Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21167
2026-07-03
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.7219
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Derdelander Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) Oekraïne. Beroep tegen terugkeerbesluit, beroep gericht tegen oude terugkeerbesluit niet-ontvankelijk, beroep tegen nieuw terugkeerbesluit ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2024:1038
- ECLI:NL:RVS:2025:1829 Raad van State 23-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.491 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7219
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 21 februari 2024 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na 4 maart 2024 Nederland moet verlaten.
1.2.
Vervolgens heeft verweerder met het besluit van 28 januari 2026 het besluit van 21 februari 2024 ingetrokken en aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Hierin heeft verweerder bepaald dat eiser binnen vier na de uitspraak in beroep Nederland moet verlaten.
1.3.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
2.1.
Op 21 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 februari 2024. Verweerder heeft dat besluit ingetrokken en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Awb vervangen met het besluit van 28 januari 2026. Het beroep van eiser heeft automatisch betrekking op het nieuw genomen besluit.
2.3.
Met het nieuwe besluit van 28 januari 2026 heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
3. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 28 januari 2026 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 21 februari 2024. Nu verweerder het besluit van
21 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op een vergoeding van zijn proceskosten.
Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 28 januari 2026
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen het terugkeerbesluit van 28 januari 2026. De rechtbank heeft eiser per brief van 12 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een reactie in te dienen op het terugkeerbesluit van 28 januari 2026. De rechtbank heeft geen reactie ontvangen. Hierdoor kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser het niet eens is met het terugkeerbesluit van 28 januari 2026. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit daarom ongegrond verklaren.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Het beroep zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 28 januari 2026 is ongegrond.
7. Nu verweerder het besluit waartegen eiser beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 28 januari 2026 ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (arrest Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
In de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7219
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 21 februari 2024 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na 4 maart 2024 Nederland moet verlaten.
1.2.
Vervolgens heeft verweerder met het besluit van 28 januari 2026 het besluit van 21 februari 2024 ingetrokken en aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Hierin heeft verweerder bepaald dat eiser binnen vier na de uitspraak in beroep Nederland moet verlaten.
1.3.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
2.1.
Op 21 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 februari 2024. Verweerder heeft dat besluit ingetrokken en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Awb vervangen met het besluit van 28 januari 2026. Het beroep van eiser heeft automatisch betrekking op het nieuw genomen besluit.
2.3.
Met het nieuwe besluit van 28 januari 2026 heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
3. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 28 januari 2026 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 21 februari 2024. Nu verweerder het besluit van
21 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op een vergoeding van zijn proceskosten.
Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 28 januari 2026
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen het terugkeerbesluit van 28 januari 2026. De rechtbank heeft eiser per brief van 12 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een reactie in te dienen op het terugkeerbesluit van 28 januari 2026. De rechtbank heeft geen reactie ontvangen. Hierdoor kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser het niet eens is met het terugkeerbesluit van 28 januari 2026. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit daarom ongegrond verklaren.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Het beroep zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 28 januari 2026 is ongegrond.
7. Nu verweerder het besluit waartegen eiser beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 28 januari 2026 ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (arrest Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
In de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.