijke wetsartikelen


De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen: 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 47, 55, 57, 63, 138ab, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.



Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.





11De beslissing


De rechtbank:



verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;



verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6. bewezen is verklaard;



verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;



verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:




Ten aanzien van feit 1 en feit 2





de eendaadse samenloop van


medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd


en


medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd;




Ten aanzien van feit 3





diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;



verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;



veroordeelt de verdachte tot:



een gevangenisstraf voor de duur van 535 (VIJFHONDERDVIJFENDERTIG) DAGEN;



bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;



bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 360 (DRIEHONDERDZESTIG) DAGEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;



veroordeelt de verdachte voorts tot:



een taakstraf voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) UREN;



beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (ZESTIG) DAGEN;



heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;



wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij de Rabobank deels toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om te betalen een bedrag van € 6.230,-, aan de Rabobank, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 1.280,- vanaf 3 februari 2022 en over een bedrag van € 4.950,- vanaf 4 december 2021 tot de dag waarop deze vordering is betaald,



bepaalt de volgende benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen tot schadevergoeding en dat deze benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen:




[benadeelde 5] ten aanzien van € 678,60 aan materiële schade en de immateriële schade,



[benadeelde 6] ,



[benadeelde 11] ,


de Rabobank ten aanzien van € 9.954,85 aan materiële schade;




wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de volgende benadeelde partijen af:




[benadeelde 1] ,



[benadeelde 2] ,



[benadeelde 5] ten aanzien van € 500,- aan materiële schade;




veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij de Rabobank gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;



veroordeelt de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en [benadeelde 11] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen hun vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil;



legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.230,-,
vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.280,- vanaf 3 februari 2022, en over een bedrag van € 4.950,- vanaf 4 december 2021, beide tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van de Rabobank;



bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 56 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;



bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;



bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;



verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: een telefoontoestel in beslag genomen onder PL1500-2021375600-2698956;



gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 2 genoemde voorwerp, te weten: een telefoontoestel in beslag genomen onder PL1500-2021375600-2698964.

















































Dit vonnis is gewezen door
mr. N.F.R. de Rooij, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. M.S. Verboom, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N.T.G. Levelt, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juli 2026.





Bijlage I





Tekst tenlastelegging




1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september 2021 tot en met 22 december 2021 in Gouda en/of Wassenaar en/of Naarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederechtelijk te bevoordelen, (telkens) hetzij door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen, onder wie:

- [benadeelde 1] (zaak 1) en/of
- [benadeelde 2] (zaak 2) en/of
- [benadeelde 3] (zaak 3) en/of
- [benadeelde 4] (zaak 4) en/of
- [benadeelde 5] (zaak 5) en/of
- [benadeelde 6] (zaak 6) en/of
- [benadeelde 7] (zaak 7) en/of
- [benadeelde 8] (zaak 8) en/of
- [benadeelde 9] (zaak 9) en/of
- [benadeelde 12] (zaak 10) en/of
- [benadeelde 10] (zaak 11) en/of
- [benadeelde 11] (zaak 12),

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en) en/of een mobiele telefoon en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten (inlog)gegevens (gebruikersnaam en/of het wachtwoord en/of toegangscode) waarmee kon worden ingelogd in de account van zijn/haar/hun internetbankierenomgeving en/of waarmee het betaallimiet kon worden verhoogd en/of gegevens van zijn/haar/hun identiteitsbewijs, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk
-zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- telefonisch contact opgenomen met voornoemd(e) persoon/personen en/of zich voorgedaan als (een) bankmedewerker(s) en/of
- tegen voornoemd(e) persoon/personen gezegd dat er fraude is gepleegd met zijn/haar/hun bankrekening en/of
- tegen voornoemd(e) persoon/personen gezegd dat zijn/haar/hun geld moest worden veiliggesteld door het programma Anydesk te downloaden en/of in te loggen op Anydesk en/of (inlog)gegevens te delen met de persoon aan de telefoon en/of
- tegen voornoemd(e) persoon/personen gezegd dat hij/zij zijn/haar/hun bankpas(sen) door moe(s)t(en) knippen en/of dat zijn/haar/hun bankpas(sen) zou(den) worden opgehaald en/of
- ( vervolgens) zich naar de woning van voornoemde persoon/personen begeven en/of zich (aldaar) uitgegeven als PostNL- en/of DHL-medewerker en/of koerier en/of zijn/haar/hun bankpas(sen) meegenomen/opgehaald en/of ingelogd/in laten loggen op Anydesk en/of ingelogd/in laten loggen in zijn/haar/hun internetbankierenomgeving en/of handelingen op zijn/haar/hun laptop/computer verricht en/of
- een foto en/of scan gemaakt van het paspoort/identiteitsbewijs van voornoemd(e) persoon/personen;


2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september 2021 tot en met 22 december 2021 in Gouda en/of Wassenaar en/of Naarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan, te weten: één of meer computer(s), althans een deel daarvan, van:

- [benadeelde 1] (zaak 1) en/of
- [benadeelde 2] (zaak 2) en/of
- [benadeelde 4] (zaak 4) en/of
- [benadeelde 6] (zaak 6) en/of
- [benadeelde 7] (zaak 7) en/of
- [benadeelde 8] (zaak 8) en/of
- [benadeelde 9] (zaak 9) en/of
- [benadeelde 12] en/of [benadeelde 13] (zaak 10) en/of
- [benadeelde 10] (zaak 11) en/of
- [benadeelde 11] (zaak 12)
door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als zijnde medewerker van PostNL en/of DHL en/of de bank;


en/of



één of meer server(s) van de (beveiligde) internetbankierenomgeving van de ABN Amro en/of Rabobank en/of ASN bank en/of Volksbank en/of één of meer (andere) bank(en), althans een deel daarvan, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) de toegang tot de geautomatiseerde werken (of een deel daarvan) heeft/hebben verworven:

- met behulp van (een) valse sleutel(s), te weten de door oplichting verkregen (inlog)gegevens (te weten de gebruikersnaam en/of het wachtwoord en/of toegangscode) van de internetbankierenomgeving van:
- [benadeelde 1] (zaak 1) en/of
- [benadeelde 2] (zaak 2) en/of
- [benadeelde 4] (zaak 4) en/of
- [benadeelde 6] (zaak 6) en/of
- [benadeelde 7] (zaak 7) en/of
- [benadeelde 8] (zaak 8) en/of
- [benadeelde 9] (zaak 9) en/of
- [benadeelde 12] en/of [benadeelde 13] (zaak 10) en/of
- [benadeelde 10] (zaak 11) en/of
- [benadeelde 11] (zaak 12)
en/of een of meer andere personen,
- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als zijnde een of meer geautoriseerde gebruikers van die bankrekening;


3
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september 2021 tot en met 22 december 2021 in Gouda en/of Wassenaar en/of Naarden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen:

- € 1.000,- althans één of meer (andere) geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde 1] (zaak 1) en/of
- € 4.804,- ( althans één of meer (andere) geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde 2] (zaak 2) en/of
- € 1.800 althans één of meer (andere) geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde 3] (zaak 3) en/of
- € 25.006,10 althans één of meer (andere) geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde 4] (zaak 4) en/of
- € 500,- althans één of meer (andere) geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde 5] (zaak 5) en/of
- € 4.950,- althans één of meer (andere) geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde 6] (zaak 6) en/of
- € 10.900,- ( althans één of meer (andere) geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde 7] (zaak 7) en/of
- € 10.000,- althans één of meer (andere) geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde 8] (zaak 8) en/of
- € 780,- ( althans één of meer (andere) geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde 9] (zaak 9) en/of
- € 10.860,- althans één of meer (andere) geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde 12] en/of [benadeelde 13] (zaak 10) en/of
- € 500,- althans één of meer (andere) geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde 10] (zaak 11) en/of
- € 4.950,- althans één of meer (andere) geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde 11] (zaak 12),
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij de verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten:
- door met behulp van de inloggegevens (gebruikersnaam en/of wachtwoord en/of toegangscode) van de internetbankierenomgeving van voornoemd(e) persoon/personen, tot welk gebruik hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren, wederrechtelijk in te loggen in de internetbankierenomgeving van voornoemd(e) persoon/personen en/of
- door gebruik te maken van de pinpas (en pincode) van voornoemd(e) persoon/personen zonder dat hij/zij daartoe gerechtigd was/waren;


4
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2021 tot en met 7 februari 2022 in Gouda en/of Wassenaar en/of Naarden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) geldbedrag/geldbedragen, althans een of meer voorwerpen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en/of
gebruik heeft gemaakt van (een) geldbedrag/geldbedragen, althans een of meer voorwerpen terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.