Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21154
2026-07-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.22020 en NL26.22021
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel Irak - verweerder heeft niet goed gemotiveerd waarom Jezidi's uit Sinjar niet als risicoprofiel worden aangemerkt - beroep gegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9778 Rechtbank Den Haag 16-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:2865 Raad van State 02-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13702 Rechtbank Den Haag 26-05-2026
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24134 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (16.113 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.22020 en NL26.22021
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Eiser heeft op 6 juni 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 april 2026 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en H. Ahmed als tolk. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te kunnen zijn.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1990. Eiser is etnisch Jezidi en woonde in [plaats 1] . De eerste reden dat eiser Irak heeft verlaten is de aanwezigheid van IS en andere gewapende groeperingen in [plaats 1] . Eiser is tijdens zijn werkzaamheden in [plaats 2] daarnaast ook gediscrimineerd vanwege zijn etniciteit. Verder stelt eiser bedreigd te zijn door de PKK als gevolg van juridische stappen die eiser tegen de PKK heeft ondernomen omdat de PKK verantwoordelijk zou zijn voor de dood van eisers neef.
Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook de discriminatie die eiser heeft ondervonden vanwege zijn etniciteit, vindt verweerder geloofwaardig. Eisers problemen met de PKK vindt verweerder niet geloofwaardig. De verklaringen van eiser over zijn neef zijn in strijd met informatie die bekend is bij verweerder. Verweerder concludeert verder dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn etniciteit. Uit het meest recente Algemeen Ambtsbericht over Irak uit 2023 (hierna: het AAB) blijkt niet meer dat Jezidi’s vanwege hun geloof het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Ook is er geen sprake van vervolging van Jezidi’s in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder merkt Jezidi’s daarom niet langer aan als risicoprofiel (voorheen: kwetsbare minderheidsgroep). Eisers vrees voor discriminatie is onvoldoende zwaarwegend, omdat niet is gebleken dat eiser vanwege de discriminatie zo ernstig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren. Tot slot betekent het feit dat eiser in Griekenland een vluchtelingenstatus heeft gekregen niet dat eisers aanvraag in Nederland ook moet worden ingewilligd. Uit het Griekse dossier blijkt dat eiser een vluchtelingenstatus heeft gekregen omdat hij Jezidi is, maar Nederland neemt niet aan dat hij op basis hiervan vluchteling is. Verweerder heeft eiser een terugkeerbesluit opgelegd met als bestemming Irak.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Verweerder houdt ten onrechte vast aan zijn standpunt dat eiser verklaard zou hebben over zijn in leven zijnde neef die in Nederland woont. De oom van eiser heeft veel kinderen en verweerder heeft een vergissing gemaakt. Eiser wijst hierbij ook op de overlijdensakte en de foto van het graf. Daarnaast kan verweerder wat betreft de positie van Jezidi’s in Irak niet volstaan met algemene verwijzingen naar zijn beleidswijziging. Eiser verwijst naar een uitspraak van de meervoudige kamer van de zittingsplaats Rotterdam waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Jezidi’s in [plaats 1] niet als risicoprofiel worden aangemerkt. Ook heeft verweerder ten onrechte eisers vrees voor discriminatie bij terugkeer onvoldoende zwaarwegend gevonden. De vraag is niet alleen of eiser in het verleden heeft kunnen werken of toegang had tot basale voorzieningen, maar of de discriminatie en ontheemding maken dat eiser bij terugkeer (opnieuw) in een onhoudbare positie terechtkomt. Bovendien hanteert verweerder een te hoge drempel door te verlangen dat eiser aannemelijk maakt dat hij volledig van alle maatschappelijke voorzieningen is uitgesloten. Gelet op het gegeven dat eiser in Griekenland een vluchtelingenstatus heeft gekregen, had verweerder juist zorgvuldiger moeten motiveren waarom Nederland op basis van dezelfde feiten tot een andere beoordeling komt. Zelfs als de beoordeling van de asielmotieven in stand kan blijven, moet verweerder de Griekse asielstatus betrekken bij het terugkeerbesluit. Tot slot heeft verweerder de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Problemen met de PKK
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers problemen met de PKK terecht niet geloofwaardig heeft gevonden. Eiser heeft verklaard dat zijn neef genaamd [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1993, in 2021 is vermoord door de PKK. De vader van deze neef verblijft in Nederland. Verweerder heeft erop gewezen dat deze oom van eiser in zijn asielprocedure heeft verklaard twaalf kinderen te hebben, maar dat geen daarvan is genaamd [naam 1] . Wel heeft eisers oom een zoon genaamd [naam 2] die geboren is op [geboortedatum 1] 1993, dezelfde geboortedatum als de neef waar eiser over heeft verklaard. Deze neef verblijft sinds 2015 in Nederland en kan dus niet in 2021 in Irak overleden kan zijn. Dat sprake zou zijn van een vergissing door verweerder omdat de oom van eiser veel kinderen heeft, heeft verweerder terecht niet gevolgd omdat [naam 2] dezelfde geboortedatum heeft als de neef waar eiser over heeft verklaard. De verklaring van eiser op zitting dat de neef over wie hij heeft verklaard de zoon van een eerdere vrouw van zijn oom is, waar zijn oom van gescheiden is, volgt de rechtbank niet. Dit verklaart alsnog niet dat [naam 2] dezelfde geboortedatum heeft als de neef waar eiser over heeft verklaard. Dat de oom twee kinderen zou hebben van twee verschillende vrouwen met exact dezelfde geboortedatum acht de rechtbank niet aannemelijk. Verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser een familielid centraal heeft gesteld in zijn asielrelaas dat in Nederland verblijft en nog in leven is en dat eiser daarom in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.
5.1.
Ook in de door eiser overgelegde documenten heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel. De overgelegde kopie van de overlijdensakte van eisers neef kan niet op echtheid worden onderzocht. Ook is onduidelijk op wie de overlijdensakte zou zien, omdat de oom van eiser geen zoon heeft genaamd [naam 1] en de zoon die geboren is op [geboortedatum 1] 1993 in leven is en al sinds 2015 in Nederland verblijft. Nog los van de vraagtekens die verweerder heeft kunnen zetten bij de foto van de grafsteen, is ook niet duidelijk wie op deze grafsteen is te zien gelet op het voorgaande.
De positie van Jezidi’s in Irak
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de groep Jezidi’s niet langer als risicoprofiel wordt aangemerkt omdat zij niet meer omwille van hun geloof, het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Evenmin is er sprake van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder verwijst hiervoor naar het AAB en de nota Landenbeleid Irak van 27 mei 2024. Hierin wordt gewezen op de Iraakse grondwet die vrijheid van godsdienst voor elke Iraakse burger garandeert. Daarnaast wordt er vanuit de autoriteiten inspanningen geleverd om Jezidi’s terug te laten keren naar hun oorspronkelijke leefgebied. Verder bestaan initiatieven voor compensatie aan IS-slachtoffers in de vorm van financiële steun, teruggave van een stuk grond en toegang tot (geestelijke) gezondheidszorg.
7. De rechtbank is, in lijn met de uitspraak van de meervoudige kamer van de zittingsplaats Rotterdam en eerdere uitspraken gedaan door deze zittingsplaats, van oordeel dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom Jezidi’s uit [plaats 1] niet als risicoprofiel worden aangemerkt. Zo is de godsdienstvrijheid voor Jezidi’s al ruim vóór de wijziging van het landenbeleid in de grondwet vastgelegd. Niet valt in te zien dat hoe dit een positieve wijziging van de situatie oplevert. Daarnaast volgt uit het AAB dat, hoewel er initiatieven zijn voor terugkeer naar [plaats 1] , feitelijke terugkeer beperkt blijft vanwege de onveilige situatie in [plaats 1] . De veiligheids- en bestuurlijke situatie in [plaats 1] is chaotisch omdat het district verdeeld is tussen verschillende – statelijke en niet-statelijke – gewapende actoren. Ook zijn de verwoesting van infrastructuur en huizen en het gebrek aan kansen op levensonderhoud en basisvoorzieningen obstakels voor terugkeer. De herstelbetalingen worden in een traag tempo uitgevoerd en er waren moeilijkheden met de procedures om in aanmerking te komen voor de herstelbetalingen.
De rechtbank vindt daarnaast van groot belang dat uit de landeninformatie volgt dat Jezidi’s binnen en buiten het [plaats 1] -gebied dagelijks forse discriminatie en sociale uitsluiting ondervinden. Zowel structurele achterstelling, zoals beperkte toegang tot werk, huisvesting en diensten, als openlijke vijandigheid, zoals haatzaaiende campagnes, online berichtgevingen die aanzetten tot geweld en stigmatisering, komen voor. Ook vindt de rechtbank van belang dat Jezidi’s uit [plaats 1] met de genocide in 2014 al de meest vreselijke vorm van discriminatie hebben meegemaakt. Een gegronde vrees voor vervolging kan ook gestoeld zijn op een cumulatie van ervaringen. Het voortbestaan van discriminatie na de genocide kan daarom relevant zijn voor het aannemen van een (bepaalde mate van) risico op vervolging, ook als die discriminatie op zichzelf niet zodanig is dat iemand onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.
Verweerder lijkt daarnaast een te strenge maatstaf te hanteren voor het aanwijzen van een groep als risicoprofiel. In de beslisnota over het landenbeleid voor Irak lijkt verweerder te suggereren dat er in algemene zin sprake moet zijn van een risico op ernstige schade of gegronde vrees voor vervolging om een groep als risicoprofiel aan te merken. Maar uit het eigen beleid van verweerder volgt dat verweerder een risicoprofiel kan aanwijzen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie de autoriteiten geen bescherming kunnen bieden. Dat is een aanzienlijk lagere lat dan de lat die verweerder in de beslisnota lijkt te hanteren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet goed heeft uitgelegd waarom er ondanks de zorgwekkende landeninformatie niet vanuit wordt gegaan dat Jezidi’s in [plaats 1] op structurele wijze in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten dan wel derden.
7.1.
Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom Jezidi’s uit [plaats 1] niet als risicoprofiel worden aangemerkt, is ook eisers individuele asielrelaas niet op de juiste manier getoetst. Anders dan verweerder meent kan het behoren tot een risicoprofiel namelijk wel van invloed zijn op de asielbeoordeling. Als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, moet verweerder de individuele omstandigheden namelijk beoordelen afgezet tegen de positie van de groep en de algemene (veiligheids)situatie in het land van herkomst. Dat is in eisers geval niet gebeurd. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen.
Overige beroepsgronden
8. Omdat het beroep gelet op het voorgaande al gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de overige beroepsgronden over de Griekse asielstatus en de afdoening van de aanvraag als kennelijk ongegrond.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
9.1.
De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
9.2.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 april 2026;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag binnen acht weken na verzending van deze uitspraak, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/de voorzieningenrechter:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9778.
Eiser wijst hierbij op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865.
Zie onder andere de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13702.
UNHCR, ‘Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status and Guidelines on International Protection’, paragraaf 53 en 55.
Paragraaf C3/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc).
Paragraaf C3/2.4 van de Vc.
De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.22020 en NL26.22021
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Eiser heeft op 6 juni 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 april 2026 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en H. Ahmed als tolk. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te kunnen zijn.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1990. Eiser is etnisch Jezidi en woonde in [plaats 1] . De eerste reden dat eiser Irak heeft verlaten is de aanwezigheid van IS en andere gewapende groeperingen in [plaats 1] . Eiser is tijdens zijn werkzaamheden in [plaats 2] daarnaast ook gediscrimineerd vanwege zijn etniciteit. Verder stelt eiser bedreigd te zijn door de PKK als gevolg van juridische stappen die eiser tegen de PKK heeft ondernomen omdat de PKK verantwoordelijk zou zijn voor de dood van eisers neef.
Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook de discriminatie die eiser heeft ondervonden vanwege zijn etniciteit, vindt verweerder geloofwaardig. Eisers problemen met de PKK vindt verweerder niet geloofwaardig. De verklaringen van eiser over zijn neef zijn in strijd met informatie die bekend is bij verweerder. Verweerder concludeert verder dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn etniciteit. Uit het meest recente Algemeen Ambtsbericht over Irak uit 2023 (hierna: het AAB) blijkt niet meer dat Jezidi’s vanwege hun geloof het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Ook is er geen sprake van vervolging van Jezidi’s in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder merkt Jezidi’s daarom niet langer aan als risicoprofiel (voorheen: kwetsbare minderheidsgroep). Eisers vrees voor discriminatie is onvoldoende zwaarwegend, omdat niet is gebleken dat eiser vanwege de discriminatie zo ernstig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren. Tot slot betekent het feit dat eiser in Griekenland een vluchtelingenstatus heeft gekregen niet dat eisers aanvraag in Nederland ook moet worden ingewilligd. Uit het Griekse dossier blijkt dat eiser een vluchtelingenstatus heeft gekregen omdat hij Jezidi is, maar Nederland neemt niet aan dat hij op basis hiervan vluchteling is. Verweerder heeft eiser een terugkeerbesluit opgelegd met als bestemming Irak.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Verweerder houdt ten onrechte vast aan zijn standpunt dat eiser verklaard zou hebben over zijn in leven zijnde neef die in Nederland woont. De oom van eiser heeft veel kinderen en verweerder heeft een vergissing gemaakt. Eiser wijst hierbij ook op de overlijdensakte en de foto van het graf. Daarnaast kan verweerder wat betreft de positie van Jezidi’s in Irak niet volstaan met algemene verwijzingen naar zijn beleidswijziging. Eiser verwijst naar een uitspraak van de meervoudige kamer van de zittingsplaats Rotterdam waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Jezidi’s in [plaats 1] niet als risicoprofiel worden aangemerkt. Ook heeft verweerder ten onrechte eisers vrees voor discriminatie bij terugkeer onvoldoende zwaarwegend gevonden. De vraag is niet alleen of eiser in het verleden heeft kunnen werken of toegang had tot basale voorzieningen, maar of de discriminatie en ontheemding maken dat eiser bij terugkeer (opnieuw) in een onhoudbare positie terechtkomt. Bovendien hanteert verweerder een te hoge drempel door te verlangen dat eiser aannemelijk maakt dat hij volledig van alle maatschappelijke voorzieningen is uitgesloten. Gelet op het gegeven dat eiser in Griekenland een vluchtelingenstatus heeft gekregen, had verweerder juist zorgvuldiger moeten motiveren waarom Nederland op basis van dezelfde feiten tot een andere beoordeling komt. Zelfs als de beoordeling van de asielmotieven in stand kan blijven, moet verweerder de Griekse asielstatus betrekken bij het terugkeerbesluit. Tot slot heeft verweerder de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Problemen met de PKK
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers problemen met de PKK terecht niet geloofwaardig heeft gevonden. Eiser heeft verklaard dat zijn neef genaamd [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1993, in 2021 is vermoord door de PKK. De vader van deze neef verblijft in Nederland. Verweerder heeft erop gewezen dat deze oom van eiser in zijn asielprocedure heeft verklaard twaalf kinderen te hebben, maar dat geen daarvan is genaamd [naam 1] . Wel heeft eisers oom een zoon genaamd [naam 2] die geboren is op [geboortedatum 1] 1993, dezelfde geboortedatum als de neef waar eiser over heeft verklaard. Deze neef verblijft sinds 2015 in Nederland en kan dus niet in 2021 in Irak overleden kan zijn. Dat sprake zou zijn van een vergissing door verweerder omdat de oom van eiser veel kinderen heeft, heeft verweerder terecht niet gevolgd omdat [naam 2] dezelfde geboortedatum heeft als de neef waar eiser over heeft verklaard. De verklaring van eiser op zitting dat de neef over wie hij heeft verklaard de zoon van een eerdere vrouw van zijn oom is, waar zijn oom van gescheiden is, volgt de rechtbank niet. Dit verklaart alsnog niet dat [naam 2] dezelfde geboortedatum heeft als de neef waar eiser over heeft verklaard. Dat de oom twee kinderen zou hebben van twee verschillende vrouwen met exact dezelfde geboortedatum acht de rechtbank niet aannemelijk. Verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser een familielid centraal heeft gesteld in zijn asielrelaas dat in Nederland verblijft en nog in leven is en dat eiser daarom in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.
5.1.
Ook in de door eiser overgelegde documenten heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel. De overgelegde kopie van de overlijdensakte van eisers neef kan niet op echtheid worden onderzocht. Ook is onduidelijk op wie de overlijdensakte zou zien, omdat de oom van eiser geen zoon heeft genaamd [naam 1] en de zoon die geboren is op [geboortedatum 1] 1993 in leven is en al sinds 2015 in Nederland verblijft. Nog los van de vraagtekens die verweerder heeft kunnen zetten bij de foto van de grafsteen, is ook niet duidelijk wie op deze grafsteen is te zien gelet op het voorgaande.
De positie van Jezidi’s in Irak
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de groep Jezidi’s niet langer als risicoprofiel wordt aangemerkt omdat zij niet meer omwille van hun geloof, het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Evenmin is er sprake van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder verwijst hiervoor naar het AAB en de nota Landenbeleid Irak van 27 mei 2024. Hierin wordt gewezen op de Iraakse grondwet die vrijheid van godsdienst voor elke Iraakse burger garandeert. Daarnaast wordt er vanuit de autoriteiten inspanningen geleverd om Jezidi’s terug te laten keren naar hun oorspronkelijke leefgebied. Verder bestaan initiatieven voor compensatie aan IS-slachtoffers in de vorm van financiële steun, teruggave van een stuk grond en toegang tot (geestelijke) gezondheidszorg.
7. De rechtbank is, in lijn met de uitspraak van de meervoudige kamer van de zittingsplaats Rotterdam en eerdere uitspraken gedaan door deze zittingsplaats, van oordeel dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom Jezidi’s uit [plaats 1] niet als risicoprofiel worden aangemerkt. Zo is de godsdienstvrijheid voor Jezidi’s al ruim vóór de wijziging van het landenbeleid in de grondwet vastgelegd. Niet valt in te zien dat hoe dit een positieve wijziging van de situatie oplevert. Daarnaast volgt uit het AAB dat, hoewel er initiatieven zijn voor terugkeer naar [plaats 1] , feitelijke terugkeer beperkt blijft vanwege de onveilige situatie in [plaats 1] . De veiligheids- en bestuurlijke situatie in [plaats 1] is chaotisch omdat het district verdeeld is tussen verschillende – statelijke en niet-statelijke – gewapende actoren. Ook zijn de verwoesting van infrastructuur en huizen en het gebrek aan kansen op levensonderhoud en basisvoorzieningen obstakels voor terugkeer. De herstelbetalingen worden in een traag tempo uitgevoerd en er waren moeilijkheden met de procedures om in aanmerking te komen voor de herstelbetalingen.
De rechtbank vindt daarnaast van groot belang dat uit de landeninformatie volgt dat Jezidi’s binnen en buiten het [plaats 1] -gebied dagelijks forse discriminatie en sociale uitsluiting ondervinden. Zowel structurele achterstelling, zoals beperkte toegang tot werk, huisvesting en diensten, als openlijke vijandigheid, zoals haatzaaiende campagnes, online berichtgevingen die aanzetten tot geweld en stigmatisering, komen voor. Ook vindt de rechtbank van belang dat Jezidi’s uit [plaats 1] met de genocide in 2014 al de meest vreselijke vorm van discriminatie hebben meegemaakt. Een gegronde vrees voor vervolging kan ook gestoeld zijn op een cumulatie van ervaringen. Het voortbestaan van discriminatie na de genocide kan daarom relevant zijn voor het aannemen van een (bepaalde mate van) risico op vervolging, ook als die discriminatie op zichzelf niet zodanig is dat iemand onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.
Verweerder lijkt daarnaast een te strenge maatstaf te hanteren voor het aanwijzen van een groep als risicoprofiel. In de beslisnota over het landenbeleid voor Irak lijkt verweerder te suggereren dat er in algemene zin sprake moet zijn van een risico op ernstige schade of gegronde vrees voor vervolging om een groep als risicoprofiel aan te merken. Maar uit het eigen beleid van verweerder volgt dat verweerder een risicoprofiel kan aanwijzen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie de autoriteiten geen bescherming kunnen bieden. Dat is een aanzienlijk lagere lat dan de lat die verweerder in de beslisnota lijkt te hanteren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet goed heeft uitgelegd waarom er ondanks de zorgwekkende landeninformatie niet vanuit wordt gegaan dat Jezidi’s in [plaats 1] op structurele wijze in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten dan wel derden.
7.1.
Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom Jezidi’s uit [plaats 1] niet als risicoprofiel worden aangemerkt, is ook eisers individuele asielrelaas niet op de juiste manier getoetst. Anders dan verweerder meent kan het behoren tot een risicoprofiel namelijk wel van invloed zijn op de asielbeoordeling. Als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, moet verweerder de individuele omstandigheden namelijk beoordelen afgezet tegen de positie van de groep en de algemene (veiligheids)situatie in het land van herkomst. Dat is in eisers geval niet gebeurd. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen.
Overige beroepsgronden
8. Omdat het beroep gelet op het voorgaande al gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de overige beroepsgronden over de Griekse asielstatus en de afdoening van de aanvraag als kennelijk ongegrond.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
9.1.
De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
9.2.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 april 2026;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag binnen acht weken na verzending van deze uitspraak, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/de voorzieningenrechter:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9778.
Eiser wijst hierbij op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865.
Zie onder andere de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13702.
UNHCR, ‘Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status and Guidelines on International Protection’, paragraaf 53 en 55.
Paragraaf C3/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc).
Paragraaf C3/2.4 van de Vc.
De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.