Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21269
2026-07-31
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
SGR 25/2211 en SGR 25/2500
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiser heeft tijdens zijn WW-uitkering bepaalde periodes in het buitenland verbleven anders dan wegens vakantie. Herziening en terugvordering en boete.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2016:4921 Centrale Raad van Beroep 07-12-2016
- ECLI:NL:CRVB:2018:1100 Centrale Raad van Beroep 12-04-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.829 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/2211 en SGR 25/2500
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)¸ verweerder
(gemachtigde: C. Schravesande).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en de boete die het Uwv aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij stelt dat de hoogte van zowel de terugvordering als de boete niet klopt en dat het Uwv ook fouten heeft gemaakt. Aan de hand van wat eiser in beroep tegen de bestreden besluiten heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming juist is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de WW-uitkering van eiser terecht heeft herzien en teruggevorderd, maar voor een te hoog bedrag. Ook heeft het Uwv terecht een boete opgelegd, maar een te hoog bedrag. Eisers beroepen zijn daarom gegrond, maar de rechtbank stelt zelf de terugvordering en de boete op een lager bedrag vast. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 26 september 2024 (primair besluit I) heeft het Uwv de aan eiser over de periode van 17 april 2023 tot en met 31 mei 2024 verleende WW-uitkering herzien en de over die periode betaalde WW-uitkering ter hoogte van een bedrag van € 3.977,25 bruto van eiser teruggevorderd.
2.1.
Bij een tweede besluit van 26 september 2024 (primair besluit II) heeft het Uwv aan eiser een boete opgelegd van € 1.988,63.
2.2.
In de bestreden besluiten van 5 februari 2025 heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.4.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld van zijn partner, en de gemachtigde van verweerder.
Standpunt eiser
3. Met betrekking tot de terugvordering voert eiser allereerst aan dat hij op 8 april 2024 en 19 oktober 2023 in Nederland was en niet in het buitenland. Hij had op die dagen recht op WW. Daarnaast vordert het Uwv volgens eiser ook uitkering in die überhaupt niet uitgekeerd is. Eiser heeft op veel dagen dat hij in het buitenland was gewerkt als zelfstandige. Hiervoor heeft hij zijn werkuren doorgegeven aan het Uwv, en deze uren zijn gekort op zijn uitkering. Eiser heeft dan ook geen volledige uitkering ontvangen in de periodes dat hij in het buitenland was. Het Uwv vordert echter wel een volledige uitkering terug. Het Uwv heeft dubbel gekort. Op de dagen dat eiser in het buitenland verbleef had hij geen recht op WW, maar op die dagen heeft hij gewerkt en de werkuren tellen wel mee bij de berekening van de WW-uitkering. Eiser heeft verder nog vijf vakantiedagen opgenomen voor de periode dat hij in het buitenland was, maar deze zijn niet gecorrigeerd in de berekening door het Uwv. Met betrekking tot de boete voert eiser aan dat het bedrag van de terugvordering te hoog is en daarmee ook het bedrag van de boete. Daarnaast heeft het Uwv ook fouten gemaakt. Bij zijn aanvraag heeft eiser ingevuld dat zijn adres in Italië was. Als het Uwv meteen bij de aanvraag contact had opgenomen om te vragen hoe eisers woonsituatie in elkaar zit, was dit volgens hem vanaf het begin al niet fout gegaan.
Standpunt verweerder
4. Het Uwv legt aan de herziening en terugvordering ten grondslag dat eiser niet aan het Uwv heeft doorgegeven dat hij bepaalde periodes in het buitenland heeft verbleven anders dan wegens vakantie. Daardoor heeft hij te veel uitkering ontvangen. De boete heeft het Uwv vastgesteld op 50% van het terugvorderingsbedrag. Het Uwv is namelijk van mening dat eiser niet met opzet heeft gehandeld. In beroep heeft het Uwv een nieuwe berekening gemaakt waarbij de door eiser genoemde dagen van 8 april 2024 en 19 oktober 2023 buiten de berekening worden gelaten. Hiermee is de terugvordering met € 91,47 en de boete met € 45,74 verlaagd. In het verweerschrift stelt het Uwv dat bij de berekening van de terugvordering is uitgegaan van hetgeen eiser daadwerkelijk ontving in een kalendermaand. Bij de uitbetaling destijds is al rekening gehouden met de inkomsten als zelfstandige. Het is dus niet zo dat er dubbel gekort is. Dat eiser op de dagen dat hij in het buitenland verbleef en werkte geen recht heeft op WW, maar de werkuren wel meetellen bij de berekening van de WW-uitkering, volgt ten slotte uit de wet.
Relevante wet- en regelgeving
5. De voor de beoordeling van deze zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak die hiervan deel uitmaakt.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv terecht de WW-uitkering van eiser heeft herzien en teruggevorderd en aan hem een boete heeft opgelegd.
Herziening en terugvordering
6.1.
Bij besluiten tot herziening en terugvordering van WW-uitkering gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het in een geval als dit aan het Uwv is om de feiten aan te dragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat eiser in de periode in geding buiten Nederland woonde of verblijf hield anders dan wegens vakantie. Indien op grond van de gepresenteerde feiten aannemelijk is dat van die omstandigheid sprake was, ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.
6.2.
Uit het onderzoek dat het Uwv heeft verricht is gebleken dat eiser in de periode van 17 april 2023 tot en met 31 mei 2024 diverse periodes in het buitenland heeft verbleven anders dan wegens vakantie. Eiser heeft dat tijdens het onderzoek verklaard en heeft dat in beroep ook bevestigd. Daarmee heeft het Uwv voldaan aan de op hem rustende bewijslast, als hiervoor omschreven in 6.1. Eiser heeft dit verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie niet gemeld aan het Uwv. Daarmee heeft hij de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Omdat eiser in de periodes dat hij in het buitenland verbleef, anders dan voor vakantie, geen recht had op WW, was het Uwv verplicht de WW-uitkering van eiser over die periodes te herzien. Ook was het Uwv verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering van eiser terug te vorderen. Dringende redenen op grond waarvan het Uwv van herziening en terugvordering had moeten afzien, zijn niet gesteld of gebleken.
6.3.
Nu het Uwv bij de nieuwe berekening de door eiser genoemde dagen 8 april 2024 en 19 oktober 2023 buiten beschouwing heeft gelaten, is de periode waarin eiser in het buitenland verbleef tussen partijen niet langer in geschil.
6.4.
Met betrekking tot de beroepsgrond van eiser dat hij over de dagen dat hij in het buitenland verbleef en als zelfstandige werkte dubbel wordt gekort, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de WW behoudt een persoon wiens dienstbetrekking geheel of gedeeltelijk is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd. Op grond van artikel 1b, vijfde lid, van de WW, worden voor deze werknemer die de hoedanigheid van werknemer verliest de uren die worden besteed aan de werkzaamheden als zelfstandige of andere activiteiten aangemerkt en toegerekend als fictief inkomen. In artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de WW is dan vervolgens geregeld in welke mate die fictieve inkomsten van invloed zijn op het recht op WW-uitkering. Dat recht eindigt, eenvoudig gezegd, met ingang van de eerste kalendermaand waarin de werknemer niet meer werkloos is omdat hij inkomen heeft dat meer dan 87,5% van het maandloon is.
Daarbij is niet van belang of die werkzaamheden worden verricht in Nederland of in het buitenland. Uit de wet volgt daarnaast dat een werknemer die buiten Nederland verblijft, anders dan wegens vakantie, geen recht heeft op WW-uitkering.
Dit zijn afzonderlijke dwingendrechtelijke bepalingen, waar niet van kan worden afgeweken. De rechter mag geen oordeel geven over de keuze van de wetgever om deze bepalingen in de wet op te nemen. Van ongeoorloofd dubbel korten is daarom geen sprake. Daarnaast is niet gebleken dat het Uwv meer van eiser heeft teruggevorderd dan hetgeen aan eiser is betaald. Eisers beroepsgrond kan daarom niet slagen.
6.5.
Met betrekking tot de stelling van eiser dat hij nog vakantiedagen had opgenomen voor de periode dat hij in het buitenland verbleef, overweegt de rechtbank als volgt. Bij de beoordeling welke periode eiser in het buitenland heeft verbleven, anders dan wegens vakantie, is het Uwv uitgegaan van de dagen die eiser heeft vermeld in zijn e-mail van 10 juli 2024 aan het Uwv. Eiser heeft in beroep niet gesteld en aangetoond dat die opgave niet juist was. Het Uwv mocht dan ook van die opgave uitgaan. Daarbij geldt dat eiser niet alsnog, achteraf, deze dagen als vakantiedagen kan aanmerken. Hij heeft immers, zo blijkt uit zijn opgave, op die dagen gewerkt.
De boete
7. Volgens vaste rechtspraak is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening, of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. Dit brengt mee dat het Uwv moet aantonen dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door aan het Uwv geen mededeling te doen dat hij in het buitenland verbleef anders dan met vakantie.
7.1.
Met de bevindingen uit het onderzoeksrapport van 12 juli 2024 heeft het Uwv aangetoond dat eiser tijdens zijn WW-uitkering in het buitenland verbleef, anders dan wegens vakantie. Nu eiser daarvan geen melding bij verweerder heeft gemaakt, heeft hij zijn inlichtingenplicht geschonden.
7.2.
Eiser kan hier een verwijt van worden gemaakt, omdat eiser onder meer met de toekenningsbeslissing van 13 april 2023 is gewezen op zijn rechten en plichten. Uit de “Motivering subjectief verwijtbaar” van 24 september 2024 blijkt verder dat op 12 april 2023 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen eiser en het Uwv. Tijdens dat gesprek is aan eiser uitgelegd dat alleen als hij in Nederland verblijft er mogelijk recht kan zijn op een WW-uitkering. Hij had dus moeten begrijpen dat hij zijn verblijf in het buitenland aan het Uwv had moeten melden.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser geen opzet had bij het overtreden van de inlichtingenplicht. Het Uwv is bij het opleggen van de boete uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Uit artikel 2, vierde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten volgt dat indien bij overtreding van de inlichtingenplicht geen sprake is van opzet of grove schuld een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag wordt vastgesteld. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor verminderde verwijtbaarheid. Anders dan eiser heeft gesteld, heeft het Uwv namelijk wel, zoals hiervoor weergegeven, op 12 april 2023 telefonisch contact gehad met eiser, waarbij met eiser is besproken dat hij ingeschreven stond met een Italiaans adres. Dat het Uwv, zoals eiser in zijn aanvullend beroepschrift heeft gesteld, op andere momenten fouten heeft gemaakt, kan aan de verwijtbaarheid niet afdoen. De door eiser gestelde fouten, wat daar ook van zij, zien op andere besluiten en hebben geen betrekking op de verwijtbaarheid ten aanzien van het niet melden door eiser van het verblijf in het buitenland. Dringende redenen op grond waarvan het Uwv van het opleggen van een boete had moeten afzien zijn verder niet gesteld of gebleken.
7.4.
Gelet op het voorgaande heeft het Uwv eiser terecht een boete opgelegd ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag.
Conclusie en gevolgen
8. Omdat uit de nieuwe berekening van het Uwv volgt dat de bestreden besluiten ten aanzien van de hoogte van het terugvorderingsbedrag en de hoogte van de boete geen stand kunnen houden, zijn de beroepen gegrond. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de terugvordering en de boete vast te stellen overeenkomstig de nieuwe berekening. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht (2x € 53,-) vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten voor zover het de hoogte van de terugvordering en de hoogte van de boete betreft;
- herroept de primaire besluiten en stelt de terugvordering vast op een bedrag van € 3.885,78 bruto en de boete op een bedrag van € 1.942,89 bruto;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van in totaal € 106,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Werkloosheidswet
Artikel 19:
1. Geen recht op uitkering heeft de werknemer die:
(…)
e. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.
Artikel 22a:
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet het UWV een dergelijk besluit of trekt het dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
(…)
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 25:
1. De werknemer is verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald. Deze verplichting geldt niet, voor zover een recht op uitkering niet geldend kan worden gemaakt als gevolg van een blijvend gehele weigering. Deze verplichting geldt evenmin indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de derde zin van toepassing is.
Artikel 27a:
1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 25, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 25, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.
(…)
8. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
(…)
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
(…)
Artikel 36:
1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het UWV teruggevorderd.(…)
(…)
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
(…)
Boetebesluit socialezekerheidswetten
Artikel 2:
1. Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.
2. Indien de inlichtingenverplichting opzettelijk is overtreden, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 100 procent van het benadelingsbedrag.
3. Indien sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 75 procent van het benadelingsbedrag.
4. Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.
5. Indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent van het benadelingsbedrag.
(…)
10. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete rust op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.
(…)
Artikel 2a:
1. Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.
2. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:
a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;
b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;
c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting;
d.de overtreding van de inlichtingenverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan het bestuursorgaan dat bevoegd is de bestuurlijke boete op te leggen, of
e. er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid.
(…)
zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4921.
Als bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW.
Op grond van artikel 25 van de WW.
Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW.
Op grond van artikel 36 van de WW.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1100.
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/2211 en SGR 25/2500
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)¸ verweerder
(gemachtigde: C. Schravesande).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en de boete die het Uwv aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij stelt dat de hoogte van zowel de terugvordering als de boete niet klopt en dat het Uwv ook fouten heeft gemaakt. Aan de hand van wat eiser in beroep tegen de bestreden besluiten heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming juist is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de WW-uitkering van eiser terecht heeft herzien en teruggevorderd, maar voor een te hoog bedrag. Ook heeft het Uwv terecht een boete opgelegd, maar een te hoog bedrag. Eisers beroepen zijn daarom gegrond, maar de rechtbank stelt zelf de terugvordering en de boete op een lager bedrag vast. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 26 september 2024 (primair besluit I) heeft het Uwv de aan eiser over de periode van 17 april 2023 tot en met 31 mei 2024 verleende WW-uitkering herzien en de over die periode betaalde WW-uitkering ter hoogte van een bedrag van € 3.977,25 bruto van eiser teruggevorderd.
2.1.
Bij een tweede besluit van 26 september 2024 (primair besluit II) heeft het Uwv aan eiser een boete opgelegd van € 1.988,63.
2.2.
In de bestreden besluiten van 5 februari 2025 heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.4.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld van zijn partner, en de gemachtigde van verweerder.
Standpunt eiser
3. Met betrekking tot de terugvordering voert eiser allereerst aan dat hij op 8 april 2024 en 19 oktober 2023 in Nederland was en niet in het buitenland. Hij had op die dagen recht op WW. Daarnaast vordert het Uwv volgens eiser ook uitkering in die überhaupt niet uitgekeerd is. Eiser heeft op veel dagen dat hij in het buitenland was gewerkt als zelfstandige. Hiervoor heeft hij zijn werkuren doorgegeven aan het Uwv, en deze uren zijn gekort op zijn uitkering. Eiser heeft dan ook geen volledige uitkering ontvangen in de periodes dat hij in het buitenland was. Het Uwv vordert echter wel een volledige uitkering terug. Het Uwv heeft dubbel gekort. Op de dagen dat eiser in het buitenland verbleef had hij geen recht op WW, maar op die dagen heeft hij gewerkt en de werkuren tellen wel mee bij de berekening van de WW-uitkering. Eiser heeft verder nog vijf vakantiedagen opgenomen voor de periode dat hij in het buitenland was, maar deze zijn niet gecorrigeerd in de berekening door het Uwv. Met betrekking tot de boete voert eiser aan dat het bedrag van de terugvordering te hoog is en daarmee ook het bedrag van de boete. Daarnaast heeft het Uwv ook fouten gemaakt. Bij zijn aanvraag heeft eiser ingevuld dat zijn adres in Italië was. Als het Uwv meteen bij de aanvraag contact had opgenomen om te vragen hoe eisers woonsituatie in elkaar zit, was dit volgens hem vanaf het begin al niet fout gegaan.
Standpunt verweerder
4. Het Uwv legt aan de herziening en terugvordering ten grondslag dat eiser niet aan het Uwv heeft doorgegeven dat hij bepaalde periodes in het buitenland heeft verbleven anders dan wegens vakantie. Daardoor heeft hij te veel uitkering ontvangen. De boete heeft het Uwv vastgesteld op 50% van het terugvorderingsbedrag. Het Uwv is namelijk van mening dat eiser niet met opzet heeft gehandeld. In beroep heeft het Uwv een nieuwe berekening gemaakt waarbij de door eiser genoemde dagen van 8 april 2024 en 19 oktober 2023 buiten de berekening worden gelaten. Hiermee is de terugvordering met € 91,47 en de boete met € 45,74 verlaagd. In het verweerschrift stelt het Uwv dat bij de berekening van de terugvordering is uitgegaan van hetgeen eiser daadwerkelijk ontving in een kalendermaand. Bij de uitbetaling destijds is al rekening gehouden met de inkomsten als zelfstandige. Het is dus niet zo dat er dubbel gekort is. Dat eiser op de dagen dat hij in het buitenland verbleef en werkte geen recht heeft op WW, maar de werkuren wel meetellen bij de berekening van de WW-uitkering, volgt ten slotte uit de wet.
Relevante wet- en regelgeving
5. De voor de beoordeling van deze zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak die hiervan deel uitmaakt.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv terecht de WW-uitkering van eiser heeft herzien en teruggevorderd en aan hem een boete heeft opgelegd.
Herziening en terugvordering
6.1.
Bij besluiten tot herziening en terugvordering van WW-uitkering gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het in een geval als dit aan het Uwv is om de feiten aan te dragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat eiser in de periode in geding buiten Nederland woonde of verblijf hield anders dan wegens vakantie. Indien op grond van de gepresenteerde feiten aannemelijk is dat van die omstandigheid sprake was, ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.
6.2.
Uit het onderzoek dat het Uwv heeft verricht is gebleken dat eiser in de periode van 17 april 2023 tot en met 31 mei 2024 diverse periodes in het buitenland heeft verbleven anders dan wegens vakantie. Eiser heeft dat tijdens het onderzoek verklaard en heeft dat in beroep ook bevestigd. Daarmee heeft het Uwv voldaan aan de op hem rustende bewijslast, als hiervoor omschreven in 6.1. Eiser heeft dit verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie niet gemeld aan het Uwv. Daarmee heeft hij de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Omdat eiser in de periodes dat hij in het buitenland verbleef, anders dan voor vakantie, geen recht had op WW, was het Uwv verplicht de WW-uitkering van eiser over die periodes te herzien. Ook was het Uwv verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering van eiser terug te vorderen. Dringende redenen op grond waarvan het Uwv van herziening en terugvordering had moeten afzien, zijn niet gesteld of gebleken.
6.3.
Nu het Uwv bij de nieuwe berekening de door eiser genoemde dagen 8 april 2024 en 19 oktober 2023 buiten beschouwing heeft gelaten, is de periode waarin eiser in het buitenland verbleef tussen partijen niet langer in geschil.
6.4.
Met betrekking tot de beroepsgrond van eiser dat hij over de dagen dat hij in het buitenland verbleef en als zelfstandige werkte dubbel wordt gekort, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de WW behoudt een persoon wiens dienstbetrekking geheel of gedeeltelijk is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd. Op grond van artikel 1b, vijfde lid, van de WW, worden voor deze werknemer die de hoedanigheid van werknemer verliest de uren die worden besteed aan de werkzaamheden als zelfstandige of andere activiteiten aangemerkt en toegerekend als fictief inkomen. In artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de WW is dan vervolgens geregeld in welke mate die fictieve inkomsten van invloed zijn op het recht op WW-uitkering. Dat recht eindigt, eenvoudig gezegd, met ingang van de eerste kalendermaand waarin de werknemer niet meer werkloos is omdat hij inkomen heeft dat meer dan 87,5% van het maandloon is.
Daarbij is niet van belang of die werkzaamheden worden verricht in Nederland of in het buitenland. Uit de wet volgt daarnaast dat een werknemer die buiten Nederland verblijft, anders dan wegens vakantie, geen recht heeft op WW-uitkering.
Dit zijn afzonderlijke dwingendrechtelijke bepalingen, waar niet van kan worden afgeweken. De rechter mag geen oordeel geven over de keuze van de wetgever om deze bepalingen in de wet op te nemen. Van ongeoorloofd dubbel korten is daarom geen sprake. Daarnaast is niet gebleken dat het Uwv meer van eiser heeft teruggevorderd dan hetgeen aan eiser is betaald. Eisers beroepsgrond kan daarom niet slagen.
6.5.
Met betrekking tot de stelling van eiser dat hij nog vakantiedagen had opgenomen voor de periode dat hij in het buitenland verbleef, overweegt de rechtbank als volgt. Bij de beoordeling welke periode eiser in het buitenland heeft verbleven, anders dan wegens vakantie, is het Uwv uitgegaan van de dagen die eiser heeft vermeld in zijn e-mail van 10 juli 2024 aan het Uwv. Eiser heeft in beroep niet gesteld en aangetoond dat die opgave niet juist was. Het Uwv mocht dan ook van die opgave uitgaan. Daarbij geldt dat eiser niet alsnog, achteraf, deze dagen als vakantiedagen kan aanmerken. Hij heeft immers, zo blijkt uit zijn opgave, op die dagen gewerkt.
De boete
7. Volgens vaste rechtspraak is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening, of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. Dit brengt mee dat het Uwv moet aantonen dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door aan het Uwv geen mededeling te doen dat hij in het buitenland verbleef anders dan met vakantie.
7.1.
Met de bevindingen uit het onderzoeksrapport van 12 juli 2024 heeft het Uwv aangetoond dat eiser tijdens zijn WW-uitkering in het buitenland verbleef, anders dan wegens vakantie. Nu eiser daarvan geen melding bij verweerder heeft gemaakt, heeft hij zijn inlichtingenplicht geschonden.
7.2.
Eiser kan hier een verwijt van worden gemaakt, omdat eiser onder meer met de toekenningsbeslissing van 13 april 2023 is gewezen op zijn rechten en plichten. Uit de “Motivering subjectief verwijtbaar” van 24 september 2024 blijkt verder dat op 12 april 2023 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen eiser en het Uwv. Tijdens dat gesprek is aan eiser uitgelegd dat alleen als hij in Nederland verblijft er mogelijk recht kan zijn op een WW-uitkering. Hij had dus moeten begrijpen dat hij zijn verblijf in het buitenland aan het Uwv had moeten melden.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser geen opzet had bij het overtreden van de inlichtingenplicht. Het Uwv is bij het opleggen van de boete uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Uit artikel 2, vierde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten volgt dat indien bij overtreding van de inlichtingenplicht geen sprake is van opzet of grove schuld een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag wordt vastgesteld. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor verminderde verwijtbaarheid. Anders dan eiser heeft gesteld, heeft het Uwv namelijk wel, zoals hiervoor weergegeven, op 12 april 2023 telefonisch contact gehad met eiser, waarbij met eiser is besproken dat hij ingeschreven stond met een Italiaans adres. Dat het Uwv, zoals eiser in zijn aanvullend beroepschrift heeft gesteld, op andere momenten fouten heeft gemaakt, kan aan de verwijtbaarheid niet afdoen. De door eiser gestelde fouten, wat daar ook van zij, zien op andere besluiten en hebben geen betrekking op de verwijtbaarheid ten aanzien van het niet melden door eiser van het verblijf in het buitenland. Dringende redenen op grond waarvan het Uwv van het opleggen van een boete had moeten afzien zijn verder niet gesteld of gebleken.
7.4.
Gelet op het voorgaande heeft het Uwv eiser terecht een boete opgelegd ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag.
Conclusie en gevolgen
8. Omdat uit de nieuwe berekening van het Uwv volgt dat de bestreden besluiten ten aanzien van de hoogte van het terugvorderingsbedrag en de hoogte van de boete geen stand kunnen houden, zijn de beroepen gegrond. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de terugvordering en de boete vast te stellen overeenkomstig de nieuwe berekening. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht (2x € 53,-) vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten voor zover het de hoogte van de terugvordering en de hoogte van de boete betreft;
- herroept de primaire besluiten en stelt de terugvordering vast op een bedrag van € 3.885,78 bruto en de boete op een bedrag van € 1.942,89 bruto;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van in totaal € 106,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Werkloosheidswet
Artikel 19:
1. Geen recht op uitkering heeft de werknemer die:
(…)
e. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.
Artikel 22a:
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet het UWV een dergelijk besluit of trekt het dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
(…)
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 25:
1. De werknemer is verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald. Deze verplichting geldt niet, voor zover een recht op uitkering niet geldend kan worden gemaakt als gevolg van een blijvend gehele weigering. Deze verplichting geldt evenmin indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de derde zin van toepassing is.
Artikel 27a:
1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 25, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 25, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.
(…)
8. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
(…)
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
(…)
Artikel 36:
1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het UWV teruggevorderd.(…)
(…)
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
(…)
Boetebesluit socialezekerheidswetten
Artikel 2:
1. Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.
2. Indien de inlichtingenverplichting opzettelijk is overtreden, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 100 procent van het benadelingsbedrag.
3. Indien sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 75 procent van het benadelingsbedrag.
4. Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.
5. Indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent van het benadelingsbedrag.
(…)
10. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete rust op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.
(…)
Artikel 2a:
1. Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.
2. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:
a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;
b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;
c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting;
d.de overtreding van de inlichtingenverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan het bestuursorgaan dat bevoegd is de bestuurlijke boete op te leggen, of
e. er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid.
(…)
zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4921.
Als bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW.
Op grond van artikel 25 van de WW.
Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW.
Op grond van artikel 36 van de WW.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1100.