Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21275
2026-07-31
Civiel recht
C/09/707300 KG ZA 26-670
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding, Vordering tot ontruiming huurpanden en betaling huurachterstand.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.891 tekens)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel - voorzieningenrechter
zaaknummer / rolnummer: C/09/707300 KG ZA 26-670
Vonnis in kort geding van 31 juli 2026
in de zaak van
DE KIJKDUINSE RETAIL ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V, te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: KROM,
advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen, te Rotterdam,
tegen
[gedaagde] handelende onder de naam [bedrijf 1] en [bedrijf 2], te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] .
Partijen zullen hierna KROM en [gedaagde] genoemd worden.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 juni 2026, met de producties 1 tot en met 10;
- de op 17 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling;
- het verweerschrift van [gedaagde] , met de producties 1 tot en met 7;
- de schriftelijke reactie van KROM.
1.2.
De vonnisdatum is bepaald op vandaag.
1.3.
De rechtbank laat de door KROM bij haar schriftelijke reactie gevoegde productie 11 hierna buiten beschouwing. KROM is uitsluitend de gelegenheid geboden te reageren op de producties van [gedaagde] die hij voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank had bezorgd, niet om nog nadere producties in het geding te brengen (waar [gedaagde] niet op heeft kunnen reageren).
2De feiten
2.1.
KROM heeft twee bedrijfsruimtes in Nieuw Kijkduin te Den Haag (NKD) verhuurd aan [gedaagde] .
2.2.
De eerste huurovereenkomst betreft [unit 1] aan de [adres 1] (hierna: unit [unit 1] ), met ingang van (uiteindelijk) 14 april 2025 ter exploitatie van [bedrijf 1] voor een periode van 10 jaar, met een huurprijs van € 124.357,44 exclusief BTW, per jaar.
2.3.
[gedaagde] heeft [unit 1] laten verbouwen door Pub Creations B.V. (hierna: Pub Creations) om er [bedrijf 1] te kunnen vestigen. Vanwege een tekort aan financiële middelen zijn er (met hulp van KROM) verschillende constructies uitgewerkt om [bedrijf 1] te kunnen verwezenlijken (onder meer crowdfunding, lease van apparatuur en lening/aanvullende financiering).
2.4.
In september 2025 heeft Pub Creations haar werkzaamheden gestaakt. Tussen [gedaagde] en Pub Creations is een gerechtelijke procedure gevoerd. [bedrijf 1] is tot op heden niet afgebouwd.
2.5.
[gedaagde] heeft voor unit [unit 1] een bedrag van € 1.386,17 aan huur voldaan. De huurachterstand is inmiddels (na verrekeningen, tot en met juni 2026) opgelopen tot
€ 150.518.01.
2.6.
De tweede huurovereenkomst betreft de tijdelijke huur van een bedrijfsruimte inclusief horeca-inventaris, unit [unit 2] , aan het [adres 2] (hierna: unit [unit 2] ) tevens ten behoeve van de exploitatie van een restaurant ( [bedrijf 3] ). Het betreft een tijdelijk (turn key opgeleverd) pop-up restaurant. Deze tijdelijke huurovereenkomst is ingegaan op 24 november 2025 voor de duur van drie maanden en is geëindigd op 31 maart 2026.
2.7.
Voor unit [unit 2] was [gedaagde] een voorschot servicekosten en parkeerbijdrage van € 2.774,75 per 3 maanden verschuldigd. Tot en met juni 2026 staat een bedrag open van
€ 6.686,57.
2.8.
Bij e-mail van 6 mei 2026 is [gedaagde] gesommeerd om unit [unit 2] uiterlijk op 7 mei 2026 aan KROM op te leveren. [gedaagde] heeft hieraan niet voldaan.
3Het geschil
in conventie
3.1.
KROM vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I [gedaagde] veroordeelt tot het verlaten en ontruimen met de zijnen en met het zijne van het gehuurde/de locatie: unit [unit 2] , aan het [adres 2] ( [bedrijf 3] ), binnen twee weken na betekening van het vonnis onder afgifte van de sleutels, zulks met machtiging aan KROM bij gebreke van volledige voldoening aan deze verlating en ontruiming, dit verlaten en ontruimen zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van de politie en justitie en op kosten van [gedaagde] , waarbij [gedaagde] de zich in de unit bevindende zaken die eigendom zijn van KROM en derden conform productie 9 in goede en onbeschadigde staat dient achter te laten;
II [gedaagde] veroordeelt tot het verlaten en ontruimen met de zijnen en met het zijne van het gehuurde: unit [unit 1] aan de [adres 1] ( [bedrijf 1] ), binnen twee weken na betekening van het vonnis onder afgifte van de sleutels, zulks met machtiging aan KROM bíj gebreke van volledige voldoening aan deze verlating en ontruiming, dit verlaten en ontruimen zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van de politie en justitie en op kosten van [gedaagde] , waarbij [gedaagde] de zich in de unit bevindende zaken die eigendom zijn van KROM en derden conform productie 9 in goede en onbeschadigde staat dient achter te laten;
III [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 150.518,01 ter zake van de huurachterstand tot en met juni 2026 voor [bedrijf 1] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van volledige betaling;
IV [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de huurtermijnen voor [bedrijf 1] van € 14.216,65 inclusief BTW per maand, voor iedere maand of gedeelte daarvan, dat [gedaagde] het gehuurde na 1 juli 2026 in gebruik heeft, tot aan de dag van de ontruiming, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de van dat bedrag deel uitmakende betalingstermijnen, ingaande op de eerste dag van elke betrokken betalingsperiode over de dan telkens vervallen betalingstermijn tot aan de dag der algehele voldoening;
V [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 6.686,57 ter zake van de betalingen van de verschuldigde servicekosten en parkeerbijdrage voor [bedrijf 3] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 29 juni 2026 tot aan de dag van volledige betaling;
VI [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de servicekosten en parkeerbijdrage voor [bedrijf 3] van € 924,41 per maand, voor iedere maand of gedeelte daarvan, dat [gedaagde] het gehuurde na 1 juli 2026 in gebruik heeft, tot aan de dag van de ontruiming, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de van dat bedrag deel uitmakende betalingstermijnen, ingaande op de eerste dag van elke betrokken betalingsperiode over de dan telkens vervallen betalingstermijn tot aan de dag der algehele voldoening;
VII [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf der vijftiende dag na dagtekening van het vonnis.
3.2.
KROM legt hieraan, samengevat, het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in gebreke gebleven met de betaling van de huurprijs voor unit [unit 1] . Het niet betalen van de huur is een ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst, waardoor het aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden. Een dergelijke aanzienlijke en structurele huurachterstand is tevens voldoende om de ontruiming toe te kunnen wijzen, mede omdat geen uitzicht is op betaling van de lopende huur en het aflossen van de huurachterstand. KROM heeft een spoedeisend bij betaling door [gedaagde] van het achterstallig bedrag aan huur. De belangen van de verhuurder wegen in dit geval zwaarder dan die van de huurder. Het kan niet langer van KROM gevergd worden aan huurder nog langer het huurgenot te verschaffen en nog meer huurbetalingen te gaan derven dan nu al het geval is en daardoor nog verder financieel gedupeerd te raken.
Omdat de huurovereenkomst voor unit [unit 2] van rechtswege is komen te eindigen op 31 maart 2026 en [gedaagde] weigert het pand te verlaten, bestaat er voor KROM een spoedeisend belang om ontruiming te vorderen. [gedaagde] maakt daar thans zonder rechtsgeldige titel gebruik van. KROM wenst de unit zo snel mogelijk aan een andere huurder te verhuren.
3.3.
[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen van KROM.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling van het geschil
Spoedeisend belang vorderingen KROM
4.1.
KROM heeft voldoende toegelicht dat zij een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft.
Ontruiming
4.2.
Bij de beoordeling van de door KROM gevorderde ontruiming staat voorop dat dit een vergaande maatregel is, die in de praktijk vaak een definitief karakter zal hebben. Daarom zal een onverwijlde ontruiming in kort geding slechts gerechtvaardigd zijn, als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst voor unit [unit 1] in een (eventuele) bodemprocedure zal worden ontbonden en dat wordt geoordeeld dat de huurovereenkomst voor unit [unit 2] inmiddels is geëindigd.
4.3.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat hij over de periode vanaf ingaan van de huurovereenkomst voor unit [unit 1] tot en met juni 2026 vrijwel geen huur heeft betaald en in totaal een bedrag van € 150.518,01 aan huursommen onbetaald heeft gelaten. Deze huurachterstand is een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst die de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde in beginsel zonder meer rechtvaardigt. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat de huurovereenkomst voor unit [unit 2] per 31 maart 2026 is geëindigd.
4.4.
Het verweer van [gedaagde] komt erop neer dat KROM met hem gemaakte afspraken in het kader van het realiseren van [bedrijf 1] niet is nagekomen en in dat kader ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem. Om die redenen wil [gedaagde] uitstel van de betaling van de huur en uitstel van de ontruiming om de kans te krijgen om [bedrijf 1] alsnog te realiseren.
4.5.
De verwijten van [gedaagde] aan KROM kunnen als volgt worden samengevat. KROM heeft van een aan [gedaagde] op grond van de overeengekomen geldlening – bedoeld om [gedaagde] te helpen [bedrijf 1] re realiseren – toegezegd bedrag van € 150.000 te laat betalingen gedaan aan (of ten behoeve van) Pub Creations (de aannemer), waardoor deze haar werkzaamheden heeft gestaakt. KROM heeft deze fout erkend. KROM heeft vervolgens een extra lening van € 60.000 aan [gedaagde] toegezegd om de door KROM voorgestelde aannemer [aannemer] in te schakelen om het restaurant af te bouwen. [aannemer] heeft echter vrijwel niets gedaan en geen overzicht gegeven van zijn werkzaamheden.| Daarnaast heeft KROM aan de leasemaatschappij van de keuken voor [bedrijf 1] gemeld dat de keuken naar tevredenheid was opgeleverd, om zodoende geld voor haar vrij te krijgen. De keuken was echter niet opgeleverd. KOM, de zustermaatschappij van KROM, heeft de facturen voor de door [gedaagde] bij de Arend bestelde meubels voor het [bedrijf 1] op naam van de leasemaatschappij laten zetten, zodat de meubels nooit aan [gedaagde] zijn geleverd en [gedaagde] geen BTW voor deze meubels kan terugvorderen. [gedaagde] heeft het tijdelijke restaurant [bedrijf 3] volledig ingericht en gereed gemaakt voor exploitatie. Met KROM was afgesproken dat [gedaagde] een partner zou zoeken die de exploitatievergunning voor [bedrijf 3] zou aanvragen. Toen deze partner was gevonden wilde KROM echter de huurovereenkomst voor [unit 2] niet voortzetten.
4.6.
In reactie hierop heeft KROM, samengevat, het volgende aangevoerd. KROM heeft er alles aan gedaan om [gedaagde] te helpen om zijn droom te verwezenlijken, maar het houdt een keer op. KROM betwist dat Pub Creations haar werkzaamheden vanwege te late betalingen door KROM heeft gestaakt. KROM is geen contractpartij van Pub Creations en KROM heeft slechts op verzoek van [gedaagde] betalingen aan hem en Pub Creations verricht. KROM heeft ook nooit erkend dat zij op dit punt jegens [gedaagde] onjuist heeft gehandeld; het is wel juist dat een of enkele betalingen later zijn gedaan dan was afgesproken, maar dit heeft geen enkele invloed gehad op de relatie tussen Pub Creations en [gedaagde] . Nadat Pub Creations de stekker eruit had getrokken heeft KROM slechts uit coulance (en niet als compensatie voor een tekortkoming van haar kant) de extra lening van € 60.000 toegezegd. [aannemer] (de opvolgend aannemer) heeft de werkzaamheden opgestart op basis van een inspectieverslag met een kostprijsindicatie. Hij heeft het werk stilgelegd vanwege dreigementen van [gedaagde] en heeft een compleet overzicht versterkt van de reeds verrichte werkzaamheden inclusief een afrekening. Die stukken heeft [gedaagde] ontvangen. KROM heeft nooit aan de leasemaatschappij meegedeeld dat de gehele keuken voor [bedrijf 1] naar tevredenheid was opgeleverd. KROM heeft conform het contract slechts een acceptatieverklaring afgegeven voor de juiste en complete aflevering van de keukenapparatuur. De meubels voor [bedrijf 1] zijn besteld door [gedaagde] , maar zijn betaald door de leasemaatschappij. De leverancier heeft de meubels opgeslagen in afwachting van de afbouw van [bedrijf 1] . Omdat [gedaagde] de opslagkosten niet betaalde, heeft KROM de meubels nu gratis opgeslagen en KOM betaalt inmiddels de leasekosten. [gedaagde] heeft [bedrijf 3] niet ingericht: KROM heeft een volledig ingericht restaurant aan [gedaagde] ter beschikking gesteld, [gedaagde] heeft slechts bestek, wat servies, kookapparatuur en kookbenodigdheden meegenomen om het restaurant goed te kunnen exploiteren. KROM is pas medio november 2025 bekend geworden met het feit dat [gedaagde] zelf geen exploitatievergunning zou kunnen krijgen.
4.7.
De verwijten van [gedaagde] aan KROM doen op zichzelf zelf niet af aan de verplichting van [gedaagde] om de verschuldigde huur voor unit [unit 1] en de parkeerbijdrage en de servicekosten voor unit [unit 3] te betalen. Als [gedaagde] hiertoe niet in staat is omdat het [bedrijf 1] nog niet is afgebouwd en dus geen inkomsten genereert, is dat een ondernemersrisico dat [gedaagde] in beginsel zelf moet dragen. Als [gedaagde] heeft bedoeld dat hij zijn betalingsverplichtingen jegens KROM heeft mogen opschorten, heeft hij dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door KROM van de verwijten van [gedaagde] , onvoldoende aannemelijk gemaakt. In het bijzonder valt er op te wijzen dat niet duidelijk is geworden dat het (vooral) aan KROM te wijten is geweest dat de bouw van [bedrijf 1] niet is voltooid.
4.8.
Dit een en ander leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat belangen van KROM zwaarder wegen dan die van [gedaagde] . De gevorderde ontruiming zal worden toegewezen. De gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren, zal worden afgewezen, nu de deurwaarder bevoegd is tot reële executie van de veroordeling tot ontruiming op grond van de artikelen 555 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 444 Rv. Met inachtneming van voorgaande belangenafweging wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.9.
Namens KROM is ter zitting verklaard dat de verwijzing in het petitum naar (de niet overgelegde) productie 9 kan worden weggelaten, omdat (vrijwel) alle goederen in beide units niet aan [gedaagde] maar aan KROM of derden toebehoren.
Betaling (achterstallige) huur voor unit [unit 1] en servicekosten en parkeerbijdrage voor unit [unit 2]
4.10.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de vordering tot betaling van de achterstallige huur voor unit [unit 1] voor toewijzing in aanmerking. Hetzelfde geldt voor de gevorderde doorbetaling van huur voor unit [unit 1] en de betaling van servicekosten en parkeerbijdrage voor unit [unit 2] , een en ander tot de datum van ontruiming. De gevorderde wettelijke handelsrente zal eveneens worden toegewezen.
Proceskosten
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van KROM worden begroot op:
- dagvaarding € 132,62
- griffierecht € 7.062,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 8.560,62
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Vordering in reconventie niet mogelijk
4.13.
[gedaagde] procedeert zonder advocaat. Hij heeft in zijn verweerschrift een vordering in reconventie opgenomen. Deze vordering is echter niet mogelijk, omdat deze slechts door een advocaat kan worden ingesteld (artikel 6.1 Landelijk procesreglement).
5
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot het verlaten en ontruimen met de zijnen en met het zijne
van het gehuurde/de locatie: unit [unit 2] , aan het [adres 2] ( [bedrijf 3] ), binnen twee weken na betekening van het vonnis onder afgifte van de sleutels, waarbij [gedaagde] de zich in de unit bevindende zaken die eigendom zijn van KROM en derden in goede en onbeschadigde staat dient achter te laten;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot het verlaten en ontruimen met de zijnen en met het zijne van het gehuurde: unit [unit 1] aan de [adres 1] ( [bedrijf 1] ), binnen twee weken na betekening van het vonnis onder afgifte van de sleutels, waarbij [gedaagde] de zich in de unit bevindende zaken die eigendom zijn van KROM en derden in goede en onbeschadigde staat dient achter te laten;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 150.518,01 ter zake van de huurachterstand tot en met juni 2026 voor [bedrijf 1] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van volledige betaling;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de huurtermijnen voor [bedrijf 1] van € 14.216,65 inclusief BTW per maand, voor iedere maand of gedeelte daarvan, dat [gedaagde] het gehuurde na 1 juli 2026 in gebruik heeft, tot aan de dag van de ontruiming, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de van dat bedrag deel uitmakende betalingstermijnen, ingaande op de eerste dag van elke betrokken betalingsperiode over de dan telkens vervallen betalingstermijn tot aan de dag der algehele voldoening;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 6.686,57 ter zake van de betalingen van de verschuldigde servicekosten en parkeerbijdrage voor [bedrijf 3] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 29 juni 2026 tot aan de dag van volledige betaling;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de servicekosten en parkeerbijdrage voor
[bedrijf 3] van € 924,41 per maand, voor iedere maand of gedeelte daarvan, dat [gedaagde] het gehuurde na 1 juli 2026 in gebruik heeft, tot aan de dag van de ontruiming, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de van dat bedrag deel uitmakende betalingstermijnen, ingaande op de eerste dag van elke betrokken betalingsperiode over de dan telkens vervallen betalingstermijn tot aan de dag der algehele voldoening;
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van KROM tot op heden begroot op € 8.560,62, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.8.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.
lh
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel - voorzieningenrechter
zaaknummer / rolnummer: C/09/707300 KG ZA 26-670
Vonnis in kort geding van 31 juli 2026
in de zaak van
DE KIJKDUINSE RETAIL ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V, te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: KROM,
advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen, te Rotterdam,
tegen
[gedaagde] handelende onder de naam [bedrijf 1] en [bedrijf 2], te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] .
Partijen zullen hierna KROM en [gedaagde] genoemd worden.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 juni 2026, met de producties 1 tot en met 10;
- de op 17 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling;
- het verweerschrift van [gedaagde] , met de producties 1 tot en met 7;
- de schriftelijke reactie van KROM.
1.2.
De vonnisdatum is bepaald op vandaag.
1.3.
De rechtbank laat de door KROM bij haar schriftelijke reactie gevoegde productie 11 hierna buiten beschouwing. KROM is uitsluitend de gelegenheid geboden te reageren op de producties van [gedaagde] die hij voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank had bezorgd, niet om nog nadere producties in het geding te brengen (waar [gedaagde] niet op heeft kunnen reageren).
2De feiten
2.1.
KROM heeft twee bedrijfsruimtes in Nieuw Kijkduin te Den Haag (NKD) verhuurd aan [gedaagde] .
2.2.
De eerste huurovereenkomst betreft [unit 1] aan de [adres 1] (hierna: unit [unit 1] ), met ingang van (uiteindelijk) 14 april 2025 ter exploitatie van [bedrijf 1] voor een periode van 10 jaar, met een huurprijs van € 124.357,44 exclusief BTW, per jaar.
2.3.
[gedaagde] heeft [unit 1] laten verbouwen door Pub Creations B.V. (hierna: Pub Creations) om er [bedrijf 1] te kunnen vestigen. Vanwege een tekort aan financiële middelen zijn er (met hulp van KROM) verschillende constructies uitgewerkt om [bedrijf 1] te kunnen verwezenlijken (onder meer crowdfunding, lease van apparatuur en lening/aanvullende financiering).
2.4.
In september 2025 heeft Pub Creations haar werkzaamheden gestaakt. Tussen [gedaagde] en Pub Creations is een gerechtelijke procedure gevoerd. [bedrijf 1] is tot op heden niet afgebouwd.
2.5.
[gedaagde] heeft voor unit [unit 1] een bedrag van € 1.386,17 aan huur voldaan. De huurachterstand is inmiddels (na verrekeningen, tot en met juni 2026) opgelopen tot
€ 150.518.01.
2.6.
De tweede huurovereenkomst betreft de tijdelijke huur van een bedrijfsruimte inclusief horeca-inventaris, unit [unit 2] , aan het [adres 2] (hierna: unit [unit 2] ) tevens ten behoeve van de exploitatie van een restaurant ( [bedrijf 3] ). Het betreft een tijdelijk (turn key opgeleverd) pop-up restaurant. Deze tijdelijke huurovereenkomst is ingegaan op 24 november 2025 voor de duur van drie maanden en is geëindigd op 31 maart 2026.
2.7.
Voor unit [unit 2] was [gedaagde] een voorschot servicekosten en parkeerbijdrage van € 2.774,75 per 3 maanden verschuldigd. Tot en met juni 2026 staat een bedrag open van
€ 6.686,57.
2.8.
Bij e-mail van 6 mei 2026 is [gedaagde] gesommeerd om unit [unit 2] uiterlijk op 7 mei 2026 aan KROM op te leveren. [gedaagde] heeft hieraan niet voldaan.
3Het geschil
in conventie
3.1.
KROM vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I [gedaagde] veroordeelt tot het verlaten en ontruimen met de zijnen en met het zijne van het gehuurde/de locatie: unit [unit 2] , aan het [adres 2] ( [bedrijf 3] ), binnen twee weken na betekening van het vonnis onder afgifte van de sleutels, zulks met machtiging aan KROM bij gebreke van volledige voldoening aan deze verlating en ontruiming, dit verlaten en ontruimen zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van de politie en justitie en op kosten van [gedaagde] , waarbij [gedaagde] de zich in de unit bevindende zaken die eigendom zijn van KROM en derden conform productie 9 in goede en onbeschadigde staat dient achter te laten;
II [gedaagde] veroordeelt tot het verlaten en ontruimen met de zijnen en met het zijne van het gehuurde: unit [unit 1] aan de [adres 1] ( [bedrijf 1] ), binnen twee weken na betekening van het vonnis onder afgifte van de sleutels, zulks met machtiging aan KROM bíj gebreke van volledige voldoening aan deze verlating en ontruiming, dit verlaten en ontruimen zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van de politie en justitie en op kosten van [gedaagde] , waarbij [gedaagde] de zich in de unit bevindende zaken die eigendom zijn van KROM en derden conform productie 9 in goede en onbeschadigde staat dient achter te laten;
III [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 150.518,01 ter zake van de huurachterstand tot en met juni 2026 voor [bedrijf 1] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van volledige betaling;
IV [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de huurtermijnen voor [bedrijf 1] van € 14.216,65 inclusief BTW per maand, voor iedere maand of gedeelte daarvan, dat [gedaagde] het gehuurde na 1 juli 2026 in gebruik heeft, tot aan de dag van de ontruiming, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de van dat bedrag deel uitmakende betalingstermijnen, ingaande op de eerste dag van elke betrokken betalingsperiode over de dan telkens vervallen betalingstermijn tot aan de dag der algehele voldoening;
V [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 6.686,57 ter zake van de betalingen van de verschuldigde servicekosten en parkeerbijdrage voor [bedrijf 3] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 29 juni 2026 tot aan de dag van volledige betaling;
VI [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de servicekosten en parkeerbijdrage voor [bedrijf 3] van € 924,41 per maand, voor iedere maand of gedeelte daarvan, dat [gedaagde] het gehuurde na 1 juli 2026 in gebruik heeft, tot aan de dag van de ontruiming, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de van dat bedrag deel uitmakende betalingstermijnen, ingaande op de eerste dag van elke betrokken betalingsperiode over de dan telkens vervallen betalingstermijn tot aan de dag der algehele voldoening;
VII [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf der vijftiende dag na dagtekening van het vonnis.
3.2.
KROM legt hieraan, samengevat, het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in gebreke gebleven met de betaling van de huurprijs voor unit [unit 1] . Het niet betalen van de huur is een ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst, waardoor het aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden. Een dergelijke aanzienlijke en structurele huurachterstand is tevens voldoende om de ontruiming toe te kunnen wijzen, mede omdat geen uitzicht is op betaling van de lopende huur en het aflossen van de huurachterstand. KROM heeft een spoedeisend bij betaling door [gedaagde] van het achterstallig bedrag aan huur. De belangen van de verhuurder wegen in dit geval zwaarder dan die van de huurder. Het kan niet langer van KROM gevergd worden aan huurder nog langer het huurgenot te verschaffen en nog meer huurbetalingen te gaan derven dan nu al het geval is en daardoor nog verder financieel gedupeerd te raken.
Omdat de huurovereenkomst voor unit [unit 2] van rechtswege is komen te eindigen op 31 maart 2026 en [gedaagde] weigert het pand te verlaten, bestaat er voor KROM een spoedeisend belang om ontruiming te vorderen. [gedaagde] maakt daar thans zonder rechtsgeldige titel gebruik van. KROM wenst de unit zo snel mogelijk aan een andere huurder te verhuren.
3.3.
[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen van KROM.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling van het geschil
Spoedeisend belang vorderingen KROM
4.1.
KROM heeft voldoende toegelicht dat zij een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft.
Ontruiming
4.2.
Bij de beoordeling van de door KROM gevorderde ontruiming staat voorop dat dit een vergaande maatregel is, die in de praktijk vaak een definitief karakter zal hebben. Daarom zal een onverwijlde ontruiming in kort geding slechts gerechtvaardigd zijn, als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst voor unit [unit 1] in een (eventuele) bodemprocedure zal worden ontbonden en dat wordt geoordeeld dat de huurovereenkomst voor unit [unit 2] inmiddels is geëindigd.
4.3.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat hij over de periode vanaf ingaan van de huurovereenkomst voor unit [unit 1] tot en met juni 2026 vrijwel geen huur heeft betaald en in totaal een bedrag van € 150.518,01 aan huursommen onbetaald heeft gelaten. Deze huurachterstand is een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst die de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde in beginsel zonder meer rechtvaardigt. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat de huurovereenkomst voor unit [unit 2] per 31 maart 2026 is geëindigd.
4.4.
Het verweer van [gedaagde] komt erop neer dat KROM met hem gemaakte afspraken in het kader van het realiseren van [bedrijf 1] niet is nagekomen en in dat kader ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem. Om die redenen wil [gedaagde] uitstel van de betaling van de huur en uitstel van de ontruiming om de kans te krijgen om [bedrijf 1] alsnog te realiseren.
4.5.
De verwijten van [gedaagde] aan KROM kunnen als volgt worden samengevat. KROM heeft van een aan [gedaagde] op grond van de overeengekomen geldlening – bedoeld om [gedaagde] te helpen [bedrijf 1] re realiseren – toegezegd bedrag van € 150.000 te laat betalingen gedaan aan (of ten behoeve van) Pub Creations (de aannemer), waardoor deze haar werkzaamheden heeft gestaakt. KROM heeft deze fout erkend. KROM heeft vervolgens een extra lening van € 60.000 aan [gedaagde] toegezegd om de door KROM voorgestelde aannemer [aannemer] in te schakelen om het restaurant af te bouwen. [aannemer] heeft echter vrijwel niets gedaan en geen overzicht gegeven van zijn werkzaamheden.| Daarnaast heeft KROM aan de leasemaatschappij van de keuken voor [bedrijf 1] gemeld dat de keuken naar tevredenheid was opgeleverd, om zodoende geld voor haar vrij te krijgen. De keuken was echter niet opgeleverd. KOM, de zustermaatschappij van KROM, heeft de facturen voor de door [gedaagde] bij de Arend bestelde meubels voor het [bedrijf 1] op naam van de leasemaatschappij laten zetten, zodat de meubels nooit aan [gedaagde] zijn geleverd en [gedaagde] geen BTW voor deze meubels kan terugvorderen. [gedaagde] heeft het tijdelijke restaurant [bedrijf 3] volledig ingericht en gereed gemaakt voor exploitatie. Met KROM was afgesproken dat [gedaagde] een partner zou zoeken die de exploitatievergunning voor [bedrijf 3] zou aanvragen. Toen deze partner was gevonden wilde KROM echter de huurovereenkomst voor [unit 2] niet voortzetten.
4.6.
In reactie hierop heeft KROM, samengevat, het volgende aangevoerd. KROM heeft er alles aan gedaan om [gedaagde] te helpen om zijn droom te verwezenlijken, maar het houdt een keer op. KROM betwist dat Pub Creations haar werkzaamheden vanwege te late betalingen door KROM heeft gestaakt. KROM is geen contractpartij van Pub Creations en KROM heeft slechts op verzoek van [gedaagde] betalingen aan hem en Pub Creations verricht. KROM heeft ook nooit erkend dat zij op dit punt jegens [gedaagde] onjuist heeft gehandeld; het is wel juist dat een of enkele betalingen later zijn gedaan dan was afgesproken, maar dit heeft geen enkele invloed gehad op de relatie tussen Pub Creations en [gedaagde] . Nadat Pub Creations de stekker eruit had getrokken heeft KROM slechts uit coulance (en niet als compensatie voor een tekortkoming van haar kant) de extra lening van € 60.000 toegezegd. [aannemer] (de opvolgend aannemer) heeft de werkzaamheden opgestart op basis van een inspectieverslag met een kostprijsindicatie. Hij heeft het werk stilgelegd vanwege dreigementen van [gedaagde] en heeft een compleet overzicht versterkt van de reeds verrichte werkzaamheden inclusief een afrekening. Die stukken heeft [gedaagde] ontvangen. KROM heeft nooit aan de leasemaatschappij meegedeeld dat de gehele keuken voor [bedrijf 1] naar tevredenheid was opgeleverd. KROM heeft conform het contract slechts een acceptatieverklaring afgegeven voor de juiste en complete aflevering van de keukenapparatuur. De meubels voor [bedrijf 1] zijn besteld door [gedaagde] , maar zijn betaald door de leasemaatschappij. De leverancier heeft de meubels opgeslagen in afwachting van de afbouw van [bedrijf 1] . Omdat [gedaagde] de opslagkosten niet betaalde, heeft KROM de meubels nu gratis opgeslagen en KOM betaalt inmiddels de leasekosten. [gedaagde] heeft [bedrijf 3] niet ingericht: KROM heeft een volledig ingericht restaurant aan [gedaagde] ter beschikking gesteld, [gedaagde] heeft slechts bestek, wat servies, kookapparatuur en kookbenodigdheden meegenomen om het restaurant goed te kunnen exploiteren. KROM is pas medio november 2025 bekend geworden met het feit dat [gedaagde] zelf geen exploitatievergunning zou kunnen krijgen.
4.7.
De verwijten van [gedaagde] aan KROM doen op zichzelf zelf niet af aan de verplichting van [gedaagde] om de verschuldigde huur voor unit [unit 1] en de parkeerbijdrage en de servicekosten voor unit [unit 3] te betalen. Als [gedaagde] hiertoe niet in staat is omdat het [bedrijf 1] nog niet is afgebouwd en dus geen inkomsten genereert, is dat een ondernemersrisico dat [gedaagde] in beginsel zelf moet dragen. Als [gedaagde] heeft bedoeld dat hij zijn betalingsverplichtingen jegens KROM heeft mogen opschorten, heeft hij dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door KROM van de verwijten van [gedaagde] , onvoldoende aannemelijk gemaakt. In het bijzonder valt er op te wijzen dat niet duidelijk is geworden dat het (vooral) aan KROM te wijten is geweest dat de bouw van [bedrijf 1] niet is voltooid.
4.8.
Dit een en ander leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat belangen van KROM zwaarder wegen dan die van [gedaagde] . De gevorderde ontruiming zal worden toegewezen. De gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren, zal worden afgewezen, nu de deurwaarder bevoegd is tot reële executie van de veroordeling tot ontruiming op grond van de artikelen 555 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 444 Rv. Met inachtneming van voorgaande belangenafweging wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.9.
Namens KROM is ter zitting verklaard dat de verwijzing in het petitum naar (de niet overgelegde) productie 9 kan worden weggelaten, omdat (vrijwel) alle goederen in beide units niet aan [gedaagde] maar aan KROM of derden toebehoren.
Betaling (achterstallige) huur voor unit [unit 1] en servicekosten en parkeerbijdrage voor unit [unit 2]
4.10.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de vordering tot betaling van de achterstallige huur voor unit [unit 1] voor toewijzing in aanmerking. Hetzelfde geldt voor de gevorderde doorbetaling van huur voor unit [unit 1] en de betaling van servicekosten en parkeerbijdrage voor unit [unit 2] , een en ander tot de datum van ontruiming. De gevorderde wettelijke handelsrente zal eveneens worden toegewezen.
Proceskosten
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van KROM worden begroot op:
- dagvaarding € 132,62
- griffierecht € 7.062,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 8.560,62
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Vordering in reconventie niet mogelijk
4.13.
[gedaagde] procedeert zonder advocaat. Hij heeft in zijn verweerschrift een vordering in reconventie opgenomen. Deze vordering is echter niet mogelijk, omdat deze slechts door een advocaat kan worden ingesteld (artikel 6.1 Landelijk procesreglement).
5
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot het verlaten en ontruimen met de zijnen en met het zijne
van het gehuurde/de locatie: unit [unit 2] , aan het [adres 2] ( [bedrijf 3] ), binnen twee weken na betekening van het vonnis onder afgifte van de sleutels, waarbij [gedaagde] de zich in de unit bevindende zaken die eigendom zijn van KROM en derden in goede en onbeschadigde staat dient achter te laten;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot het verlaten en ontruimen met de zijnen en met het zijne van het gehuurde: unit [unit 1] aan de [adres 1] ( [bedrijf 1] ), binnen twee weken na betekening van het vonnis onder afgifte van de sleutels, waarbij [gedaagde] de zich in de unit bevindende zaken die eigendom zijn van KROM en derden in goede en onbeschadigde staat dient achter te laten;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 150.518,01 ter zake van de huurachterstand tot en met juni 2026 voor [bedrijf 1] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van volledige betaling;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de huurtermijnen voor [bedrijf 1] van € 14.216,65 inclusief BTW per maand, voor iedere maand of gedeelte daarvan, dat [gedaagde] het gehuurde na 1 juli 2026 in gebruik heeft, tot aan de dag van de ontruiming, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de van dat bedrag deel uitmakende betalingstermijnen, ingaande op de eerste dag van elke betrokken betalingsperiode over de dan telkens vervallen betalingstermijn tot aan de dag der algehele voldoening;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 6.686,57 ter zake van de betalingen van de verschuldigde servicekosten en parkeerbijdrage voor [bedrijf 3] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 29 juni 2026 tot aan de dag van volledige betaling;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de servicekosten en parkeerbijdrage voor
[bedrijf 3] van € 924,41 per maand, voor iedere maand of gedeelte daarvan, dat [gedaagde] het gehuurde na 1 juli 2026 in gebruik heeft, tot aan de dag van de ontruiming, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de van dat bedrag deel uitmakende betalingstermijnen, ingaande op de eerste dag van elke betrokken betalingsperiode over de dan telkens vervallen betalingstermijn tot aan de dag der algehele voldoening;
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van KROM tot op heden begroot op € 8.560,62, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.8.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.
lh